Maar ik ben geen politicus of beleidsmaker, slechts een eenvoudige derwisj. Ik kan verhalen uit mijn mystieke traditie delen ter inspiratie. Mijn  gids in de mystieke islam is een Iraanse soefimeester, die de laatste twee decennia van zijn leven in Nederland woonde. Hij vertelde mij eens tijdens een nachtelijke wake in de vastenmaand Ramadan hoe hij ooit op het pad van het soefisme was gekomen.

“Ik groeide op in een traditioneel gezien in Isfahan. Mijn moeder was dochter van een zeer gerespecteerde hooggeleerde geestelijke. En mijn vader was een wijze en succesvolle, zelfstandige grootbazaar van onze stad. Hij was een afstammeling van een 16e-eeuwse poëet, mysticus, wetenschapper en minister. Moeder was de manager van ons grote gezin. Van mijn broers was ik de meest welsprekende, op straat was ik de stoerste jongen en later werd ik kampioen vrij worstelen van onze stad. Ook al waren mijn ouders strenggelovig, ze voelden goed aan dat ik een sterke wil had en mij te veel regels opleggen zou tot meer jeugdige opstand leiden. Ze deden alsof ze het niet zagen dat ik voluit genoot van mijn jong zijn. Ik proefde alles wat een jonge man wilde proeven en zocht alle grenzen op die mijn jonge ziel konden uitdagen. Ik was ijdel, droeg de mooiste kleren en kocht de lekkerste mannengeuren.

Grote vragen

Maar die hedonistisch levenswijze begon me na een tijdje te vervelen. Ik heb zo het vermoeden dat mijn ouders dat al hadden voorzien. Dat wat ze in onze kindertijd hadden gezaaid, hun vroomheid, hun woorden over het wonderbaarlijke van het leven, de verzen uit Koran die ze bij wijze van antwoord op onze grote kindervragen reciteerden, of de gedichten van de dichter Hafez die zij als levensles ons meegaven... dat het op den duur zijn werk zou gaan doen. 

Mijn kinderziel was met een verfijnd gevoel voor dagritme ingesloten en grootgebracht in het vijfmaal-daagse gebed. Mijn denken over goed en kwaad was verbonden met epische verhalen over de profeten en over mythische helden en hun beproevingen. Mijn hart klopte op het elegante ritme en de melancholisch cadans van de Perzische poëzie.

Ik kon mij maar niet hechten aan de islamitische orthodoxie van de familietak van mijn moeder. Ik zag hen als eeuwig gevangenen van wat wel en wat niet mag. Bang voor twijfels, te bang om andere wegen te overwegen. De traditionele, tolerante en pragmatische wijze waarmee de bazaarlieden van Isfahan, mijn vader incluis, hun geloof praktiseerden was minder rigide. Het was weliswaar comfortabeler en menselijker, maar het gaf mij weinig bevredigende antwoorden op de grote vragen van het leven - waarom we op aarde zijn en wat onze bestemming is.

Ifsahan (Iran)© Wikimedia CC

Indiase mystiek

Einde jaren zestig was de Indiase mystiek erg modieus onder jonge Iraniërs. Ik werd aangetrokken door een verhaal dat ik in de krant over een Indiase goeroe had gelezen. Een goeroe die zwijgend zijn leerlingen begeleidde. Van hem waren alleen maar een schaarse aantal uittreksels van zijn lessen te vinden. Er was echter een kring van zijn volgelingen die eens per maand in Teheran bij elkaar kwam. Ik reisde naar Teheran om de bijeenkomsten van zijn volgelingen te volgen. Ook hier was in navolging van de leer van hun leider vooral veel stilte te beleven. Urenlang samen stil zitten is een harde leerschool voor een stoere, sportieve jonge man als ik en zeker voor iemand uit de stad Isfahan met haar niet te evenaren conversatiecultuur. Deze zelfgekozen stilte ontroerde mij.

Ik voelde mij voor het eerst als een eenling in het universum. Alleen op een eiland. Hoe vaker ik deze stiltebijeenkomsten mee makte, hoe meer ik werd bevangen door de diepte en de tragedie van het menselijk bestaan. Ik voelde dat we op ons zelf zijn aangewezen, verwikkeld in een eeuwig innerlijk gesprek met onze twijfels, angsten en onzekerheden. Het was alsof een wond was opengegaan. Een wond veel ouder dan ik zelf, een oer-wond, en die hield maar niet op met het bloeden. Niets kon mij troosten. Ik keek met argwaan naar alle drukdoenerij van mijn diersoort, hun hebzucht, hun verslaving aan pijn dan wel plezier, hun vrijage met onmogelijk verlangen én met de onnodige frustraties, onbezonnen leven en er maar mee doorgaan, tot de dood erop volgt. 

Weerloos

De nieuwe dageraad beloofde niets meer dan een naderende ondergang. Ik stond op en zag mijn moeder zoals ieder ochtend het ontbijtkleed spreiden, mijn eerste theekopje inschenken, twee suikerklontjes erin roeren zodat ik alleen hoefde op te staan en haar zoete liefde op drinken. Ik barste in tranen uit en omhelsde haar heel lang. Want ik zag haar begrafenis voor mijn ogen en besefte dat ik ooit afscheid van haar moet nemen. Ik hoorde mijn broer, het zevende en jongste kind van het gezien, onze benjamin, naar de deur rennen. Hij wilde de vrienden achternagaan die op straat aan het voetballen waren. Maar ik rende achter hem aan en hield hem tegen. Wat als hij vandaag door een auto zou worden aangereden? Ik ging naar de bazaar, zonder iemand of iets te zien of te horen, als een slaapwandelaar. Ik had alleen maar één doel, ik wilde mijn vader omhelzen en mijn spijt betuigen voor alle kattenkwaad die ik als kind had uitgehaald. Want elke dag kon de laatste dag zijn, elk afscheid de laatste.

Alles van waarde was weerloos. Dat diepe besef dat dankzij die lange stiltebijeenkomsten tot mij was doorgedrongen maakte me ontroostbaar. De stille kring van de Indiase goeroe had een poort opengezet naar de grootste levensvraag - de zin van een vergankelijk leven. Maar die kring in Teheran miste een troostend fundament, misschien omdat de fysieke aanwezigheid van de Indiase goeroe werd gemist. Wie zou het kunnen zeggen? 

Ik werd per dag zwaarmoediger. Wat had het voor zin om voort te leven in het besef dat een aaneenschakeling aan verlies van geliefden en eigen aftakeling, pijn en verdriet, onze lotsbestemming was? Waarvoor, voor wie, waar zou je dagelijks opstaan als een eeuwige slaap onze onvermijdelijke einde was?

Ik liep op mijn meest versleten schoenen en in mijn oudste kleren naar de mooie brug van ons stad over de grote rivier Zayandeh-Rood. Zayandeh-Rood betekent 'de rivier die leven brengt'. Nog letterlijker, 'de bevallende rivier'. Maar ik was er juist er heen om een einde aan mijn vergankelijke leven te maken.

Shervin Nekuee

Op een bewolkte decemberochtend liet ik alles achter mij. Ik dronk de zoete thee van mijn moeder voor de laatste keer en gaf haar een dikke kus op haar bedekte hoofd. Ik liep op mijn meest versleten schoenen en in mijn oudste kleren naar de mooie brug van ons stad over de grote rivier Zayandeh-Rood. Zayandeh-Rood betekent 'de rivier die leven brengt'. Nog letterlijker, 'de bevallende rivier'. Maar ik was er juist er heen om een einde aan mijn vergankelijke leven te maken. Daar stond ik dan, aangetrokken tot diepe wateren, wachtend op een moment dat er geen voorbijganger in de buurt was. En net toen ik dacht het juiste moment gevonden te hebben, hoorde ik een zachte, lage stem mij roepen “Agha Mahdi” (jonge heer Mahdi).

Ik keek geërgerd om. Hoe was het nu in godsnaam mogelijk dat iemand ongezien achter mij was opgedoken en wie was die vent die mij bij mijn roepnaam kende? Ik herkende in het besnorde gezicht van deze kleine en pezige veertiger, de beroemdste theeschenker van Isfahan! De man die met zijn jonge zonen de hele bazaar van een schitterend geparfumeerde thee voorzag. Ik had hem van kinds af aan de winkel van mijn vader binnenlopen, met volgeschonken slanke en kronkelige theeglazen. Ik zei hem met een zekere verlegenheid gedag en hij gaf mij zijn eeuwige glimlach.

“Heb je een vuurtje voor me?” was zijn vraag. Ook al was ik de laatste maanden een stevige roker geworden, ik had noch sigaretten noch een aansteker in mijn zak. Ik stond hier met lege zakken om een einde aan mijn lijden te maken. “Nee, excuus, ik heb geen vuurtje”. Hij zei: “maar ik wel, jij bent toe aan een sigaretje jonge heer”. Hij gaf mij de sigaret en stak een lucifer aan. Het bescheiden dansend vlammetje van de lucifer zal heel mijn leven in mijn herinnering blijven. Mijn hart werd verwarmd door dat vuurtje en de diepe smaak van tabak van zijn goedkope sigaret in mijn mond bracht me weer levenslust. Mijn hersenen leken ontwaakt, net een wetenschapper bij het aanschouwen van een onverklaarbaar verschijnsel.

Kleine vlam

Voordat ik iets kon vragen legde hij zijn rechterhand op mijn linkerschouder. De hand van deze kleine man op mijn grote schouders voelde machtig warm, als een klauw van een leeuwin die zijn welp in bescherming neemt. Ik voelde me klein en kwetsbaar, doch beschermd en in juiste handen. “Morgen, donderdagavond, net als alle donderdagavonden, ga ik naar onze poëzieavond. Het is een kleine kring, een oude wijze man draagt gedichten voor, een vriend zingt dan die gedichten en een ander speelt de rietfluit. En ik zet de thee. Heb jij er zin in om morgen mee te gaan?” Met een brok in mijn keel kon ik alleen ja knikken. “Mooi, dan haal ik je morgen bij zonsondergang hier op.”

Voordat ik iets kon zeggen keerde hij me met zijn kleine gestalte de rug toe en verdwenen. Zo begon mijn zoektocht naar het wonderbaarlijke en bewandelde ik het pad van de mystieke islam, allemaal vanwege de kleine vlam van een lucifer. Ik ging naar de rivier van de bevalling om een einde aan mijn leven te maken, maar toen ik eenmaal bij dat stromende water aangekomen was, werd ik herboren.”

Wie steekt deze dagen voor onze jongeren een lucifer aan?

Shervin Nekuee is socioloog, columnist, programmamaker en schrijver van De Perzische Paradox: Verhalen uit de Islamitische Republiek Iran (uitgeverij de Arbeiderspers 2006). Hij schrijft maandelijks voor Volzin over mystiek, persoonlijk geloof en zijn Iraanse wortels.