Gaat het wel goed met God? Hij lijkt oud en vermoeid geworden, afgeleefd en uitgerangeerd. Dat is in elk geval het beeld dat hij oproept wanneer hij verschijnt in de strip van Dirkjan, een creatie van de Nijmeegse striptekenaar Mark Retera, die in hoge mate bijdraagt aan mijn dagelijks levensvreugde. Maar niet aan die van iedereen.

Eerder dit jaar verscheen in een aantal regionale dagbladen een strip van Dirkjan, waarin wordt aangebeld door twee Getuigen van Jehova. Dirkjan opent de voordeur en de Getuigen vragen hem: “Goedemiddag, kent u de Here God?” Op het laatste plaatje keert Dirkjan terug in de huiskamer en zegt: “Het is voor jou.” De persoon die wordt aangesproken, is een oude man met wit piekhaar en een lange witte baard, gekleed in een lang wit gewaad. Hij zit met een flesje bier in de hand op de bank naar de tv te kijken.

God dus.

Van zijn wolk gevallen

De strip riep verdeelde reacties op. De krant kreeg boze brieven en mails van lezers, onder meer uit de Nederlandse Biblebelt, die de afbeelding godslasterlijk vonden. Anderen vonden juist dat God helemaal uit de strip moest verdwijnen, want Hij heeft in het verleden al zoveel ellende veroorzaakt.

De God van Dirkjan beantwoordt aan het klassieke kinderlijke beeld van God: een oude, wijze man, uiteraard met een lange baard, zittend op een witte wolk. Dat is de ‘oude wijze’ uit het bijbelboek Daniël, zittend op een troon van vuurvlammen, zonder baard nog, maar wel met een kleed ‘wit als sneeuw’, en dat is de God van Michelangelo uit de Sixtijnse Kapel. Die God kan heftige reacties oproepen: sommigen zien hem als de ware, anderen vinden hem verwerpelijk. Maar voor de meeste Nederlanders, gelovig of niet, zo moeten we nuchter vaststellen, heeft Hij afgedaan. Hij bestaat niet meer. Hij is van zijn wolk gevallen en van zijn troon afgedaald.

Voor dichters en mystici was Hij dat al lang. Een van de mooiste religieuze gedichten uit het midden van de twintigste eeuw – ik heb er al vaker over geschreven – vind ik Godsbesef van Bertus Aafjes, uit de bundel De Karavaan uit 1953:

God zit niet op een troon van chroom of van nikkel –

Soms zit hij in een oude pereboom
en merelt,
soms staat hij op zijn hoofd in een klein kind
want hij is altijd soms.
Hij is geen kerk van holle eeuwigheid,
hij is geen kathedraal van hoge lege almacht,
hij is een nu, een hier; een altijd soms,
soms lust die schuimt,
soms een verliefdheid,
en wee de maagd.

Maar altijd is hij overal in alles
zoals het is,
zoals het soms en altijd anders is.  

God zit niet langer op een troon vanwaar Hij ons allemaal in de gaten houdt. Als Hij er nog is, dan is Hij in elk geval ‘altijd anders’.  Hij is voor de meeste mensen die zijn naam nog in de mond durven nemen, niet meer de alwetende toezichthouder.

Afscheid van de politiegod

In het verleden leek het godsbesef, of liever de vrees voor God, een soort garantie te zijn voor de publieke moraal in de samenleving. God was de grote boeman, “de alomtegenwoordige politiegod, waar sommigen in hun jeugd bang voor gemaakt zijn”, zoals de dichteres Marjoleine de Vos het ooit formuleerde, of meer theologisch uitgedrukt: de Rechter, die tegelijk Straffer en Beloner kon zijn. Zelfs wie zelf niet meer in God – of althans in déze God - kon geloven, kon het nog wel handig vinden Hem af en toe van stal te halen om te zorgen dat de mensen zich, uit vrees voor helse straffen, netjes gedroegen.

Voor het merendeel van de Nederlanders heeft God afgedaan als de bewaker van de publieke moraal. De socioloog en publicist Herman Vuijsje schreef daarover een interessant boek: Tot hier heeft de Heer ons geholpen. Over godsbeelden en goed gedrag. De boodschap van de titel kan de lezer gemakkelijk aanvullen: ‘maar voortaan moeten we het zelf doen, op eigen kracht’.

Voor het merendeel van de Nederlanders heeft God afgedaan als de bewaker van de publieke moraal

peter nissen

Vuijsje is ervan overtuigd dat de christelijke traditie ons waardevolle leefregels voor ons morele gedrag aanreikt. Dat is, interessant genoeg, ook de conclusie waartoe recent Rutger Bregman (domineeszoon!) kwam in zijn veelgelezen boek De meeste mensen deugen, en ook essayist Bas Heijne, die in zijn essay Mens/onmens uitkomt bij de Bergrede als bron van humaniteit.

Wij staan, zo luidt kort samengevat Vuijsjes analyse van de situatie, in Nederland of ruimer in West-Europa nu voor de uitdaging die waardevolle leefregels van de christelijke traditie in stand te houden, ook nu we dat niet meer doen uit collectieve angst voor een dreigende en straffende God. ‘Voortaan moeten we in West-Europa onze normen “’uit onszelf halen’, met dank aan het christelijk erfgoed,” aldus Vuijsje.

Wachten op God

God is ontslagen als hoeder van de publieke moraal. De god van het opgeheven vingertje heeft afgedaan. Misschien is hij daarmee wel bevrijd van zichzelf. Om God geboren te kunnen laten worden, zo zoals Hij is, moeten wij afstand doen van de beelden die wij van Hem hebben. Dat is een kerngedachte van de middeleeuwse dominicaanse theoloog Meister Eckhart. Wij moeten, zo schreef hij, “God opgeven omwille van God”. Dat betekent: wij moeten alle beelden van God achter ons laten, in het besef dat geen enkel beeld volstaat.

Wij weten niet wie of wat God is.

De zestiende-eeuwse Spaanse karmeliet Johannes van het Kruis spreekt in zijn Geestelijk Hooglied over God als “een ik weet niet wat” (un no sé qué). Als wij wel zouden denken te weten wie God is, zouden wij de illusie kunnen koesteren dat wij Hem ‘bezitten’. Maar Hij is, zoals Bertus Aafjes dichtte, ‘altijd anders’, ‘een altijd soms’. God, aldus Meister Eckhart, kan in ons geboren worden als wij ons zelf leegmaken van beelden van God en pure ontvankelijkheid of ‘Gelassenheit’ worden.

Dat betekende voor Meister Eckhart ook: ophouden met het krampachtig zoeken naar God. In veel populaire spirituele literatuur wordt het zoeken naar God als het hoogste ideaal beschreven. Maar als wij dat zoeken doen met ons verstand, met onze begrippen, met onze hang naar rationeel begrijpen, dan lopen wij God mis.

“Ons hele heil is in het niet-weten, het niet-kennen,” zei Meister Eckhart in een van zijn preken. “Boven het verstand dat zoekt, is nog een ander verstand, dat niet meer zoekt,” aldus Meister Eckhart. In plaats van krampachtig te zoeken naar God kunnen wij beter, om een beeld van de Franse filosofe en mystica Simone Weil over te nemen, ‘wachten op God’: ons laten vinden door Hem.

Iets verbeeld als Iemand

Maar blijft er dan niet weinig over van God? Vervallen wij dan niet snel in de gemakkelijke belijdenis dat ‘er wel iets is’? Het beeld van God als een persoon, die ingrijpt in de wereld en die zich met ieder van ons persoonlijk bemoeit, heeft op grote schaal plaatsgemaakt voor het beeld van God als een hogere macht, een kracht of een energie, die ons doet bestaan en die als dragende grond in de werkelijkheid werkzaam is.

Voor veel mensen in de westerse wereld en zeker in Nederland geldt dat het klassieke beeld van de persoonlijke God plaats heeft gemaakt voor het beeld van ‘iets’. Toenmalig minister Ronald Plasterk introduceerde daarvoor in 1997 in een column in het blad Intermediair het begrip ‘ietsisme’. Hij bedoelde dat duidelijk denigrerend.

De term ‘ietsisme’ suggereert dat er bij de aanhangers ervan nog slechts een extreem vaag idee van een hogere instantie bestaat. Plasterk zag in het fenomeen vooral een uiting van het feit dat mensen die vroeger gelovig waren geweest uit nostalgische of esthetische motieven toch maar aan ‘iets hogers’ blijven vasthouden, ‘anders is het zo kaal’. Maar dit geloof, aldus Plasterk, verplicht tot niets. Plasterk suggereert dat het ‘ietsisme’ eigenlijk een vorm van lafheid is van mensen die het geloof in God zijn kwijtgeraakt, maar dat voor zichzelf en voor anderen niet helemaal durven toe te geven.

Maar er is toch meer aan de hand met dit besef dat er ‘iets’ is. Het blijkt mensen toch te kunnen motiveren tot onbaatzuchtig handelen. Ook kunnen zij het verbinden met een spiritueel levensdoel.  Het ‘ietsisme’ blijkt bij nader inzien minder leeg, minder vrijblijvend en ook minder oppervlakkig te zijn dan door Plasterk en ook door woordvoerders van de kerken wel gesuggereerd werd.

Er is toch meer aan de hand met dit besef dat er ‘iets’ is. Het blijkt mensen toch te kunnen motiveren tot onbaatzuchtig handelen

Peter Nissen

Van theologische zijde zijn verschillende pogingen ondernomen om juist vanuit het perspectief van de mystieke traditie tot een herwaardering van het ‘ietsisme’ te komen, zelfs onder het speelse motto ‘iets is beter dan niets’. De remonstrantse theologe Christiane Berkvens-Stevelinck maakte duidelijk dat een ‘ietsistische’ opvatting niet een persoonlijke verhouding tot dat ‘Iets’ in de weg hoeft te staan, dat dus ‘ietsisme’ gerust een fundament van (christelijke) spiritualiteit kan zijn.

Dat gebeurt volgens haar op het moment dat ik me verbeeld “dat iets voor mij iemand is, die onmogelijk in woord en beeld gevangen kan worden, maar die mij aanspoort tot het goede, die naar mij omziet en mijn leven richting geeft. En het is deze vertaling van het onkenbare Iets in een verbeeld Iemand die mijn leven betekenis verleent.”

Mysticus of niet

Precies in die persoonlijke omgang met het ongrijpbare en onbeschrijfbare mysterie van onze bestaansgrond ligt mijns inziens de toekomst van God. De Duitse jezuïet Karl Rahner, volgens velen de belangrijkste katholieke theoloog van de twintigste eeuw, voorspelde dat de toekomst van het christendom af zou hangen van de vraag of mensen aan hun geloofsovertuiging een persoonlijke ervaring in de omgang met God zouden kunnen verbinden of niet.

In een artikel over ‘Frömmigkeit heute und morgen’ in het jezuïetentijdschrift Geist und Leben schreef hij in 1966 de inmiddels beroemde woorden: “Der Fromme der Zukunft wird ein 'Mystiker' sein, einer, der etwas 'erfahren' hat, oder er wird nicht mehr sein.” De vrome mens van de toekomst zal een mysticus zijn, iemand die iets ervaren heeft, of hij zal er niet meer zijn.

Er is toekomst voor een God die kwetsbaar is en die ons daarom in onze eigen kwetsbaarheid weet te raken

Peter Nissen

De almachtige God op zijn troon, de politiegod, de hoeder van de publieke moraal, heeft afgedaan. Maar er is toekomst voor een God die kwetsbaar is en die ons daarom in onze eigen kwetsbaarheid weet te raken, een God die ons levensmoed geeft en tot onbaatzuchtig handelen weet te motiveren, een God die voor verbinding en vertrouwen zorgt. Dat is de God die misschien wel even wanhopig en eenzaam is als wij, maar die ons opzoekt omdat Hij liefde is, zoals beschreven in het wellicht mooiste religieuze gedicht uit de Nederlandse letterkunde van de twintigste eeuw, Dagsluiting uit de bundel Nader tot U uit 1966 van Gerard (Kornelis van het) Reve:

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt
zoals ik U.

Theoloog en kerkhistoricus Peter Nissen is hoogleraar oecumenica aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en is als remonstrants predikant verbonden aan het project ‘ZielZin: een plek voor dromen en dwarse gedachten’.