Hun vragen komen voort uit een grote bezorgdheid om ontwikkelingen in de tijd en de wereld waarin we leven. Het lijkt wel alsof we van God los zijn. Maar niet alleen dat. Het lijkt ook alsof we los zijn van elkaar en van wat ons bezielt. En dat heeft grote invloed op ons leven en ons samenleven. Ik deel de bezorgdheid van Koetsveld en Pumplun en deel graag wat in mij bovenkomt als ik stil sta bij hun vragen.

Levende ervaring

Het lijkt mij van groot belang om te zoeken naar het verband tussen het leven van mensen en het christelijk geloof. Daarvoor ga ik te rade bij de theoloog Paul Tillich. In zijn preek Je bent aanvaard zegt hij: ‘Er is een mysterieus feit wat betreft de grote woorden van onze religieuze traditie: ze kunnen niet vervangen worden. Alle pogingen om ze te vervangen (…) falen om de werkelijkheid weer te geven die ze moeten uitdrukken; ze leiden tot oppervlakkige en krachteloze taal. (…) Maar er is een manier om hun betekenis te herontdekken, op dezelfde manier die ons naar de diepte van ons menselijke bestaan leidt. In die diepte zijn deze woorden ontstaan; en daar kregen ze kracht voor tijden; daar moeten ze weer gevonden worden door elke generatie, en bij elk van ons voor zichzelf.’ 1

Het religieuze vindt zijn oorsprong in de diepte van ons bestaan, zegt Tillich. En op een of andere manier zijn we het contact daarmee kwijt geraakt. Het kan zijn dat het ermee te maken heeft dat veel mensen nauwelijks meer weten wat er ten diepste in hen omgaat of bang zijn voor wat ze in hun innerlijk aantreffen aan leegte, niet-weten of angst. Velen van ons zijn hard bezig met presteren en overleven. Vaak heeft ons hoofd de regie over ons leven, waardoor we het contact met ons lijf kwijt geraakt zijn. Of we denken dat we zelf ons leven moeten maken en dat we alle geluk en bevrediging van buiten moeten halen in plaats van te zoeken in ons eigen innerlijk. En daarmee zijn we de ervaring kwijt, die religie en christendom levend maakt.

Dat is een groot verlies. Praten over angst, leegte, dankbaarheid of liefde is iets heel anders dan deze gevoelens ervaren en met elkaar delen. Praten over geloven of over God is iets heel anders dan stilstaan bij en praten vanuit de ervaring van het geheim dat God is.

Van ervaring naar taal

Daarom denk ik dat het ermee begint dat we ons weer bewust worden van wat er omgaat in ons hart en hoe het gesteld is met ons lichaam. Zoeken naar verankering en een basis om uit te leven begint bij de ademhaling. Door bewust te ademen kunnen we voelen en stilstaan bij wat er van binnen leeft. Mediterend, biddend of (mantra’s) zingend kunnen we tot onszelf komen. Ook yoga en mindfulness reiken goede oefeningen aan. Op deze manier komen we los van de overlevingsmechanismes en de beelden van onszelf en ons leven die we hebben opgebouwd.

Van daaruit is het mogelijk om te zoeken naar woorden. Wanneer we proberen om onder woorden te brengen wat leeft op de bodem van ons hart en welke signalen ons lichaam geeft, zijn we intenser betrokken op wat Tillich ‘de diepte van ons menselijk bestaan’ noemt. Er mag zijn wat er is op dat moment, we kunnen onder ogen zien en verwerken, we hoeven ons niet te forceren, niet aan verwachtingen te voldoen, het leven niet krampachtig in de hand te houden. We kunnen ons gewoon laten gaan.

Er zijn methodes die helpen om bij je ervaring te komen en de signalen van je lichaam te benoemen, zoals ‘focussen’ of gespreksvormen als het inquiry of zelfonderzoek, dat meestal in groepjes van twee of drie wordt gedaan. Door te voelen wat zich in je afspeelt en daaraan woorden te geven wordt je ervaring dieper en ga je bewuster leven. Dat vraagt om aandacht en tijd. En het vraagt om moed om ook de onaangename, pijnlijke gevoelens onder ogen te zien, er te laten zijn en zo mogelijk te benoemen. Het vraagt erom dat je eerlijk zoekt naar wat waar is op dit moment. En het vraagt om stilte: juist als er een stilte valt kun je voelen wat je raakt.

Stilstaan bij je ervaring maakt je bewust van wat je in beslag neemt. Het heeft iets van bidden. Je onderscheidt waar je bang voor bent en je erkent het. Daardoor alleen al wordt de lading minder groot. Er lost iets op, daar hoef je niets voor te doen. Er kan innerlijke ruimte ontstaan. En in die innerlijke ruimte kan zich iets ontvouwen wat je niet verwacht had, er kan je iets overkomen wat je ‘genade’ zou kunnen noemen. Het bijzondere is dat datgene wat zich in je afspeelt zich onttrekt aan je greep. Het gaat je verstand te boven. In zo’n moment van innerlijk zelfonderzoek kun je je leven in een ander licht gaan zien.

En dan kun je zomaar in aanraking komen met een andere werkelijkheid, met god of het goddelijke. En er komen woorden naar boven, die weliswaar te maken hebben met de kern van onze beleving, maar die ook verder reiken, woorden als genade of vertrouwen, overgave of vrede. Deze woorden laten ruimte voor wat ons te boven gaat. Het zijn bekende woorden, misschien zelfs versleten woorden, maar vanuit de diepte van ons innerlijk krijgen ze nieuwe inhoud. Voor onszelf gaan ze weer iets betekenen.

Ruimte voor het heilige

Wanner we stilstaan bij wat er in ons omgaat kunnen we de ervaring hebben dat er meer is in het leven dan wij kunnen zien en begrijpen. We maken deel uit van de wereld, maar zijn tegelijkertijd georiënteerd op een andere laag, een andere dimensie. We kunnen bidden, zingen, een kaarsje branden en daarin beseffen we dat het leven niet maakbaar is, dat we niet in de hand hebben wat er gebeurt. We zijn deel van een groter geheel.

Het christelijke geloof en de bijbel sluiten hierbij aan. We kunnen met elkaar iets ervaren van wat ons te boven gaat, waar eigenlijk geen woorden voor zijn, maar wat we God noemen. We kunnen ons laten aanspreken door verhalen en woorden, waaraan we ons kunnen spiegelen en die richting geven. En we kunnen de nood van mensen en de nood van de wereld uitspreken en bij God brengen. We beleven de aanwezigheid van het heilige in ons midden, we roepen ‘Heer, ontferm u’ en vragen om vrede en zegen. We reiken naar de eeuwige, naar het eeuwige, dat een heel leven meegaat in de hoogte-en dieptepunten daarvan. De elementen van een kerkelijke viering kunnen een basis vormen onder het leven en samenleven van mensen.

En zo is de liturgie werkelijk waar ze voor bedoeld is: ‘een dienst aan de mensen; een steeds terugkerende oefening om mee te gaan in het goddelijke bevrijdingswerk om de aarde tot een veilige woonplaats te maken en de mens tot zijn ware menselijke bestemming te brengen. Opdat we niet omkomen in nihilisme, liefdeloosheid, onvrede en onrecht, maar door Gods Geest geleid mogen komen tot een gevuld en zinvol bestaan.’ 2

Maar ook buiten vieringen of kerkdiensten om is het mogelijk om elkaar te ontmoeten en woorden uit de bijbel als nieuw tot je te laten doordringen. Ook voor mensen die niet thuis zijn in de christelijke traditie kan het een verrijking zijn om op deze manier iets te ervaren wat zowel te maken heeft met hun eigen innerlijk als met de grond waarop ze staan of de bron waaruit ze kunnen putten. Dat kan bijvoorbeeld waar mensen samen de bijbel lezen volgens de methode van ‘Lectio divina’. In verschillende stappen laten ze een bijbelgedeelte door zich heen gaan en staan stil bij wat het met hen doet. Het kan allerlei gevoelens oproepen, zoals weerstand, twijfel of ontroering. Doordat zij hun reactie op de tekst uitspreken en delen met anderen dringt de betekenis van de tekst dieper tot hen door. Tegelijkertijd kunnen ze op deze manier ook tot nieuwe inzichten komen over hun leven.

Er kan bij voorbeeld al iets wezenlijks verschuiven wanneer er gelezen wordt uit een andere vertaling van de bijbel. Voor een Pinksterviering las ik onlangs niet het enigszins versleten zinnetje ‘Ontvang de heilige Geest’ uit de Nieuwe Bijbel Vertaling, maar ‘Neemt in u op aanblazing van de Heilige’ uit de Naardense Bijbel ( Joh. 20, 22b). Die ene zin maakte dat ik de essentie van Pinksteren beter begreep. We mogen ons iets heiligs laten toeblazen, we zijn niet alleen maar op onszelf aangewezen. We hoeven ons leven niet te maken, we hoeven niet zelf zin te geven aan ons leven. We mogen zin ontdekken en ontvangen. We krijgen adem toe-geblazen, levensadem van de heilige, het heilige. Dat is Pinksteren. Daar kunnen we van opleven, dat kan ons goed doen. In die viering maakten we dat zichtbaar door elkaar een rood veertje aan te reiken of toe te blazen.

Deze Pinksterboodschap brengt mij bij de kern van waar het om gaat, als we stilstaan bij wat een doorleefd christelijk geloof kan zijn. We krijgen adem toe-geblazen, er komt iets van de andere kant. Er is een kracht ten goede, een energie, een liefde, hoe je het ook noemen wilt, er is een andere kant, een goddelijke, eeuwige, heilige andere kant.

Dat betekent dat we ons leven niet hoeven te maken, dat het niet allemaal van onszelf afhangt. Het betekent ook dat het van-God-los-zijn niet het laatste woord heeft, dat we niet aan het noodlot overgeleverd zijn. Het betekent, aldus Tillich in de genoemde preek, dat we mogen aanvaarden dat we aanvaard worden. We mogen geloven dat we er mogen zijn, dat we worden herenigd met wie we ten diepste zijn en met wat ons ten diepste draagt.

Daarbij denk ik terug aan al die keren dat ik mensen de zegen meegaf aan het einde van een kerkdienst. Terwijl ik de woorden uitsprak: ‘De Heer zegene u en hij behoede u’ hielden zij elkaars hand vast. De omarming door de eeuwige was niet alleen een bevestiging van steun aan hen, maar verbond hen ook met elkaar en met de wereld die zij na de viering weer ingingen.

Elske Cazemier (1960) is emeritus-predikant van de PKN en heeft als geestelijk verzorger gewerkt in het ziekenhuis en de zorg voor mensen met een beperking.

VOETNOTEN

  1. Preek ‘You are accepted’, te vinden op https://wedgeblade.net. Uit:’The shaking of the Foundations’, 1948
  2. Theo Vrijlandt, Liturgiek, Delft 1987, noemt deze elementen van de liturgie op blz 5 en 6.