De tijden lenen zich ervoor: bezinning. Zo maakte ik onlangs met behulp van een zoekopdracht aan mijn geheugen een pelgrimage naar mijn jongensjaren. Enkele maanden eerder hoorde ik drie jonge mensen in een gezelschap van religiejournalisten zeggen dat ze weinig hadden met herdenken op 4 mei en vieren op 5 mei. Ze begrepen niet waarom mensen nog zo obsessief met die Tweede Wereldoorlog bezig konden zijn. Er was toch waarachtig sinds die tijd wel meer gebeurd in de wereld? Ze verontschuldigden zich beleefd voor deze gedachte, maar ik wilde me toch niet onttrekken aan zelfonderzoek.

Want ik behoor tot die groep mensen voor wie dat herdenken – met vieren heb ik minder – een levenslang project is geworden. En ik sluit niet uit dat mensen in mijn naaste omgeving die belangstelling voor ‘de oorlog’ wel eens obsessief hebben gevonden. Vijf jaar geleden moest ik nodig mijn boekenkast opruimen en ik besloot de rijk gevulde planken WO-II te ontdoen van ooggetuigenverslagen van wat de Holocaust is gaan heten. Ik bleek vijftig van zulke boeken te hebben. Ze deden het goed op de Utrechtse Vrijmarkt.

Onbegraven lijken

Ergens is die ‘belangstelling’ begonnen. Ik ben van 1954, van na de oorlog dus (en dat wil ik graag zo houden, zegt het grapje). De meeste familieleden hebben niet anders geleden onder die oorlog dan het grootste deel van de bevolking toen: schaarste, verduistering, spanning, angst. Maar ze zijn niet vervolgd. Met uitzondering dan van mijn vader, die op zijn vijftiende halsoverkop uit zijn huis moest vluchten bij een van de vele bombardementen op Enschede. Alles vloog in brand en ze verloren have en goed. Hij zag mensen brandend over straat lopen. Het waren geallieerde bommen geweest, dat maakte het extra wrang.

Voor verhalen over de Tweede Wereldoorlog moest ik het verder van boeken en televisie hebben. We hadden al vroeg tv en ik herinner me in de eerste helft van de jaren ’60 enkele afleveringen te hebben gezien van Loe de Jongs De Bezetting, ook die over de jodenvervolging. Mijn ouders vonden dat kennelijk wel educatief verantwoord. Wat ik zag maakte indruk, net zoals de boeken in de boekenkast over de meimaand van 1940 en een kroniek van de bezetting. Ook las ik al jong Leon Uris’ Mila 18, een romantische, maar aangrijpende roman over de opstand in het getto van Warschau. Toen kwamen de beelden, de foto’s, bijvoorbeeld in een meerdelige encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog.

Nationale Herdenking 2019© Nationaal Comité 4 en 5 mei

Maar de meeste indruk maakte een tv-uitzending ter gelegenheid van twintig jaar bevrijding. Daar zag ik voor het eerst filmopnamen van de bevrijding van kamp Bergen-Belsen, waar zoveel onbegraven lijken lagen dat ze met bulldozers door Britse soldaten in massagraven moesten worden geschoven. Besmettingsgevaar – inderdaad. Ik herinner me dat ik er een paar maanden heel slecht van heb geslapen en keer op keer uit mijn bed naar beneden kwam om te kunnen huilen en om de waaromvraag te stellen aan mijn ouders. Ze konden me niet echt helpen: het lag achter ons, het leven gaat door, een kind moet daar niet over tobben. Ik was tien jaar oud.

Koude Oorlog

De uitzending van De Bezetting wordt door de meeste historici gezien als een kentering in de Nederlandse oorlogsverwerking. Vlak na de bevrijding moest er wraak genomen worden op nazi’s, collaborateurs en ‘moffenhoeren’. Er kwam Bijzondere Rechtspleging en velen moesten zich verantwoorden. Sommigen kregen ook straffen en er waren zelfs executies. Wie goed was geweest en wie fout, dat was een duidelijke zaak. Maar verder niet zeuren. Het land moest worden opgebouwd en de Derde Wereldoorlog was in aantocht. De weinige teruggekeerden van de Holocaust moesten zich in het naoorlogse gareel schikken. Voor hun verhalen – zo ze die al wilden delen – hadden weinig mensen belangstelling. Onderzoekers als Evelien Gans en Ad van Liempt toonden later aan dat er soms regelrecht antisemitische afkeer was van de joodse mensen die terugkeerden.

De Koude Oorlog legde voor jaren het denkraam – met een modern woord: het frame – vast van de herdenkingen. Zo was de herdenking van de Februaristaking – een unieke, door de illegale CPN geleide opstand in februari 1941 tegen de eerste razzia’s onder joden door de Duitsers en hun handlangers – al vanaf de eerste bijeenkomst in 1946 in Amsterdam omstreden. De communisten, die veel verzetsmensen hadden verloren in de oorlog, mochten niet meedoen en organiseerden nog tot 1968 een aparte herdenking. In datzelfde jaar waarschuwde de genoemde Loe de Jong dat mensen moesten uitkijken voor het in 1956 opgerichte Nederlands Auschwitz Comité, want dat was een communistische mantelorganisatie.

De terugkerende debatten over de Vier en later de Drie van Breda – levenslang gedetineerde oorlogsmisdadigers – toonden een nationaal onvermogen van mensen om uit hun frame te stappen. Als je voor vrijlating pleitte, zoals de moedige joodse jurist Abel Herzberg, zat je niet in het kamp van de ‘goeden’. Communist Joop Wolff wist nimmer van wijken en trok in de Tweede Kamer en in dagblad De Waarheid al zijn geschutskoepels open.
In andere landen was dat niet anders.

De communistisch geworden landen van Oost-Europa - waar verreweg de meeste slachtoffers van de vervolgingen vielen - bouwden het frame van het heldhaftige Rode Leger dat de wereld had verlost van de gesel van het hakenkruis. Lastige vragen konden daarbij niet worden gesteld. Het bleef erg stil in daderland Duitsland. Er moest opgeruimd en wederopgebouwd worden. Er moest met Amerikaanse hulp een Wirtschaftswunder tot stand gebracht worden. De twee Duitslanden – sinds 1949 – werden frontstaten in de Koude Oorlog. Voor schuld en boete was geen plaats.

Ergens ontpopte zich bij mij de gedachte dat ik radicaal tegenovergestelde denkbeelden en politieke idealen moest nastreven dan de godvergeten misdadigersbende van de nazi’s

willem van der meiden

Het tweede Auschwitzproces, 1963-1965, kreeg nauwelijks belangstelling in de media. De beklemmende speelfilm over de onderzoeker die dit proces voorbereidde kreeg de treffende titel mee: Im Labyrinth des Schweigens. Meer belangstelling was er in 1961 voor het proces tegen Adolf Eichmann, een van de belangrijkste organisatoren van de Holocaust. De spectaculaire kidnapping door de Mossad van Eichmann in Argentinië en de sympathie voor de jonge staat Israël gaven het proces een bijzondere lading. Filosofe Hannah Arendt sprak in haar analyse van ‘de banaliteit van het kwaad’, een nieuw frame, in ons land deed Harry Mulisch verslag in De zaak 40|61 en liet wat pseudopsychologie los op Eichmann.

Zwart-wit

Wat deed ik in die jaren? We lazen op school Reis door de nacht van de gereformeerde jeugdboekenschrijver Anne de Vries. De christelijke hoofdpersonen zaten vol in het verzet en redden het door godsvertrouwen en onvoorstelbare moed. Een ongelovige communist redde het niet en pleegde in de gevangenis zelfmoord. De vader van de hoofdpersoon keerde terug uit een kamp – God zelf had hem door de hel heen geholpen. We lazen de Engelandvaarders van de christelijke schrijver K. Norel. Ook hier onvoorstelbare heldhaftigheid van de hoofdpersoon, de Urker vissersjongen Evert Gnodde. Hij liet niet na zijn kompanen in het verzet met het evangelie te bestoken. Een socialistische jongen bekeerde zich.

Maar ik begon betere boeken te lezen. Het boek van H.M. van Randwijk, In de schaduw van gisteren, werd in 1967 op middelbare scholen gratis verspreid. Daarin o.a. het gruwelijke verslag wat er met de in februari 1941 uit Amsterdam gedeporteerde joodse jongens in kamp Mauthausen gebeurde. Ik ontdekte Marga Minco met haar verstilde tragiek, J.B. Charles met zijn filippica’s tegen foute lieden en Duits revanchisme, Abel Herzberg met zijn milde wijsheid. Ik las veel, te veel over de vervolgingen en zag er te veel beelden van.

De kieren van Oost-Europa gingen open en allengs werd meer bekend hoe de nazi’s hadden huisgehouden voordat de gaskamers op volle toeren begonnen te draaien. Ik zag hoe de geallieerden concentratiekampen en gevangenissen aantroffen in de film die Duitse schoolkinderen verplicht moesten bekijken na de oorlog. Het waren zware woorden en beelden die zich opstapelden in mijn hoofd en in mijn hart. Wat moest ik ermee?

Ergens ontpopte zich bij mij de gedachte dat ik radicaal tegenovergestelde denkbeelden en politieke idealen moest nastreven dan de godvergeten misdadigersbende van de nazi’s: dus niet nationalistisch, niet racistisch, niet gewelddadig, niet uitsluitend maar insluitend, niet hiërarchisch maar superdemocratisch.

Ik las verslagen van het optreden van Einsatzgruppen in de Sovjet-Unie: de eersten die eraan gingen waren de communistische volkscommissarissen. De joden volgden meteen daarna. De eersten die in 1933 een Duits concentratiekamp betraden waren vakbondsmensen, socialisten en communisten. De communisten waren ook zo ongeveer de enigen die vóór de machtsovername in Duitsland de bruine SA-terreur op straat weerstonden. Als je antifascist wilde zijn, moest je dus daarbij willen horen. Rood tegenover zwart.

Maar ook in de collectieve verwerking van de oorlog was na twintig jaar een kentering ingetreden. De zwart-wit schema’s van fout tegenover goed gingen grijze tinten vertonen

willem van der meiden

Zo probeerde ik met terugwerkende kracht ‘goed’ te zijn in de oorlog die ik niet had meegemaakt, maar die mijn hersenen zozeer in beslag namen. Ik studeerde inmiddels theologie en ook daar voelde ik me het meest thuis bij radicalen en rebellen: de theologen van bevrijding en verzet, theologie die mensen binnen- en niet buitensloot, politieke Bijbellezing. Een beweging met de naam Christenen voor het Socialisme was me op het lijf geschreven. Mijn rode jaren waren achteraf beschouwd behoorlijk zwart-wit en hebben in die ongenuanceerdheid niet lang geduurd, al heb ik er tal van nuttige principes en intuïties aan overgehouden.

In West-Duitsland waren het de jaren van Die bleierne Zeit, naar de filmtitel van Margarethe von Trotta. Het kon onder mensen zoals ik gebeuren dat er werkelijk wel eens enige sympathie werd gekoesterd voor een beweging als de Rote Armee Fraktion. Daarvoor schaam ik me diep.

Motieven van daders

Maar ook in de collectieve verwerking van de oorlog was na twintig jaar een kentering ingetreden. De zwart-wit schema’s van fout tegenover goed gingen grijze tinten vertonen. Er kwam belangstelling voor motieven van daders. En ook de literatuur van slachtoffers die reflecteerden op wat hun was aangedaan bereikte grote hoogten en diepten (zie ook het artikel over Primo Levi, hierna). De gruwelijkheid bleef, maar de verwerking verdiepte zich.

In 1967 verscheen in Nederland het boek De SS’ers van Armando en Hans Sleutelaar. De wereld was te klein: een boek vol interviews met ‘foute’ Nederlanders. Wie zoiets deed, moest wel sympathie hebben voor hen, klonk het in recensies. Ik las het boek enkele jaren later: uit wat deze mannen te vertellen hadden kreeg ik veel inzicht in wat fascisme voor deze mensen, deze ‘daders’ had betekend. Ze vochten tegen de communisten, dat was voor hen reden genoeg.

Jarenlang mocht Mein Kampf van Hitler niet in de Nederlandse winkels liggen. Ook ik was daar tegen. Waarom eigenlijk? Omdat het een slecht boek was, omdat de tekst al aankondigde hoe het met de joden zou vergaan als de auteur aan de macht zou komen? Mochten mensen hier niet van leren? Nu ligt het in de winkel, met honderden aantekeningen en waarschuwingen. Niemand die het leest, althans niemand die er kwaad mee zou kunnen doen. In nazi-Duitsland las ook niemand het, wat erin stond werd je in essentie wel dagelijks toegebruld.

Nationale Herdenking 2019© Nationaal Comité 4 en 5 mei

In 1967 verscheen ook in West-Duitsland een opvallend boek: Die Unfähigkeit zu trauern, ‘het onvermogen om te treuren’ van het echtpaar Alexander en Margarete Mitscherlich. Deze twee leerlingen van Freud sondeerden met hun psychoanalytische peillood hoe het kwam dat de meeste Duitsers wegkeken. Zij maakten zich druk om de tweedeling van het land, de komst van Oost-Europese Heimatvertriebenen, het lot van Duitse vrouwen die in handen van de soldaten van het Rode Leger waren gevallen, de verwoeste steden en al die slachtoffers van bombardementen, honger en schaarste. Maar ze weigerden te erkennen dat dit alles veroorzaakt was door wat Duitsers hadden aangericht in de bezette gebieden en dat deze misdaden door het grootste gedeelte van de bevolking waren gesteund.

Daar moest de Trauerarbeit van de Duitse bevolking mee beginnen, redeneerden de Mitscherlichs. “Alexander had na de oorlog van de Duitse artsenverenigingen de opdracht aangenomen om hun collectieve schuld aan de nazigruwelen te weerleggen. Zijn eindrapport was echter vernietigend voor de medische stand en verdween diep in een la. Dat gedrag was kenmerkend voor het naoorlogse onvermogen van de Duitsers om te rouwen, schreef het echtpaar. Rouw om de slachtoffers die je land maakt is waarschijnlijk van elk volk te veel gevraagd, maar rouwen om je persoonlijke vergissingen, lafheid, verraad en misdaden is een vereiste om met jezelf in het reine te komen en een zinvol leven te leiden.” Zo stond het in een in memoriam voor Margarete Mitscherlich in De Groene Amsterdammer van 20 juni 2012.

Het boek kreeg een warm onthaal, vooral onder zich radicaliserende West-Duitse studenten. De Duitse regeringen en media hebben zich overigens bij het afzwakken en verdwijnen van de Koude Oorlog enorm ingespannen om de Trauerarbeit op een hoger plan te brengen. Paradoxaal genoeg was die kentering vooral te danken aan het succes van de tv-serie Holocaust, waar de halve Bondsrepubliek in 1977 naar keek. Zo kreeg kitscherige fictie uit Hollywood voor elkaar wat in duizenden boeken en films nauwelijks was gelukt.

Antifascisme

Mijn engagement met het communistische alternatief liep al na enkele jaren behoorlijke averij op, onder andere door het bezoek aan landen in Oost-Europa. Poolse vrienden, twintigers als wij, begrepen niets van dat engagement van ons. Zij hadden maar één vraag: hoe komen we van die communisten af? Ze wisten overigens ook bijzonder weinig over de vervolging van miljoenen joden, zigeuners en zoveel anderen op hun grondgebied. Ik las veel wat het zwartwitbeeld grijzer maakte. Ik las het lugubere relaas van Margarete Buber-Neumann: Duitse communiste, met haar man gevlucht naar de Sovjet-Unie in de jaren dertig, hij geëxecuteerd, zij verdwenen in de Goelag. In 1940 werd ze bij een gevangenenruil overhandigd aan de Gestapo bij de Duits-Russische grens en afgevoerd naar kamp Ravensbrück.

Vijf jaar later werd ze bevrijd.

Op haar verhaal liep mijn rode frame definitief stuk. Ik ga sindsdien niet ideologieloos en intuïtieloos door het leven en ook niet zonder frames. Sinds dat leenwoord in zwang kwam, heb ik me er wel op enkele betrapt, maar die zijn vrij onschuldig. Mijn mainframe blijft antifascisme. Dat frame is zo mooi verwoord door Willem Wilmink in zijn gedicht over de Joods-Nederlandse goochelaar Ben Ali Libi (Michel Velleman), in 1943 vermoord in Sobibor: “En altijd als ik een schreeuwer zie / met een alternatief voor de democratie, / denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar / voor Ben Ali Libi, de goochelaar?”