In de serie Voorbij de waan verdiept journalist Jurgen Tiekstra zich in de grote maatschappelijke kwesties van de komende jaren. Hij spreekt invloedrijke denkers uit binnen- en buitenland. De grote vraag op de achtergrond is steeds: wat zegt dit over de mens?

Johan Norberg verdwijnt uit beeld. Even is alleen een rijk gevulde boekenkast te zien, in een appartement ergens in Stockholm. Dan verschijnt zijn blonde kop weer in beeld, met het haar dat hij zwart verfde toen hij jong was, zich nog begaf in anarchistische kringen en spuugde op de Westerse samenleving.

“Laat me even kijken.” Norberg blijkt een exemplaar te hebben gepakt van zijn vorige boek Vooruitgang, tien redenen om naar de toekomst uit te kijken. Hij bladert door het boek, tot hij op pagina 66 vindt wat hij zocht en voorleest: “Ooit zal er een variant van het influenzavirus opduiken, die dodelijk genoeg is om een verschrikkelijke tol te eisen, zoals in 1918 gebeurde toen de Spaanse griep naar alle waarschijnlijk meer dan vijftig miljoen levens eiste.”

Het boek verscheen vijf jaar geleden. Hij wil met dit citaat niet zeggen dat hijzelf zo slim is, zegt Norberg, maar wel dat hij luistert naar slimme mensen.

De vraag aan hem was of de coronapandemie een klap is voor zijn geloof in de vooruitgang en de globalisering. De Zweedse historicus is een pleitbezorger van beide. Na zijn vroege jaren als maatschappijkritische anarchist, dook hij in de wereldgeschiedenis en drong het tot hem door hoe bijzonder het is dat de mensheid in een paar eeuwen tijd zulke onvoorstelbare stappen vooruit heeft gezet. Dan hebben we het over de gestegen levensverwachting, de daling van de armoede, de technische innovaties en de toegenomen vrijheid. Zoals hij in zijn nieuwe boek Open benadrukt, komt dat alles door de opkomst van de open economieën en de wereldwijde uitwisseling van kennis en ideeën.

Deze pandemie heeft laten zien dat slechte dingen zich ook over de grenzen verspreiden, maar dat de enige oplossing de globalisering zelf is

johan norberg

Tegelijkertijd: zonder die globalisering had het coronavirus zich niet zo rap over de wereldbol kunnen verspreiden. “Op een bepaalde manier is dat inderdaad een klap”, bekent hij. “Wanneer we de wereld overvliegen nemen we veel microben met ons mee. Maar aan de andere kant: we hadden in de veertiende eeuw geen vliegtuigen en geen globalisering, wat betekende dat de pest zich toen langzamer verspreidde. Maar uiteindelijk kwam misschien wel de helft van alle Europeanen om het leven, doordat we geen globalisering hadden van technologie, markten, logistiek en wetenschap. Nu is het mogelijk voor Chinese onderzoekers, en Turkse migranten in Duitsland, die met technische experimenten begonnen, om samen te werken met Amerikaanse farmaceutische bedrijven en zo binnen een paar maanden met een vaccin te komen. Deze pandemie heeft laten zien dat slechte dingen zich ook over de grenzen verspreiden, maar dat de enige oplossing de globalisering zelf is.”

In de negentiende eeuw kampte Europa met meerdere cholera-epidemieën, waaronder ook Nederland. Het voordeel van die tijd was dat cholera zich langzaam verspreidde, omdat er nog maar weinig infrastructuur was en Nederlanders zelfs binnen hun eigen land weinig reisden.

“Dat was een voordeel, maar het probleem was: als een pandemie uitbrak, of in die tijd was het misschien een overstroming, slecht weer of een mislukte oogst, konden er geen hulpbronnen van een andere plek komen. De pandemie vindt wereldwijd plaats, maar we vergeten dat de meeste rampen lokaal zijn. Als je geen wereldwijde bevoorradingsketens hebt, stort alles in en kun je je eigen kinderen niet eens voeden. Zelfs een pandemie breekt niet overal tegelijk uit. We vergeten dat China begin 2020 twee miljard gezichtsmaskers importeerde, in één maand. Daarna begon het bij ons, en konden wij gezichtsmaskers en beschermende kleding uit China importeren omdat hun fabrieken weer openden. Openheid maakt ons dus veerkrachtiger als er een ramp plaatsvindt.”

Ben je desondanks bezorgd wat het gevolg van deze pandemie zal zijn?

“Je hebt absoluut gelijk. Ik ben hoopvol over de mogelijkheid van openheid en globalisering, maar dat is een minderheidsstandpunt. Ik ben bezorgd hoe mensen de pandemie zullen interpreteren. In mijn boek schrijf ik dat historisch gezien het probleem is dat de natuurlijke reactie van mensen op rampen is – en dan noem ik specifiek epidemieën als cholera, pest en syfilis – dat ze bang worden voor anderen en voor de rest van de wereld. Dat is een menselijk instinct, omdat een ziekte ergens anders vandaan komt. Dus wil je je isoleren.

Wat we echt nodig hebben, is flexibiliteit. Daarom hebben we wereldwijde aanvoerketens nodig, zodat landen aan elkaar kunnen bijdragen. Dat maakt ons weerbaarder, ook al is dat contra-intuïtief

johan norberg

Je ziet nu enige anti-Azië sentimenten. Vaak wordt een ziekte geassocieerd met de mensen die de ziekte dragen. Wat dat betreft had het veel erger gekund, als de ziekte was overgedragen door immigranten uit het Midden-Oosten of uit Mexico in plaats van door Europese zakenmensen en toeristen uit de Alpen. Wat we op beleidsgebied wel zien is een nieuwe belangstelling voor protectionisme en het willen beperken van bevoorradingsketens. Dat zien we in de VS, in Brussel, in India, in China. Iedereen spreekt erover om de belangrijkste productie weer in eigen land te hebben. Daar maak ik me zorgen over.”

Een paar jaar geleden ontstond er in Nederland een gebrek aan medicijnen, als gevolg van problemen die toen speelden in Chinese fabrieken. In die tijd kwam het geluid op dat Nederland meer grip zou moeten hebben op iets wat zo belangrijk is. Dat klinkt als een redelijke gedachte.

“Dat is een natuurlijke en ogenschijnlijk rationele reactie. Het probleem alleen is: weet jij welk medicijn je de volgende keer nodig hebt? We bevechten altijd de laatste oorlog. Het is nu makkelijk te zeggen dat we graag wat mRNA-vaccin-fabrieken hadden gehad. Maar een jaar geleden wisten we niet eens of die technologie zou werken.

Zweden heeft de laatste paar jaar ook een paar crises meegemaakt. Twee jaar geleden hadden we bosbranden. Toen vonden alle Zweden dat we meer capaciteit zouden moeten hebben om branden te bestrijden. Daarna hadden we een gebrek aan veevoer. De reactie was: we zouden meer land moeten reserveren voor de productie van voer. En dit keer met corona hadden we gezichtsmaskers en vaccins nodig. De volgende keer kan een crisis de aanval van cyberterroristen zijn, een overstroming of een gevolg van de klimaatverandering.

Wat we echt nodig hebben, is flexibiliteit. Daarom hebben we wereldwijde aanvoerketens nodig, zodat landen aan elkaar kunnen bijdragen. Dat maakt ons weerbaarder, ook al is dat contra-intuïtief.”

In Nederland, net als in Zweden, wordt voortdurend over crises gesproken. Maar als je in de geschiedenis duikt, blijkt dat de hele twintigste eeuw over crises gepraat is. Waar komt dat constant zorgen maken vandaan?

“Ik denk dat de menselijke natuur zelf is. Ik wil de problemen niet kleiner maken dan ze zijn, maar er zijn ook veel succesverhalen. Daar schreef ik mijn vorige boek over. Alleen hebben we niet de neiging om ons die successen te herinneren. De reden daarvoor lijkt me vrij duidelijk: moeder natuur is een goede econoom. Wij hebben niet het vermogen om overal aandacht aan te besteden, we hebben een beperkte aandachtsspanne. Dus waar moet onze aandacht naar uit gaan? Onze natuur vertelt ons: concentreer je op het probleem, want dan is de kans groter dat je dat kunt vermijden of oplossen, zodat je je genen aan de volgende generatie kan doorgeven.

Johan Norberg
Johan Norberg: 'Wat we echt nodig hebben, is flexibiliteit'© Remco Neuhaus

Die menselijke natuur is in gijzeling genomen door onze moderne mediawereld, met zijn wereldwijde, 24-uur-per-dag-berichtgeving. Over de hele wereld zijn potentiële crises, terwijl ons reptielenbrein ons zegt dat elk risico op zich een bedreiging is voor onze overlevingskans. Als journalist weet je dat zo’n headline de aandacht trekt. Elke dag dat ik wakker word en op mijn mobiele telefoon kijk, denk ik daarom dat de wereld in stukken uiteen valt.”

Ik keek recent naar oude nieuwsbeelden van de eerste Earth Day in 1970 in de VS, waarbij anchorman Walter Cronkite ook toen al zei: it’s do or die. Demonstranten gingen destijds in grafkisten liggen, als symbool voor de dood. Het ging toen om de vrees voor vervuiling, niet om klimaatverandering. Ik vind het onthullend om te zien dat toen dezelfde existentiële angst naar boven kwam als nu met de klimaatverandering.

“Dat is interessant. Als je teruggaat in de archieven en oude krantenkoppen leest, zie je dat gezegd werd dat we nog twintig jaar te leven hadden als we onze koers niet zouden wijzigen. Dat hebben we tal van keren gehoord. We zouden inmiddels al meerdere keren dood moeten zijn. Toch zijn we hier, met een grotere en beter doorvoede wereldbevolking dan ooit. Los van de pandemie, is de levensverwachting hoger en de kindersterfte lager dan ooit. Kennelijk is er iets goed gegaan. We hébben ook veel van de problemen opgelost waarover op de eerste Earth Day gesproken werd. Maar we hebben dat niet gedaan door de industriële samenleving te ontmantelen, zoals ikzelf ook eerst dacht dat we dat moesten doen. We hebben het wel gedaan door technologische innovatie, door filters en door het katalytisch reinigen van uitlaatgassen.”

Eén van de redenen dat we angstig worden, is dat de toekomst radicaal open is. Hoe kunnen we een gezonde relatie met de toekomst opbouwen?

“Dat is een paradox, want het beste waarop we kunnen hopen is een onvoorspelbare toekomst vol verrassingen. Dat maakt mij ook tot een optimist. Meer mensen dan ooit krijgen meer opleiding dan ooit, en zijn verbonden met de rest van de wereld zodat ze kennis kunnen accumuleren. Dus we zullen verrast worden door waar de volgende oplossingen vandaan komen.

Het onvoorspelbare lijkt angstaanjagend en vreemd, omdat de mens zich in miljoenen jaren heeft ontwikkeld en het onvoorspelbare juist iets was wat ons kon doden

johan norberg

Het probleem is dat we er niet toe uitgerust zijn om het onvoorspelbare te voorspellen. Het onvoorspelbare lijkt angstaanjagend en vreemd, omdat de mens zich in miljoenen jaren heeft ontwikkeld en het onvoorspelbare juist iets was wat ons kon doden. Schrijver Virginia Postrel heeft beschreven dat er vaak twee politieke houdingen lijken te zijn: conservatief of progressief. Wat ik van haar begrijp is dat die twee niet echt aan elkaar tegengesteld zijn. Beide partijen denken dat ze één waarachtig idee hebben over hoe problemen moeten worden opgelost. Ze vinden die oplossing alleen op verschillende plekken: in het verleden of in de toekomst. Óf we moeten behouden wat we nu hebben, óf er is één punt waar we naar op weg moeten. Op een bepaalde manier zijn ze elkaars spiegelbeelden.

Terwijl wat echt vooruitgang schept een onvoorspelbare toekomst is: vol innovaties en vreemde experimenten, gedaan door excentrieke figuren die sociale, technologische, wetenschappelijke en economische proeven mogen doen, waarvan we nu denken dat ze stom en onmogelijk zijn.”

Dus je bent allesbehalve fatalistisch, zoals mensen in de premoderne samenleving wel nog waren. Het geloof in de vooruitgang is ontstaan met de wetenschappelijke revolutie en was vooral sterk vanaf de negentiende eeuw. Daar geloof jij ook in: dat we kunnen werken aan de toekomst?

“Absoluut. Die overtuiging krijg ik alleen al door alle dingen die we vandaag de dag gebruiken: deze computer, de Skype-technologie, de vaccinaties natuurlijk, maar ook triviale voorwerpen als de paraplu en de fiets. Ze werden allemaal als compleet onvoorspelbaar gezien.  Denk ook aan de mRNA-vaccins, waarover we nu klagen dat we ze niet onmiddellijk in onze arm kunnen krijgen. Een jaar geleden nog werd door experts gezegd dat ze onmogelijk zouden kunnen werken. Dat zullen we nog zien met allerlei technieken, van nieuwe materialen, groene brandstoffen tot het uit de atmosfeer halen van CO2.”

Dat is een element dat ik bijzonder interessant vond in het boek Het Klimaatcasino van de Nobelprijswinnende klimaateconoom William Nordhaus. De risico’s van de klimaatverandering neemt hij bijzonder serieus, maar tegelijkertijd benadrukt hij de onzekerheden. Eén belangrijke onzekerheid is dat we ons niet kunnen voorstellen hoe de wereld er over honderd jaar uit zal zien, terwijl vooral dan de gevolgen zich zullen manifesteren.

“Dat vind ik een ongelooflijk belangrijk punt, maar het is moeilijk om dat tussen onze oren te krijgen. We worden al snel verleid elke potentiële crisis te extrapoleren naar honderd jaar later om ons voor te stellen hoe de ramp er dan zal uitzien. Maar we denken er niet over na wat we in die honderd jaar tijd bereikt zullen hebben: de samenleving die we dan hebben opgebouwd, de kennis waar we toegang toe hebben, de technologie waarover we beschikken.

Als we er niet in slagen om in openheid ideeën uit te wisselen, zal er van weinig vooruitgang sprake zijn

johan norberg

Stel je voor dat de huidige pandemie honderd jaar geleden had toegeslagen: we hadden de vaccins die we nu hebben niet kunnen maken, tot aan de jaren 1950 beschikten we nog niet over beademingsmachines. Een hogere waterspiegel over honderd jaar klinkt in de oren van Nederlanders nu natuurolijk als een probleem. Maar waar zal je over honderd jaar toe in staat zijn? Nederlanders hebben hun land vijfhonderd jaar geleden in feite op het water gebouwd, met de techniek van toen. Over wat voor techniek beschik je als je vooruitgang blijft maken? Misschien is het over honderd jaar wel goedkoop om koolstofdioxide uit de atmosfeer te zuigen, om op die manier de fouten te herstellen die we hebben gemaakt.”

Denk je werkelijk dat dat een bruikbare techiek zal worden?

“We hebben al bomen. De enige vraag is hoe we dat op industriële schaal kunnen doen. Daar worden al veel experimenten mee gedaan. Slimmere mensen dan ik, ingenieurs, zeggen: ja, we kunnen dat. Tot nu toe kost dat veel geld, maar dertig jaar geleden kostte een mobiele telefoon ook veel geld.”

Eén van de dingen waarover ik mij verbaas, ook al vinden we het inmiddels vanzelfsprekend, is de politieke polarisatie. Naar grote maatschappelijke problemen, zoals klimaatverandering, kun je vanuit allerlei perspectieven kijken. Waarom is het zo moeilijk om naar elkaar te luisteren en ons voordeel te doen met elkaars kennis? We weten toch dat de waarheid altijd in het midden ligt? Bovendien weten we dat iedereen ten diepste hetzelfde wil; werken aan de toekomst en aan een goed leven voor onze kinderen.

“Op een bepaalde manier is dat één van de belangrijkste vraagstukken. Als we er niet in slagen om in openheid ideeën uit te wisselen, zal er van weinig vooruitgang sprake zijn. Maar ik voeg graag toe dat we wellicht minder gepolariseerd zijn dan we denken. De open houding die jij beschrijft is de houding die ik overal tegenkom als ik met mensen praat: met familieleden, met vrienden, met vreemden tijdens etentjes, op het werk of in cafés. Alleen op Twitter en in politieke debatten schilderen we elkaar af als de baarlijke duivel. We moeten leren dat dat niet het echte leven is.”

Het klopt natuurlijk dat de media, en vooral politiek journalisten, de neiging hebben vooral aandacht te besteden aan ‘conflict’. Want dat trekt de aandacht van kijkers en lezers. Toch ben ik teleurgesteld dat zelfs ogenschijnlijk goedbedoelende politici, die bijvoorbeeld de klimaatverandering zien als een grote bedreiging, van zo’n probleem een simpel verhaal maken. Elke kritiek daarop van een populistische politicus wordt opzij geschoven, terwijl die politicus wel degelijk een goed punt kan hebben.

“Ik ben het met je eens, en ik ben ook teleurgesteld. We weten dat de politiek zo werkt, toch stelt dat teleur omdat het ons schaadt. Elke keer als een ‘slechterik’ iets zegt dat toevallig een goed punt is, bewegen anderen zich daar onmiddellijk van weg omdat ze niet met hem geassocieerd willen worden. We hebben allemaal onze confirmation bias, wat betekent dat we vooral aandacht besteden aan wat onze ideeën bevestigt.

Elk idee kan veranderen in iets wat de open geest en open samenleving ondermijnt

johan norberg

Daar is één fantastische oplossing voor: luisteren naar iemand die er andere ideeën op na houdt. Want diegene besteedt aandacht aan feiten en argumenten die ik onbewust probeer te vermijden. Zo kom je tot een meer volkomen begrip van de wereld. Een goede manier om te verbeteren wat ik denk en schrijf, is het lezen van het werk van mijn tegenstanders. Want zelfs al ben ik het niet eens met hun eindconclusie, toch zie ik bij hen veel informatie en data waarvan ik gebruik kan maken.”

In jouw boek valt het op dat juist het christendom vaak een obstakel tot vooruitgang is geweest. Wat in het christendom is daar de oorzaak van?

“Het probleem is niet het christendom, alhoewel onze vooruitgang wel geraakt is door de monopolisering door het christendom van de Westerse ideeën na de val van het West-Romeinse Rijk. Het gaat erom dat een denkwijze verandert in een orthodoxie en daardoor de intellectuele vooruitgang ruïneert. Ik kan ook op andere dingen wijzen.

Ik ben een aristoteliaan, in de zin dat ik denk dat Aristoteles waarschijnlijk de grootste filosoof allertijden was, met zijn wetten van de logica, studie van de natuur en een deel van zijn moraalfilosofie. Maar toen zijn ideeën tot een orthodoxie verwerden, wat gebeurde in de Westerse beschaving in de zestiende eeuw en de islamitische beschaving in de negende eeuw, werden zijn ideeën afschuwelijk. Wat gebeurde, was precies wat er in de politiek gebeurt: mensen hebben een vastgeroeste conclusie en hebben niet meer de interesse in het heen en weer gaan van ideeën. Elk idee kan dus veranderen in iets wat de open geest en open samenleving ondermijnt.”

Historicus Johan Norberg (46 jaar) is verbonden aan twee denktanks: het Cato Institute in Washington D.C. in de VS en het European Centre for International Political Economy in Brussel in België. Zijn boeken worden veel vertaald. In het Nederlands zijn dat: Leve De Globalisering (2002), Vooruitgang (2016) en nu Open, Hoe een open wereld ons verder brengt (en waarom we dat soms vergeten). Zijn nieuwste boek verschijnt bij Nieuw Amsterdam.

Norberg is onder meer bekroond met de Julian Simon Memorial Award, vernoemd naar een voorloper van hem: de Amerikaanse hoogleraar Julian Simon, die vanaf de jaren zestig eveneens doemdenkers bestreed.