Wie over de Karelsbrug loopt en de Moldau-rivier oversteekt, komt terecht in het oude hart van Praag, de hoofdstad van Tsjechië. Aan het eind van de eeuwenoude brug, die aan weerszijden is bezet door heiligenbeelden, staat de katholieke Sint Salvatorkerk. Dit is het religieuze thuis van Tomáš Halík, de Tsjechische theoloog en publicist.

In de Sint Salvatorkerk is hij de hoofdpriester van een academische parochie, verbonden aan de Karelsuniversiteit, waar hij ook hoogleraar Sociologie is.

Het is ruim veertig jaar geleden dat Tomáš Halík, 21 jaar oud toen, in de winterkou ook over de Karelsburg liep, met in zijn handen het dodenmasker van zijn leeftijdsgenoot Jan Palach. Een aantal dagen eerder had Palach zichzelf in brand gestoken, op het vlakbij gelegen Wenceslasplein. Uit protest tegen het toenmalige communistische regime.

In het geheim geloven - Tomáš Halík

Halík beschrijft dit sleutelmoment in zijn autobiografie, die nu in het Nederlands is verschenen: In het geheim geloven. Hierin is te lezen over zijn tijd als priester in de ondergrondse kerk ten tijde van het communisme. Maar ook over zijn bevoorrechte jeugd als enig kind van niet-religieuze ouders en over zijn vriendschap met Václav Havel, de eerste vrij gekozen Tsjechoslowaakse president na de Val van de Muur.

U schrijft in uw boek dat uw voornaam Tomáš een bijzondere weerklank had bij mensen toen u nog heel klein was. Waarom was dat?

“Dat was omdat het de naam was van de eerste Tsjechoslowaakse president, Tomáš Masaryk. Hij was de stichter van de republiek én het symbool van de democratie. Dat gold vooral in de periode direct na de communistische coup, in februari 1948, een paar maanden voordat ik geboren werd. Veel kinderen werden in die tijd Tomas genoemd, als een protest tegen het communistische regime. Tegelijk was Masaryk niet alleen politicus, maar ook filosoof. In het Tsjechisch bewustzijn is hij het archetype geworden van de staatsman die ook een intellectuele en morele autoriteit is, en niet alleen een manager van de macht. Toen Václav Havel werd gekozen, continueerde die dat archetype.

Dus mijn naam gold als een teken dat mijn familie niet communistisch was, en dat wij geloofden in het ideaal van democratie en menselijkheid. Mijn voornaam is voor mij nu ook verbonden met Thomas van Aquino, met de apostel Tomas; de patroonheilige van de twijfelaars, en met Thomas Becket – Tomassen die voor mij betekenisvol zijn. Maar inderdaad, Masaryk heeft mij geïnspireerd om Sociologie te studeren, want hij was ook een socioloog. In wezen zit ik aan de Karelsuniversiteit nu op de leerstoel die hij lang geleden had.”

De psychologie van geloven

U schrijft met veel liefde over uw vader, die niet religieus was maar desondanks een grote invloed had op uw religieuze leven. Kunt u dat laatste uitleggen?

“Onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog, toen in 1918 de Tsjechoslowaakse Republiek geboren werd, was er de beweging Los-von-Wien-Los-von-Rom: ‘nee’ tegen Wenen, ‘nee’ tegen Rome. In die tijd verlieten ongeveer twee miljoen Tsjechen de katholieke kerk, uit protest tegen de band van de kerk met de Habsburgse monarchie. Mijn opvoeding kwam voort uit het wereldbeeld van de intelligentsia van die eerste republiek: geloof in vooruitgang, in de wetenschap, in humanistische idealen, in democratie, enzovoorts.

Mijn bekering voltrok zich in meerdere stappen. In het begin had ik een esthetische sympathie voor het gotische en voor de spirituele muziek van de kerk, en een intellectuele sympathie voor sommige christelijke filosofen en katholieke romanschrijvers

Tomáš Halík

Het christendom was voor mijn ouders onderdeel van onze culturele identiteit, maar zij zagen de Bijbel zoals de Griekse mythen. Ik had praktisch geen ervaring met de levende kerk, aangezien de kerk bij ons zwaar onderdrukt werd, vergeleken met andere communistische landen. Ons land was historisch gezien al relatief seculier, dus ik denk dat de Stalinisten daarom Tsjechoslowakije hebben gebruikt om te experimenteren met de totale atheïsering van een land.

Mijn bekering voltrok zich in meerdere stappen. In het begin had ik een esthetische sympathie voor het gotische en voor de spirituele muziek van de kerk, en een intellectuele sympathie voor sommige christelijke filosofen en katholieke romanschrijvers. Ook had ik een politieke sympathie voor de kerk, omdat ze verboden werd door de communisten. Mijn liefde voor de kerk was dus ietwat platonisch. Maar toen ontmoette ik een paar interessante mensen, zoals pater Jiří Reinsberg, over wie ik in mijn boek schrijf. Zij vormden voor mij de gezichten van de kerk, en werden voor mij een brug naar de echte kerk van de jaren zestig.”

Maar uw vader was religieus gezien niet geïnteresseerd. Tóch plantte hij iets in u.

“Voor zijn sterven heb ik hem een brief geschreven, tijdens mijn militaire dienst. Ik schreef hem: “Ik ben u iets verplicht, want het concept ‘vader’, dat in het christendom van zo’n groot belang is, is voor mij gevuld met de ervaring die ik met u heb gehad. U was een goede vader.” Het woord ‘vader’ is voor mij dus verbonden met ‘bescherming’ en met ‘liefde’. Dat is een groot verschil met de situatie in het heden: ik heb meer dan tweeduizend jonge mensen begeleid naar hun doop en hen ook gedoopt. Veel van die jonge mensen hadden slechte ervaringen met hun eigen vaders, of waren opgegroeid in incomplete gezinnen. Dus toen ik met hen sprak over ‘God de Vader’ betekende dat voor hen iets anders dan voor mij. Misschien zit daarin een reden voor het hedendaagse atheïsme. Er zijn een paar psychologische en psychoanalytische boeken verschenen over belangrijke atheïsten, en veel van hen hadden problemen met hun eigen vaders. Dus het concept van ‘God’ is soms onbewust verbonden met persoonlijke ervaringen.”

Tomáš Halík
Tomáš Halík onderwijst studenten© Vít Luštinec

Als voorbeeld van zo’n boek houdt Halík Faith of the Fatherless. Psychology of Atheism omhoog, geschreven door de Amerikaanse psycholoog Paul Vitz.

U bent zelf ook opgeleid tot psychotherapeut.

“Dat is een grote hulp voor mij in mijn pastorale werk, vooral als biechtvader. In onze parochie hebben we elke donderdagavond een paar uur de ruimte voor niet alleen het biechten, maar ook voor spirituele begeleiding. Ik heb nu een aantal lekenmannen en -vrouwen, die zowel theologisch als psychotherapeutisch onderlegd zijn, en mij helpen om jonge mensen en spirituele zoekers te begeleiden. Sommige van die zoekers hebben moeite met de kerk of in hun leven, en zoeken daarin begeleiding.

Ik denk dat de begeleiding van zoekende mensen een belangrijke service wordt van de kerk van de toekomst. Want het aantal mensen dat zich volledig met de kerk identificeert neemt af, evenals het aantal echte atheïsten. Maar er zijn zoveel mensen daar tussenin: apatheïsten, agnostici, spirituele zoekers. Dat is een continent dat we moeten binnengaan, niet alleen om die mensen te bekeren, maar om ze in dialoog en met respect te begeleiden. Zodat we ze iets van de schat van het christendom kunnen aanbieden, maar ook zodat we van ze leren. Want zoekende mensen hebben een grote openheid. Wij zouden zelf ook zoekers moeten zijn, en niet alleen de bezitters van de algehele waarheid.

Het aantal mensen dat zich volledig met de kerk identificeert neemt af, evenals het aantal echte atheïsten. Maar er zijn zoveel mensen daar tussenin: apatheïsten, agnostici, spirituele zoekers. Dat is een continent dat we moeten binnengaan, niet alleen om die mensen te bekeren, maar om ze in dialoog en met respect te begeleiden

Tomáš Halík

Omdat ik denk dat het begeleiden van zoekende mensen een belangrijke taak is voor de kerk van de toekomst, werk ik intensief samen met mensen uit het zogenaamde categoriaal pastoraat: kapelanen in ziekenhuizen, kapelanen in gevangenissen, kapelanen aan universiteiten en kapelanen in het leger. Want zij zijn er voor iedereen, niet alleen voor de gelovigen. Zij zijn de avant-garde van de kerk van de toekomst.”

Zelfmoordenaar of martelaar

De passage in uw boek over de Praagse Lente van 1968, als er een milder communistisch regime aan de macht komt, raakte mij. Want u beleeft tijdens een studentenuitwisseling in Wales de tijd van uw leven, terwijl uw studiegenoot Jan Palach zichzelf in brand steekt. Wat voor betekenis heeft u zijn dood kunnen geven?

“Dat was één van de meest vormende momenten van mijn leven. Tijdens de Praagse Lente hadden we zowat de eerste mogelijkheid om naar het Westen te kunnen reizen. Ik kreeg de kans om naar Groot-Brittannië te gaan. Maar daarna vond de bezetting plaats (als reactie op de Praagse Lente werd Tsjechoslowakije door Sovjettroepen bezet, JT). Ik besloot aan het eind van 1968 terug te keren. Toen was er nog steeds de mogelijkheid om weer naar het buitenland te gaan. Dus de cafés in Praag zaten vol met studenten die erover discussieerden of ze in het land zouden blijven of uit het land weg zouden gaan.

In die periode vond de opoffering van Jan Palach plaats. Ik organiseerde een requiem voor hem in een kerk in Praag, en ik droeg zijn dodenmasker van de faculteit naar de kerk en weer terug. Dus ’s nachts liep ik over de Karelsbrug, met het dodenmasker tegen mijn hart gedrukt. Dat was een ontroerend en belangwekkend moment voor mij, want ik voerde een soort innerlijke dialoog met Jan Palach. Hij had een brief achtergelaten, waarin stond: ‘Ik ben toorts nummer 1. Er zullen andere komen als de situatie niet verbetert.’

Zijn zelfopoffering was niet alleen een protest tegen de bezetting, maar ook tegen een begin van collaboratie. Want een halfjaar na het begin van de bezetting begonnen mensen compromissen te sluiten. Daarmee begon het tijdperk van de zogenaamde ‘normalisering’, en dat vernietigde het karakter van onze samenleving. Jan Palach wilde mensen wakker schudden tot protest en tot non-conformisme. En ik dacht: ja, dit is de uitdaging voor ieder van ons, in elk geval voor de mensen die zijn opoffering zagen als iets van betekenis.

Omdat ik een groot deel van mijn leven onder atheïsten heb doorgebracht, en onder een atheïstisch regime, heb ik gekozen voor de dialoog met het atheïsme

Tomáš Halík

Veel van mijn katholieke vrienden waren tegen zijn opoffering, en vonden het zelfmoord. Maar ik antwoordde met een citaat van G.K. Chesterton: ‘Zelfmoord is ‘nee’ zeggen tegen het leven, martelaarschap is ‘ja’ zeggen tegen het leven.’ Jan Palach was voor mij meer een martelaar dan zelfmoordenaar. En ik zocht mijn persoonlijke antwoord op zijn uitdaging.

Zelf vond ik zelfverbranding geen oplossing, maar ik kon niet doorleven alsof er niks was gebeurd. Ik vond dat ook ik mijn leven aan iets van belang moest geven, en ik denk dat dat de eerste stap was richting mijn beslissing om in het geheim priester te worden in de ondergrondse kerk, en dissident te worden. En in tijden dat ik ondervraagd werd door de politie, herinnerde ik me altijd Jan Palach. Alsof hij achter mij stond. Ik kon niet collaboreren. Ik kon geen compromis sluiten. Daar was ik toe verplicht.”

Infantiele religie

Uit uw boek blijkt dat de filosoof Nietzsche, en vooral zijn boek Also sprach Zarathustra, een groot deel van uw leven een inspiratiebron is gebleven. Hoe zit dat?

“Omdat ik een groot deel van mijn leven onder atheïsten heb doorgebracht, en onder een atheïstisch regime, heb ik gekozen voor de dialoog met het atheïsme. Daarom heb ik de atheïstische critici van religie bestudeerd. Dat heb ik nooit gedaan als een apologeet die vooral wilde zeggen: ze hebben ongelijk. Ik wilde juist iets belangrijks in hun kritieken zoeken. Daartoe was ik geïnspireerd door Chesterton, die zei: “Alle ketterijen zijn waarheden die gek zijn geworden.” Want in elke ketterij zit een deel van de waarheid. Daarom moeten we altijd dat deel ontdekken dat voor ons van belang is. Volgens mij zitten er belangrijke elementen in de religiekritieken van Sigmund Freud, zelfs van Karl Marx, en vooral in die van Friedrich Nietzsche. Ik denk dat zij ancilla theologiae kunnen zijn: helpers van de theologie en het geloof. Zij kunnen ons helpen de pathologische vormen van religie te vernietigen of te ontstijgen. Dan denk ik bijvoorbeeld aan het beeld van God als een morele politieman, of aan het beeld van God als een God van wraak. Wat mensen als Freud en Nietzsche bekritiseren is vaak die infantiele vorm van religie, dat wat afgoderij is. We moeten die afgoderij ontstijgen en God ontdekken als een mysterie.

Tomáš Halík
Tomáš Halík© Wikimedia CC

Ik denk dat er altijd de verleiding is dat we te gefixeerd raken op ons eigen concept van God, op onze eigen ideeën, waardoor we het geloof doen veranderen in een ideologie, en zelfs in afgoderij. Van tijd tot tijd is het belangrijk die beelden te vernietigen, omdat God áchter al die beelden zit. De religieuze taal is een taal van symbolen en metaforen, en we bevinden ons altijd in de verleiding om die symbolen als laatste waarheden te zien. Maar dat zijn ze niet. Die beelden zijn alleen maar de vinger die naar de maan wijst, niet de maan zelf. Ik denk dat geloof de moed is om de wolk van het mysterie binnen te treden en met het mysterie te leren leven. Natuurlijk vraagt dat veel van ons. Dichtbij God zijn is als dichtbij vuur zijn, lezen we in de Bijbel. Daarom hebben we die metaforen en beelden nodig. Als we ons maar bewust blijven dat het slechts concepten zijn.

Ik houd van dat idee van Meister Eckhart dat God ‘niets’ is. Dat betekent dat God niet ‘iets’ is. God is niet een ding onder de dingen. Volgens Eckhart moeten we vrij worden van die fixatie op ‘iets’. We hebben altijd de neiging iets te zijn: ik ben rijk, ik ben belangrijk, ik ben machtig. Maar we moeten ons realiseren dat we naakt zijn, en als we naakt zijn kunnen we God ontmoeten als de naakte met de naakten. Aan het einde van mijn boek schrijf ik: soms zijn we bang dat we met onze dood het ‘niets’ binnengaan. Maar misschien is dat ‘niets’ gewoon een andere naam voor God. Dat is typisch voor zowel het christelijke als het boeddhistische mysticisme: de paradox dat ‘niets’ en ‘volheid’ hetzelfde zijn.”

De kerk van de toekomst

Tot slot vertelt Tomáš Halík over een boek waar hij de laatste hand aan legt. Het gaat over de toekomst van de kerk. De kerken die nu leeg staan vanwege de coronapandemie zijn, volgens de Tsjech, een waarschuwingsteken.

“Volgens mij moet het christendom een radicale hervorming ondergaan, en paus Franciscus is een teken van hoop. Die hervorming moet niet gaan om een ‘modernisering’ van de christelijke doctrine of van de kerkstructuren, maar er moet een nieuwe taal komen voor de theologie en de prediking, evenals een spirituele verdieping. In ons land, en in Nederland ook, is het netwerk van parochies in crisis.

Als de kerk niet door een diepe hervorming heen gaat, zullen de kerken binnen één generatie gesloten zijn. De hervorming die ik voor me zie, zou levende centra van meditatie en overdenking moeten creëren

Tomáš Halík

Als de kerk niet door een diepe hervorming heen gaat, zullen de kerken binnen één generatie gesloten zijn. De hervorming die ik voor me zie, zou levende centra van meditatie en overdenking moeten creëren. Net zoals de Middeleeuwse universiteiten, die geen fabrieken van diplomaten waren, maar gemeenschappen waarin mensen de waarheid zochten door middel van discussie en debat. Dat soort nieuwe centra, waarin samen gebeden en geleefd wordt, is het begin van de hervorming.

Het is mogelijk om een andere versie van het christendom te laten zien. Die moet intellectueel zijn: een plek om te reflecteren op religie, een nieuwe taal te zoeken en te communiceren met de hedendaagse cultuur. Die moet ook een plek zijn voor meditatie en contemplatie. Ten derde moet de kerk actief zijn in de samenleving, door het steunen van de ecologie, van de minderheden en de gemarginaliseerden, zoals de armen en vervolgden.”

Dat vind ik intrigerend: u wilt nooit bang zijn. Niet bang voor non-conformisme tijdens het communisme, niet bang voor atheïsme, en niet bang voor de lege kerken. In uw ogen zijn dat allemaal kansen om weer zuiver te worden en nieuwe deuren te openen.

“Zeker. Die zin: ‘wees niet bang’ wordt vaak gebruikt in de Bijbel. En ik denk dat dat een boodschap is voor onze tijd.”

In het geheim geloven. Tomáš Halík. Vertaler: Kees de Wildt. Uitgeverij KokBoekencentrum. 29,99 euro. Meer informatie over het werk en leven van Tomáš Halík is te vinden op zijn website.