“Zolang ik maar kan schilderen…” Zo drukt de jonge schilder Julius Stibbe zijn passie uit voor zijn vak. Hij zegt met deze woorden niet alleen dat de kunst zijn element is. Hij wil ook zijn voorkeur onderstrepen voor de discipline van het schilderen, die hij blijkbaar afzet tegen andere kunstvormen, zoals beeldhouwen en tekenen. Het is ook een conservatieve stellingname, aangezien de schilderkunst in de loop van de twintigste eeuw haar positie als koningin der beeldende kunsten heeft moeten prijsgeven - door de opkomst van de fotografie, maar vooral door de concurrentie van nieuwe kunstvormen, zoals de installatiekunst, de performance en de conceptuele kunst.

Die behoudende stellingname blijkt vooral uit Stibbes werk zelf, dat duidelijk staat in de traditie van de schilderkunst uit het begin van de twintigste eeuw. Zich bedienend van traditionele technieken schept hij doeken die herinneren aan expressionisme, fauvisme en hier en daar zelfs aan magisch realisme: op het randje van het surrealistische en abstracte, soms vervreemdend, maar altijd in zijn kern figuratief. Zijn werk is charmant en innemend door de aangename (critici zullen misschien zeggen: behaagzieke en decoratief werkende) organische vormen en de kleurenpracht. Het is kunst zonder pretenties en statements, waaraan is af te zien dat de maker ervan heeft genoten tijdens het proces van totstandkomen. Kunst omwille van de kunst, niet meer en niet minder. Het verklaart wellicht ook, waarom er zo weinig over zijn werk wordt gefilosofeerd, noch door hemzelf, noch door anderen.

Het is kunst zonder pretenties en statements, waaraan is af te zien dat de maker ervan heeft genoten tijdens het proces van totstandkomen

eric corsius

Dat pretentieloze blijkt ook uit de titels die zijn werken hebben en die verwijzen naar heel dagelijkse, herkenbare verschijnselen en ervaringen: Maandagochtend, De Knie, Jij en Ik, Aan het strand, Zonsopgang, Blokje Om. Ironisch bedoeld is het niet, wel associatief en speels. De intensiteit is er niet minder om, zoals in Jij, dat een tedere liefdesverklaring lijkt te zijn…  Lijkt… Want het is hachelijk om Stibbes werken te willen interpreteren. Zelf zegt hij, dat hij de toeschouwer graag alle ruimte laat om zelf zijn werken te interpreteren. Het pretentieloze van zijn werk hangt ook samen met dit vermijden van opdringerigheid.

Dit past ook bij het associatieve karakter van Stibbes werk. Het ontstaansproces heeft bij hem een heel eigen, meanderend karakter. De schilder gaat spontaan, intuïtief te werk, maar ook geconcentreerd, vanuit contemplatie en verwondering. Hij grijpt de momenten van ingeving aan, maar gunt zichzelf en zijn werk ook alle tijd. Hij laat als het ware de tijd zelf haar werk doen. Hij geeft zich over aan zijn inspiratie, maar durft ook te twijfelen en te aarzelen. Zo laat hij een schilderij soms voor een langere periode rusten, om na een zekere tijd de draad weer op te pakken. Tot het einde blijft onbeslist, of het werk nu af is of niet en gedurende het maakproces kan de kunstenaar nog van richting veranderen. Hij laat zich leiden door voortschrijdend inzicht en schrikt niet terug voor een voortdurende staat van voorlopigheid.

Terwijl sommige hedendaagse schilders ons ontregelen en provoceren door uiterste abstractie of een mystieke zwijgzaamheid, brengt Stibbe ons juist van slag door ons te confronteren met een rijk gedekte tafel

Eric Corsius

Des te opvallender is, dat het eindresultaat op het doek zo vaak een harmonisch en sereen geheel is, dat klopt als een bus. Voorlopigheid in het proces gaat blijkbaar niet ten koste van perfectie als doel of resultaat. Stibbe lijkt het bewust ‘onaffe’ van tijdgenoten te vermijden. In zijn doeken ontbreekt de leegte: alle stukken vallen in elkaar en vullen elkaar aan in de compositie en zijn beeldvullend. De ruimte die Stibbe aan zijn kijkers geeft, om zijn werk te duiden en ‘in te vullen’, komt, anders dan bij sommige collega’s, niet tot stand door het opgeven van raadsels of door het onthouden van informatie. Hij schept geen brokstukken of torso’s.  Het is in tegendeel de rijkdom en het overdadige karakter van zijn werk, die ons als kijker laat associëren, wegdromen en nadenken: de rijkdom en overdaad van vormen en kleuren, de rijkdom en overdaad aan mogelijke betekenissen.

Anders gezegd: terwijl sommige hedendaagse schilders ons, in de lijn van Barnett Newman en Mark Rothko, ontregelen en provoceren door uiterste abstractie of een mystieke zwijgzaamheid, brengt Stibbe ons juist van slag door ons te confronteren met een rijk gedekte tafel. Tegenover de radeloosheid door het niets plaatst hij de ontreddering door de overvloed.

“Ik wil het allemaal gaan uitproberen.” Een belijdenis van openheid en nieuwsgierigheid

eric corsius

Voor zover de ogenschijnlijke pretentieloze Stibbe in de media iets over zichzelf loslaat, laat hij blijken dat hij ook zichzelf als kunstenaar beschouwt als ‘work in progress’ en dat hij zich ook bewust overlevert aan een ontwikkelings- en leerproces. Hoe succesvol hij ook is, ja: gevierd en gelauwerd, hij is alles behalve ‘gevestigd’.  Dit blijkt uit een recent wapenfeit van Stibbe. Enkele jaren geleden nam hij deel aan het project De Torenkamer van Vondel CS en Radio Vier. Hierbij kreeg elke week een andere kunstenaar de ruimte en de tijd, om zich artistiek uit te leven in een kleine ruimte op de bovenste verdieping van het culturele centrum in het Vondelpark in Amsterdam. Stibbe nam de uitnodiging tot deze retraite aan. Hij zag het als een uitdaging, om een kant van zichzelf te ontdekken en te ontwikkelen, die hij lang bewust had laten liggen. Zo schreef hij in de social media:

“De gehele academie heb ik altijd een bepaalde weerstand tegen tekenen gehad, te kwetsbaar materiaal en zelf had ik er te weinig concentratie voor. Daarentegen zou ik niks liever willen dan het te beheersen en naast mijn schilderijen ook tekeningen te gaan maken.  Als start wil ik een pak met honderd vellen kopen en mijzelf als doel stellen die allemaal in een week vorm te geven. Potlood, stift, verf, krijt ik wil het allemaal gaan uitproberen!”

“Ik wil het allemaal gaan uitproberen.” Een belijdenis van openheid en nieuwsgierigheid, die een mooie aanvulling is op de ogenschijnlijk monomane uitspraak, waarmee ik dit artikel begon. Een ‘statement’ van een jonge kunstenaar die zichzelf, zijn vak en de wereld wil ontdekken. Des te tragischer is het, dat Stibbe met veel collega’s en leeftijdsgenoten in het bijzonder te kampen heeft met de gevolgen van de huidige pandemie en de ermee gepaard gaande beperkingen. Ontwikkeling en creativiteit, in de kunst en daarbuiten, vragen om ruimte: ruimte om netwerken aan te knopen, om je vleugels uit te slaan, om onbekend terrein te verkennen. Dat is de generatie van Stibbe momenteel niet gegund. Er dreigt voor ons allemaal daardoor een waardevolle bron op te drogen.