‘Kritiek op islam is van een andere orde dan antisemitisme’, tweette Gert-Jan Segers, de voorman van de ChristenUnie. Hij reageerde op een column van Emine Uğur in Trouw.  Vanwege de vele reacties legde Segers zijn standpunt nog eens extra uit. ‘Juist als gelovige’ pleit hij voor veel ruimte voor religiekritiek. ‘Moslimhaat mag niet, islamkritiek wel’. Dat klinkt best sympathiek en gelijkwaardig: hij stelt zich als gelovig christen ook open voor kritiek. De realiteit is echter anders.

Islamkritiek en antisemitisme

Het loskoppelen van ‘kritiek op islam’ van antisemitisme, racisme en moslimhaat lukt alleen als je de geschiedenis van ‘ras’, religie en christelijke superioriteit negeert. Segers, en ook (seculiere) denkers als Stine Jensen (“islamofobie is geen racisme”, of een willekeurige collega Henk (“zou jij soms in Saoedi-Arabië willen wonen?”) zouden er goed aan doen zich daar nog eens in te verdiepen.

Stine Jensen schreef in haar NRC-column dat islamofobie geen racisme is, want "islam is een geloof, ook door witte mensen beleden, niet een ‘ras’, en ‘religiekritiek’ is niet meteen ‘islamofoob’”. Het veelvoorkomende misverstand dat haat vanwege ‘geloof’ dus geen racisme is, is er mede de oorzaak van dat het frame van ‘islamkritiek’ zo hardnekkig is. Terecht plaatst Jensen ‘ras’ tussen aanhalingstekens: ‘ras’ is een constructie, geen ‘harde’ categorie. Op basis van die constructie werden mensen in een hiërarchie geplaatst.

Christelijke superioriteit

Hoewel ‘ras’ pas in de 19e eeuw onderdeel werd van een wetenschappelijk discours, is de geschiedenis van het concept veel ouder. Bij die geschiedenis hoort het concept ‘semieten’. Joden en moslims vielen in de ogen van (christelijke) Europeanen samen onder die categorie, als afstammelingen van Noachs zoon Sem. Niet alleen wat betreft religieuze overtuigingen, maar ook wat betreft taal en lichamelijke kenmerken werden ze gezien als minderwaardig.

Bij het idee van ‘ras’ hoorden vanaf het begin fysieke kenmerken als huidskleur, maar ook opvattingen over religie, net als over etniciteit, gender en seksualiteit. Voortbouwend op dat (christelijke) perspectief op semieten werden ook (andere) zwarte en bruine mensen geracialiseerd en gecategoriseerd als ondergeschikt.

Het concept ‘ras’ en de christelijke geschiedenis daarvan is de verbindende schakel tussen antisemitisme, anti-zwart racisme en moslimhaat. Het concept ‘ras’ is verbonden met het idee van christelijke, witte superioriteit.

Joden en moslims als aartsvijanden

Dat er geen keurige scheiding bestaat tussen kritiek op religie enerzijds en racisme anderzijds, voelen de meeste mensen wel aan als het om Joden en antisemitisme gaat. ‘Joods zijn’ gaat over cultuur én etniciteit. Antisemitisme bedreigt daarom alle Joden, ook seculiere. Een van de antisemitische overtuigingen in het christelijke Europa was dat Joden nooit echte Europeanen, of Nederlanders, of Britten kunnen zijn. Dat was een van de motieven voor Lord Balfour en andere christenen om het zionisme te steunen. In veel andere opzichten zijn we de relatie tussen religie en ‘ras’ vergeten, ook als het om anti-zwart racisme gaat.

Inmiddels zijn Joden en moslims in onze verbeelding van elkaar los gemaakt en, zeker bij Gert-Jan Segers, tegenover elkaar geplaatst als aartsvijanden. Het ontstaan van de staat Israël, een land dat werd gezien als onderdeel van het Westen, speelde daarin een rol.

Het resulteert in claims over ‘onze joods-christelijke beschaving’ die maskeren dat Joden nooit gezien werden als onderdeel van de (christelijke) ‘Westerse beschaving’. Ondertussen zijn stereotypen over en racialisatie van Joden en moslims niet zomaar verdwenen. De focus op ‘islamkritiek’ verhult de overeenkomsten met antisemitisme. Moslims zijn namelijk nooit een individu, altijd een groep. Ze zijn bovendien altijd verdacht – hoewel er ook ‘goede moslims’ zijn. In de grond van de zaak zijn ze anders dan wij, en daarmee een bedreiging van onze betere, meer democratische samenleving. Daarom zijn wij ook in zo’n goede positie om ‘islamkritiek’ te leveren.

Vergeten geschiedenis

Segers ziet Joden als slachtoffers van antisemitisme en moslims als de bron daarvan. In dat plaatje zijn christenen enkel observator en zelf ook een bedreigde minderheid. De herinnering aan de koloniale, raciale, christelijke geschiedenis is uit dat verhaal verdwenen. Maar niet alleen is de relatie tussen moslims en christenen in Nederland vandaag asymmetrisch, die asymmetrie zit ook in begrippen als ‘religiekritiek’, ‘islamkritiek’ en ‘moslimkwesties’.

We gaan ervan uit dat iedereen gewoon kritiek moet kunnen geven op de islam, zonder dat we de echo’s herkennen die daarin meeklinken. Maar christenen zoals Segers, en ook ikzelf, zouden er goed aan doen juist wel te kijken naar de overeenkomsten in ervaringen van Joden en moslims met het (post-)christelijke Nederland.

Fictie van joods-christelijke samenleving

De realiteit van moslimhaat heeft grote consequenties voor het dagelijks leven van Nederlandse moslims. Uit onderzoek in Amsterdam bleek dat moslims ervaren dat moslimhaat steeds gangbaarder wordt in alle lagen van de samenleving. Die consequenties zijn ook merkbaar in hoe moslims door de overheid behandeld worden. Het Toeslagenschandaal maakte zichtbaar dat je vanwege een donatie aan een moskee op de zwarte lijst van de Belastingdienst kunt belanden. Heel voorspelbaar: volgens staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst Marnix van Rij is dat geen (institutioneel) racisme.

De manier waarop Segers over de islam spreekt is ogenschijnlijk alleen theologisch. Segers christelijke wereldbeeld drijft op de fictie van een joods-christelijke beschaving en de fictie van een veralgemeniseerde, vijandige islam. Maar die christelijke visie sijpelt natuurlijk ook door in zijn politiek: die is deels gebaseerd op een groot onderscheid tussen Joden en moslims. Wij zijn ‘joods-christelijk’, Israël moet verdedigd worden tegen het ‘gevaar van de omringende moslimlanden’, kritiek op Israël en zeker ook termen als ‘racisme en apartheid’ in relatie tot Israël zijn taboe.

Blindheid voor christelijke erfenissen

Trouw-columnist Stevo Akkerman sprak zijn vermoeden uit dat het Segers er in zijn reactie op Emine Uğur niet gaat om Wilders te verdedigen, ‘maar om zijn eigen definitie van antisemitisme te beschermen’. Ik deel dat vermoeden. Daarin zit voor Segers de moeilijkheid: om moslimhaat te erkennen voor wat het is. Om Wilders’ moslimhaat onverkort af te wijzen moet vooral het eigen wereldbeeld van Segers op de schop.

Het is deels aan de blindheid voor de christelijke erfenissen van het ‘seculiere’ Nederland te wijten dat moslimhaat zo slecht wordt herkend. Dat geldt niet alleen voor Gert-Jan Segers, maar ook voor Stine Jensen en ook voor collega Henk en vele anderen. Dat er zo weinig adequaat op wordt gereageerd in de politiek, is kwalijk en ontzettend gevaarlijk.

Janneke Stegeman (1980) is bijbelwetenschapper en theoloog. Ze was Theoloog des Vaderlands 2016/2017.

Meer informatie: