Ooit werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken. Alles begon immers bij dat ene: die Ene God, die ene mens, die ene oerknal. Die ene singulariteit, waarin alles was, en niets buiten was. Maar als alles ooit één was, moest er ook een verklaring komen waarom dat niet langer het geval was. En waarom dan niet, zoals vertellers in de oudheid graag deden, de hoogmoed van de mensheid de schuld geven? De mensheid wilde een toren tot in de hemel. Maar God, niet minder hoogmoedig dan de wezens die hij naar zijn evenbeeld geschapen had, zat helemaal niet te wachten op concurrentie. Hij strooide spraakverwarring en verspreidde de mensheid over de aarde.

De mensen knikten, zoals mensen dat doen, op zondag braaf ja en amen voor het aangezicht van de Heer, en op maandag begonnen ze met de ontwikkeling van talloze nieuwe torens van Babel: boekdrukkunst, auto’s, vliegtuigen, computers. God had er zijn handen vol aan om verwarring te blijven zaaien. Tot de mensheid op een dag slaagde in haar plan. Ze bouwde een netwerk van denkende machines, een brein groter dan dat van de mensen. Groter zelfs dan dat van God.

Een nieuw nulpunt

Het woord singulariteit heeft twee bekende betekenissen. De eerste wordt meestal de natuurkundige singulariteit genoemd: het punt voorafgaand aan de oerknal: een minuscuul puntje waarin alle materie die later het universum zou vormen samengepakt zat. Er was niets buiten dat minuscule puntje, geen natuurwetten, ruimte of tijd; al die dingen ontstonden pas bij de oerknal. Gods geest zweefde over de wateren.

De tweede is de technologische singulariteit: het punt waarop de mens, en daarmee uiteindelijk de natuur, zichzelf overstijgt, iets creëert dat groter is dan hijzelf. Een nieuw nulpunt. Of zoals anderen misschien zouden zeggen: het einde der tijden.

Mythe en wetenschap liggen vaak dicht bij elkaar wanneer het over het begin en einde van het universum gaat.

Intelligente machines

Het gebruik van singulariteit in de laatste zin is afkomstig van de wiskundige Vernor Vinge. Zijn essay uit 1993 (getiteld Singularity) begint met de beroemde zin: Binnen dertig jaar zullen we de technologische middelen hebben om bovenmenselijke intelligentie te creëren. Vlak daarna zal het tijdperk van de mens ten einde komen.

Als de mens almaar vooruitgang blijft boeken, dan moet hij op een gegeven moment toch in staat zijn iets te maken dat zichzelf overstijgt?

jeroen fierens

Vinge ziet de singulariteit als het moment waarop de mens een machine heeft ontwikkeld die intelligenter is dan hijzelf. Die machine zou vervolgens nóg weer intelligentere machines kunnen maken, waardoor de technologische vooruitgang in een exponentiële stroomversnelling terechtkomt. De intelligentie en mogelijkheden van die machines zullen in een flits vormen aannemen die ons voorstellingsvermogen volledig te boven gaan. In zijn essay schrijft hij: “Ik denk dat het terecht is om dit moment een singulariteit te noemen; het is een punt waarop onze oude modellen verworpen dienen te worden en een nieuwe realiteit heerst.”

We hebben nog een jaar of twee om te zien of Vinge gelijk krijgt, maar zoals met iedere eindtijdprofeet uit de geschiedenis van de mensheid, zal het vast zo’n vaart niet lopen. De gedachte achter zijn theorie is echter interessant om over door te denken: als de mens almaar vooruitgang blijft boeken, dan moet hij op een gegeven moment toch in staat zijn iets te maken dat zichzelf overstijgt?

Exponentiële ontwikkeling

De Amerikaanse uitvinder Raymond Kurzweil werkte dit idee verder uit. Kurzweil bouwde de Wet van Moore, die grofweg stelt dat de rekenkracht van computers door de technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt, uit tot zijn eigen veelomvattendere Law of Accelerating Returns. Daarin stelt hij dat dit patroon van exponentiële ontwikkeling feitelijk al begint bij het eerste leven op aarde.

Het leven deed er honderden miljoenen jaren over om DNA te ontwikkelen. Maar toen dat eenmaal gebeurd was, konden de volgende stappen in de evolutie een stuk sneller gezet worden: tijdens de Cambrische explosie ontstond in zo’n vijftig miljoen jaar tijd de blauwdruk van vrijwel al het dierenleven dat we vandaag kennen. En toen die ‘technieken’ eenmaal volwassen waren geworden, kon het leven zich richten op andere dingen, zoals de verdere ontwikkeling van hersenen. Iedere stap maakt de volgende niet alleen mogelijk, maar ook sneller en makkelijker. De homo sapiens had op deze manier maar een paar honderdduizend jaar nodig om te ontstaan. En wij maakten vervolgens in een nog veel kortere periode de volgende stap mogelijk: technologie.

Allesomvattende intelligentie

In dit exponentiële kader geplaatst, is het idee van de singulariteit ineens veel minder moeilijk voor te stellen. Net als de barrières die overwonnen moesten worden om op het huidige punt in onze ontwikkeling te komen, zal het leven telkens nieuwe barrières tegenkomen en deze steeds sneller overwinnen. De biologische beperkingen van de mens zullen volgens Kurzweil de eerstvolgende zijn om te sneuvelen. Op basis van de huidige ontwikkelingen in hersen- en computeronderzoek, schat hij in dat we rond 2027 het menselijk brein na kunnen maken met een computer. Daarna zal het in toenemende mate mogelijk worden menselijke intelligentie met kunstmatige te vermengen. Intussen zal het domein van deze intelligentie exponentieel blijven uitdijen, zowel richting de kleinste deeltjes van ons bestaan, de snaren en quarks, als richting de ‘grenzen’ van het universum.

Informatie zal zich steeds minder op traditionele chips in computers bevinden en steeds meer vermengen met andere materie

JEROEN FIERENS

Kurzweil stelt zich de singulariteit weliswaar geleidelijker voor dan Vinge — er is geen ‘flits’ — maar toch verwacht hij dat de superintelligentie die ontstaat in een paar eeuwen het volledige universum zal kunnen omvatten. Een belangrijke barrière daarin is volgens hem vooralsnog dat informatie niet sneller kan reizen dan het licht. Gezien de niet geringe omvang van het universum vormt dat nog wel een probleem voor de kolonisatiedrang van de ambitieuze superintelligentie. Kurzweil sluit echter niet uit dat ook die barrière overwonnen zal kunnen worden, bijvoorbeeld via afsnijroutes als wormgaten. Zoiets zal, als het al mogelijk is, onvoorstelbaar complex zijn. Maar, benadrukt Kurzweil, we hebben hier ook wel te maken met een onvoorstelbare intelligentie.

Informatiehonger

Het concept van zo’n superintelligentie die het hele universum koloniseert is nogal abstract. Zelfs de verder weinig terughoudende Kurzweil geeft toe dat het lastig is te voorspellen hoe dit er in de praktijk uit zal zien. De Europese kolonisatiedrang van de vijftiende eeuw kunnen we begrijpen: Er waren schatten om te verwerven, mensen om te onderwerpen; macht, rijkdom, faam. Maar wat valt er te koloniseren aan quarks en snaren, aan een universum dat behalve eindeloze leegten vooral dode stukken steen en gasbollen bevat?

Een superintelligentie voedt zich vooral met informatie en zal zijn vermogens voor het opslaan en verwerken daarvan steeds verder willen uitbreiden. Deze ontwikkeling zien we nu al in onze onstopbare drang het menselijk brein te begrijpen, controleren en na te maken, in ontwikkelingen in quantum computing en nanotechnologie. Informatie zal zich steeds minder op traditionele chips in computers bevinden en steeds meer vermengen met andere materie. We hebben het nu over het namaken van het menselijk brein, maar wat als technologie rechtstreeks gebruik zou kunnen maken van de capaciteit van ons brein? Bestaan er na de singulariteit nog wel individuele mensen, zij het in geoptimaliseerde vorm? Of is de mensheid straks een component in een soort supercomputer die onze breinen en biologische vermogens goed kan gebruiken voor zijn ongeremde ambitie het universum te omvatten?

Science fiction

Als dit allemaal wel heel erg als science fiction begint te klinken, is dat niet vreemd. Vinge was behalve wiskundige ook schrijver van science fiction en werkte het idee van singulariteit niet alleen uit in theoretische essays, maar ook in diverse verhalen. Na zijn eerste essay nam het concept een enorme vlucht in de science fiction-wereld. Een bekend voorbeeld is de film The Matrix, waarin de samenwerking tussen mens en machine is geëscaleerd en de machines de mens nog uitsluitend gebruiken als biologische energiebron. Een minder bekende maar minstens zo spannende voorstelling van de singulariteit is te vinden in de film Transcendence: de kunstmatige intelligentie is in die film vast stiekem begonnen met het vervangen van de nanodeeltjes waaruit de aarde is opgebouwd om zo een klimaatramp af te weren. Hij stelt zich een paradijselijke tuin van Eden voor: groen en vol bloeiende bloemen.

Is de mensheid straks een component in een soort supercomputer?© Itur Farrell

In beide films speelt hetzelfde thema: de mens heeft in zijn wens God te spelen zichzelf buitenspel gezet. The Matrix schotelt ons een uitgesproken duistere toekomst voor waarin mensen minder zijn dan slaven. Maar ook in de rooskleurige toekomst van Transcendence wringt het: kun je nog wel spreken van leven wanneer de kleinste bouwsteentjes van ons bestaan vervangen zijn door nanotechnologie? Wat betekent het dan nog om mens te zijn?

Het is een thema dat ons al sinds Frankenstein, of zelfs de toren van Babel, bezighoudt: wat als de mens in zijn grootheidswaanzin iets creëert dat hij niet meer in de hand heeft, zichzelf buitenspel zet? Of met de woorden van Kurzweil: “Of God bestaat? Ik zou zeggen: nog niet.”

Weinig hoop

Met name Vinge houdt een slag om de arm als het gaat over de haalbaarheid van de singulariteit. Zijn rekenmodellen zijn slechts modellen, benadrukt hij, gebaseerd op de huidige kennis van hoe het brein werkt en hoe computers werken. Maar áls de singulariteit mogelijk is, zal deze ook bereikt worden. “Zelfs als alle regeringen ter wereld zich bewust zijn van de ‘dreiging’ en er doodsbang voor zijn, zullen we onophoudelijk richting dat doel blijven werken.” De economische en militaire voordelen zijn simpelweg te groot.

En als het eenmaal zover is, is er volgens hem weinig reden tot hoop voor de mensheid. Dat een nieuwe ‘kroon op de evolutie’ mogelijk niet zoveel waarde hecht aan lagere bestaansvormen is niet moeilijk voor te stellen. De huidige houder van die titel propt lagere levensvormen graag samen in veel te kleine stallen en mest ze zo efficiënt mogelijk vet om er goedkope hotdogs van te kunnen maken. Waarom zou onze opvolger niet hetzelfde met ons doen?

Wat als de mens in zijn grootheidswaanzin iets creëert dat hij niet meer in de hand heeft, zichzelf buitenspel zet?

JEROEN FIERENS

Is er dan niets dat we kunnen doen om ‘het einde van het tijdperk van de mens’ te voorkomen? Vinge probeert in zijn essay nog een hoopvol alternatief te presenteren: Intelligence Amplification (IA) gaat over de samenwerking tussen mens en computer, waarbij beide elkaar wederzijds versterken, zonder dat dit tot een ‘overwinning’ van een van beide leidt. Gaandeweg loopt hij echter vast in zijn betoog: de egoïstische mens in een overspannen kapitalistische samenleving voorzien van superkrachten is op geen enkele manier een hoopvol beeld. Dan kun je misschien nog beter een 'naïeve' kunstmatige intelligentie hebben die niet de evolutionaire bagage bij zich draagt van miljoenen jaren overlevingsdrang.

Kroon op de evolutie

Kurzweil lijkt, hoewel even overtuigd als Vinge van de onvermijdelijkheid en mogelijk desastreuze gevolgen van deze ontwikkeling, een stuk minder negatief over de wenselijkheid ervan. In zijn teksten lijkt de singulariteit een (haast onvermijdelijke) bekroning op de evolutie. Goed, het is mogelijk dat onze opvolger de mensheid reduceert tot technologische hot dogs, maar dat is dan maar zo. Wie zijn wij als beperkte wezens om daar iets van te vinden, of te denken dat we er überhaupt iets tegen kunnen doen? Zoals het leven vele stappen heeft gezet om bij de mens uit te komen, zullen er ook vele stappen op ons volgen.

En wie weet wat er vervolgens op de singulariteit volgt. Misschien wordt de superintelligentie uiteindelijk ook weer overgenomen in een nieuwe singulariteit, enkele magnitudes groter dan we ons kunnen voorstellen. En misschien is dat alles op zijn beurt slechts een willekeurige scheet in de nog veel grotere scheme of things. We zullen het nooit weten. Intussen bouwen we onophoudelijk verder aan onze nieuwe torens van Babel.

Jeroen Fierens studeerde religiewetenschappen en humanistiek. Momenteel is hij werkzaam als programmeur en schrijver.