Het voorbije coronajaar heeft de dood dichter bij ons dagelijks leven gebracht. Veel mensen is de dood bespaard gebleven, maar toch raakte corona ons diep. Het dagelijks luisteren naar nieuws over het aantal doden en het leed van in verzorgingshuizen opgesloten en geïsoleerde ouderen heeft ons innerlijk diep geraakt.

Ik had vooral in de wintermaanden van de tweede lockdown steeds een terugkerende vage herinnering als ik aan de dood dacht. Het ging over een boek dat ik ooit had gelezen of een film die ik ooit had gezien. Ik heb lang lopen graven in mijn herinnering, maar ik kon niet op de titel komen. Ik weet alleen dat het een herinnering was uit het eerste decennium van mijn leven in Nederland, de jaren negentig, toen ik tussen twintig en dertig jaar oud was.

De herinnering bestaat uit een fragment over Indianen. Hoe de ouderen in moeilijke tijden, wanneer ze niet meer in staat zijn om bij te dragen aan het welzijn van hun stam, afscheid nemen door vrijwillig de stam te verlaten en het bos in te trekken. Ze worden niet afgestoten, ze hoeven ook niet ervoor te kiezen, maar wie de stam voorgoed verlaat krijgt wel een koninklijk afscheid. Dan trekken zij het bos in om voedsel te worden voor de natuur en de dieren. Ze verlaten hun cultuur en gaan op in Moeder Natuur, de ultieme voedster van hun stam.

Ik weet niet of ik volledig reconstrueer wat ik gelezen of gezien heb. Ik weet niet of mijn beelden op feiten gebaseerd zijn of inmiddels door de romantiek van een buitenstaander gekleurd zijn. Misschien is het gewoon mijn dichterlijke fantasie.

Het enige dat ik weet is dat het mij raakte. Niet om daarmee een morbide recept voor omgang met ouderen in coronatijd voor te schrijven. Het is niet mijn persoonlijke variant op een keiharde survival of the fittest, die de moderne mens in plaats van the circle of life heeft geadopteerd. De Indianen presenteren een zienswijze om anders te kijken naar de verhouding tussen mens en maatschappij, in een groter geheel waarbinnen onze menselijke cultuur slechts een bescheiden onderdeel is. Ze presenteren een verhaal dat voorbij het gierig individualisme van onze laat-kapitalistisch mentaliteit reikte. Ik hecht steeds meer waarde aan dit verhaal.

De Indianen presenteren een zienswijze om anders te kijken naar de verhouding tussen mens en maatschappij, in een groter geheel waarbinnen onze menselijke cultuur slechts een bescheiden onderdeel is

Shervin nekuee

Sire maakte in de jaren 2000-2005 een serie Postbus 51 filmpjes met het motto: ‘de maatschappij, dat ben jij!’ Hoe goed ook bedoeld, dit motto was een van de meest ongeloofwaardige motto’s die ik ooit heb gehoord. Het motto is namelijk een contradictio in terminis, want als enkelvoud ben je nooit een maatschappij – alleen in meervoud zijn wij dat. Deze Postbus 51 reclame verried destijds hoe vervreemd we zijn geraakt van de menselijke gemeenschap en zijn biotoop. We zijn vervreemd geraakt van een werkelijk besef van verbondenheid met het eeuwige universum. Een universum waarin de aarde vóór de geboorte van ieder van ons heeft bestaan en die het ook na de dood van ons allen verdient om voort te bestaan. Na onze dood mogen de bomen weer tot bloei komen om de volgende generatie menskinderen tot bloei te laten komen.

In het licht van deze eeuwige lotsverbondenheid begrijp ik de opoffering van de Indianenouderen uit mijn herinnering beter. Ook de collectieve verering van de ouderen door hun stam is te begrijpen als je bedenkt dat de ouderen in slechte tijden het voortbestaan van de wereld vooropstellen. Hun geesten zijn zo rijp dat zij in staat zijn om het ultieme offer, hun leven, te brengen. Senioriteit brengt dus een grote verantwoordelijkheid met zich mee: je moet in staat zijn om het voortleven van de gemeenschap boven jouw eigen leven te stellen.

Een samenleving waarin ouder worden steeds meer als een ziekte wordt gezien heeft geen hoge verwachting van ouderen. Je kunt niet van hen verwachten om zowel in goede tijden als in slechte tijden het natuurlijke proces van rijping in dienst te stellen van de jongere gemeenschap. ‘De maatschappij, dat ben jij!’ heeft als boodschap voor ouderen: blijf fit, blijf zelfstandig en blijf vooral doen wat de rest ook in staat is om te doen.

Terwijl je ook zou kunnen stellen dat in het natuurlijke proces van aftakeling van het lichaam een eeuwige wijsheid schuilgaat. In het gegeven dat je steeds minder hard rond kunt rennen schuilt misschien wel een bedoeling of een bestemming. Dat proces van vertraging stelt je wellicht in staat om jouw rol in de gemeenschap te overdenken en te vervullen. Je wordt misschien wel de geduldige bakermat voor de nieuwe en ongeduldige generatie.

Een generatie die in jou een spiegel ziet en zich bewuster weet te verhouden tot het jonge ongeduld. Een generatie die van jouw dwalingen in het verleden leert en zich door jouw overwinningen laat inspireren, zodat ze vertrouwen krijgt in de waarheid dat de circle of life altijd doorgaat. Het betekenis geven aan ouderdom, vergankelijkheid en het verlaten van de aardse wereld kan bij ouderen enkel opnieuw ontstaan als de samenleving zelf de vergankelijkheid opnieuw leert te eren.

Shervin Nekuee is socioloog, columnist, programmamaker en schrijver van De Perzische Paradox: Verhalen uit de Islamitische Republiek Iran (uitgeverij de Arbeiderspers 2006). Hij schrijft maandelijks voor Volzin over mystiek, persoonlijk geloof en zijn Iraanse wortels.