Jonge Theoloog des Vaderlands Tabitha van Krimpen (24) duikt in de leefwereld van jongeren. Veel jongvolwassenen bezoeken zelden of nooit een kerk. Daarom gaat Tabitha naar plekken waar haar generatiegenoten wél graag komen.

Dat het MBO en ik geen vanzelfsprekende match zijn, wordt al snel duidelijk. Op een maandagochtend stap ik vol enthousiasme op de fiets naar een MBO-school om vervolgens verlaten gebouwen aan te treffen. Het blijkt voorjaarsvakantie te zijn en dus is er geen student te bekennen. Een beetje beschaamd en met enige zelfspot keer ik weer huiswaarts: mijn voelsprieten voor het MBO zijn nog niet echt goed ontwikkeld.

Indringer

Een maand later waag ik een nieuwe poging en dit keer kom ik wel tussen de studenten van het MBO Rijnland in Leiden terecht. Lopend door het gebouw voel ik me een indringer en ik moet denken aan de Bijbelse Jozua en Kaleb die in het geheim het land Kanaän gaan verkennen. Ik loop ‘Het Restaurant’ binnen in de verwachting een soort aula en kantine aan te treffen, maar val midden in een kookles. Vervolgens wijst iemand me gelukkig vriendelijk de weg. Zo kom ik al dwalende genoeg studenten tegen die ik kan vragen naar hun studiekeuze, verwachtingen en wat ze belangrijk vinden op school.

Zo kom ik al dwalende genoeg studenten tegen die ik kan vragen naar hun studiekeuze, verwachtingen en wat ze belangrijk vinden

tabitha van krimpen

Lotte (17) en Renske (17) zitten in het eerste jaar van de opleiding Onderwijsassistent (niveau 4). Ze kennen elkaar van de middelbare school. De keuze viel op Onderwijsassistent omdat het “gewoon leuk is om met kinderen te werken.” Ze kozen voor deze school omdat die dichtbij is, niet voor de school per se. Lotte: “Door corona kon je niet op de school zelf kijken, alleen online en dat heb ik niet gedaan omdat ik er te laat voor was.” Renske: “Eigenlijk vooral omdat het dichtbij was. Anders zit je helemaal in Haarlem ofzo.”

Lokaal

Het valt me op dat Lotte en Renske, maar ook de andere studenten die ik spreek, lokaal georiënteerd zijn. Als ik vraag of ze uit de buurt komen is het antwoord: “Nee, we komen uit Katwijk en zaten in Rijnsburg op de middelbare school. Dat was 10-15 minuten fietsen en nu zijn we 40 minuten onderweg.” In mijn beleving is dat juist wel in de buurt, het is hemelsbreed nog geen tien kilometer.

Na Lotte en Renske spreek ik Sander (23) die Elektrotechniek studeert en daarvoor de bakkersopleiding heeft afgerond. Hij komt uit Den Haag, volgde de bakkersopleiding in Leiden en is daar ook Elektrotechniek gaan doen omdat hij het MBO Rijnland toch al kende. Hij zegt: “Van de vorige opleiding heb ik wel vrienden, maar die komen allemaal uit Leiden of Lisse, dat soort plekken. Bijna niemand komt uit Den Haag. Omdat je daar ook een Mondriaanschool hebt, dus iedereen die daar woont, gaat daar natuurlijk naar school.” Of de opleiding dichtbij huis is, is een belangrijke factor voor de meeste van deze studenten.

Ergensmensen en overalmensen

Zonder er een waardeoordeel aan te willen hangen, doet het me denken aan het verschil tussen ‘somewheres’ (‘ergensmensen’) en ‘anywheres’ (‘overalmensen’), wat David Goodhart de nieuwe scheidslijn door de samenleving noemt. De overalmens geeft zijn/haar eigen identiteit vorm, vaak dankzij een universitaire studie en sociale mobiliteit. Overalmensen bewegen zich makkelijk over grenzen heen en voelen zich overal thuis.

De ergensmens daarentegen is geworteld in een lokale gemeenschap en vindt veiligheid en huiselijkheid belangrijk. Identiteit is minder veranderlijk voor de ergensmens en traditionele waarden staan centraal. Gechargeerd gezegd ben ik de ‘anywhere’ die op verschillende plekken gewoond heeft, bezig is met het beklimmen van de maatschappelijke ladder en voor wie identiteit contextafhankelijk is. De studenten die ik spreek zijn meer ‘somewheres’, geworteld in de omgeving en gemeenschap waar ze opgroeiden.

Thuis wonen

Het is dan ook niet zo vreemd dat alle studenten die ik spreek nog thuis wonen. Dat komt deels doordat ze nog jong zijn, maar ook omdat ze graag thuis wonen. Kaoutar (18), ook eerstejaars onderwijsassistent, zegt: “Ik ben liever thuis met iedereen om me heen, dan dat ik een eigen huis alleen heb. Ik ben nogal een prater thuis.” Ze lacht en vervolgt: “Je komt thuis, iedereen zit daar en je kunt gewoon daarheen. Ook fijn dat het eten alvast klaar staat.”

Een andere reden om thuis te wonen is omdat het duur is om op jezelf te gaan wonen. Geld is voor hen niet bepalend om een bepaalde baan te kiezen. Renske: “Je moet je baan wel leuk vinden. Je kunt wel heel veel verdienen, maar als je je baan gewoon helemaal ruk vindt...”

Praktijk

De praktijk is voor deze jongeren erg belangrijk. Ze kiezen voor hun studie omdat het afwisselend werk is of omdat je lekker met je handen bezig kunt zijn. Als ik vraag of de studie leuk is, is het antwoord ja, omdat ze nu twee dagen stage lopen. Vooral practica op vrijdag kan op de sympathie van Sebastiaan en Rens rekenen: “Eigenlijk zitten we de hele week niks te doen en op vrijdag gaan we lassen, zagen, dingen in elkaar zetten. Dat is wel lachen.”

‘Prestatiedruk? Nee, dat hebben wij niet zo zeer’ zegt Rens© ANP Foto Hans van Rhoon

Nadat ik de studenten gesproken heb, ga ik in gesprek met Francis Helvensteyn, docent Gastheerschap en hospitality manager van LLokaal, een initiatief om de samenwerking tussen regionale bedrijven en het onderwijs te verbeteren. Francis praat snel en is duidelijk bevlogen over het onderwijs en haar vak. Ze komt zelf uit de praktijk (“Van sterrenzaak tot cafébedrijf tot catering, je kunt het zo gek niet verzinnen.”) en had nooit gedacht dat ze les zou gaan geven (“Ik was zelf een beetje een draak op school.”). Ze vertelt: “Ik had vroeger wel een voorbeeld van een docent van: kijk, dát vind ik interessant. Die doet het leuk en zo zou ik dat ook graag willen om mijn passie en mijn vak over te brengen op jongere mensen. Zo is het idee geboren.”

Ze houdt niet van zenden in de klas en wil de leerlingen aanzetten om eerst zelf en samen te denken: “Ik ben ook heel erg van: nou, hoe zou je dat dan zelf doen?” De praktijk staat bij haar centraal en de school denkt ook echt mee over welk beroep bij je zou passen en hoe je daar naartoe kunt werken.

Het belang van de praktijk komt terug in haar lessen: “In de coronatijd hebben we lesgegeven via Teams. Eigenlijk vind ik dat niks, maar ik heb het wel heel creatief gedaan. Ik ging naar de plaatselijke slijterij of wijnhandel, laptop mee, Teams aan en dan had ik ze. Want de wijnman ging dingen vertellen en dan was het interessant. En zo heb ik ook lesgegeven in een kerk. Het ging over wat moslims en christenen wel of niet eten, wat Pasen inhoudt, waar Matzes vandaan komen en dat vertelde ik vanuit de kerk. Ineens vonden ze het heel boeiend. Ik heb leerlingen van alle geuren en kleuren, zeg ik altijd maar. Soms had ik wel tien nationaliteiten in mijn klas. Ze zijn voorzichtig geïnteresseerd in elkaar. Wat is Suikerfeest? Wat is Pasen? Dat is wel heel erg leuk.”

Francis vindt het jammer dat veel studenten door corona weinig praktijkervaring op hebben kunnen doen.

tabitha van krimpen

Francis vindt het jammer dat veel studenten door corona weinig praktijkervaring op hebben kunnen doen. “Een stage of excursie, dat zijn juist de leuke dingen. Een kaasboerderij bezoeken, naar een restaurant met een moestuin. Je kunt dan wat vertellen, maar ook gelijk wat beleven en meemaken.” Door te beleven worden de studenten voorbereid op het werkveld. “Ik denk dat het heel belangrijk is dat voorinformatie goed gedeeld wordt bij het begin van de opleiding. Als kapper moet je heel lang staan, als bakker moet je elke dag om drie uur uit je bed, in de horeca moet je ook op feestdagen werken. Vind je dat wel leuk?”

Het is mooi dat er zo’n nauwe verbinding is tussen de opleiding en het werkveld. Op de universiteit vind ik de afstand tussen universiteit en werkveld best groot. Het is niet vreemd om een docent te hebben die nooit buiten de universiteit gewerkt heeft. Hoewel het juist mooi is dat op de universiteit theorie niet altijd gelijk toegepast hoeft te worden, is het wat mij betreft ook goed dat op het MBO de praktijk vanaf het begin centraal staat.

Studiekeuze

Wel moeten de studenten al op jonge leeftijd keuzes maken over in welke praktijk ze willen werken. Alle jongeren die ik spreek, wisten eigenlijk niet welke opleiding ze wilden doen. Renske: “We waren 15 jaar toen we moesten kiezen. Dat is heel vroeg om te kiezen wat je de rest van je leven wilt doen.” Zowel Sander als Kaoutar hebben allebei al een andere studie afgerond en komen er nu achter dat ze toch iets anders willen doen.

We waren 15 jaar toen we moesten kiezen. Dat is heel vroeg om te kiezen wat je de rest van je leven wilt doen

Student Renske

Ook valt het me op dat de studenten redelijk stereotype beroepen kiezen: de meiden onderwijsassistent, de jongens techniek. Hoewel er in het boekje met alle opleidingen naar diversiteit gestreefd lijkt te zijn, worden bij Orde en veiligheid, Techniek en ICT jongens afgebeeld en staan bij Zorg, Schoonheidsspecialist en Onderwijs vooral meisjes op de foto’s. Hoewel de studenten het belangrijk vinden dat de studie leuk is, blijft toch de vraag hangen hoe deze voorkeuren tot stand komen.

Prestatiedruk

“Prestatiedruk? Nee, dat hebben wij niet zo zeer”, zegt Rens. “De ochtend voor de toets komen we er meestal achter dat we een toets hebben en dan kijken we even een uurtje van tevoren.” Spontaan begint er een discussie tussen de jongens over wanneer en hoe laat de volgende toets is.

Eigenlijk heeft het wel wat verfrissends, deze studenten. In een tijd waarin het soms lijkt alsof iedereen ambitieus moet zijn, bieden deze studenten een ander perspectief. Niet iedereen hoeft gelukkig de wereld te redden. Het is het verschil tussen de ‘maximizers’ (maximalisten) en de ‘satisficers’ (tevredenstellers). Waar de ‘maximalisten’ altijd het onderste uit de kan proberen te halen, nemen de ‘tevredenstellers’ genoegen met prestaties die goed genoeg zijn. Lotte en Renske vinden het gewoon leuk om met kinderen te werken maar “Niet per se dat ik ze iets wil meegeven ofzo”, zegt Lotte.

Zou de (academische) theologie de gewone mens en zijn/haar ervaring niet veel serieuzer moeten nemen?

tabitha van krimpen

Met de gesprekken met studenten in het achterhoofd lees ik over thema’s als persoonsvorming en menswording in het onderwijs. Ik ben zelf ook voorstander van het Bildungsideaal waarbij een algemene, en brede vorming centraal staat. Dit is echter, ook historisch gezien, een elite-perspectief. Deze grote woorden en hoge idealen voelen als te ver weg en abstract. Wat kunnen deze MBO-studenten met menswording? En eerlijk gezegd geldt hetzelfde voor de theologie. Eeuwenlang is er vooral op een theoretische manier nagedacht over God en geloof door mensen die zich dat konden permitteren. Zou de (academische) theologie de gewone mens en zijn/haar ervaring niet veel serieuzer moeten nemen?

Voor Sebastiaan en Rens is burgerschap een leuk vak, want het is makkelijk omdat ze het op de middelbare school al hebben gehad. Deze studenten willen gewoon aan het werk, een vak beoefenen en de dingen niet ingewikkelder maken dan ze zijn. Spreuken 12:11 is in dit geval een goede spiegel: “Wie zijn grond bewerkt, heeft altijd genoeg te eten, wie lucht najaagt, heeft geen verstand.”

Zingeving

Toch is het praktijkgerichte ook wat het lastig maakt om in gesprek te gaan over zingeving. Als ik vraag naar betekenis, iets groters, iets waarvoor je leeft, blijft het stil. “Dat heb ik niet, eigenlijk”, zegt Renske. “Ik geloof nergens in. Ik geloof in mezelf en meer niet”, zegt Sebastiaan. Na wat doorvragen blijkt dat zingeving vooral zit in de groep, in het onderlinge contact en samen optrekken. Ook Francis benadrukt het belang van het aangaan van relaties met de leerlingen. Daarnaast is ze druk bezig met het organiseren van een benefietdiner voor Oekraïne. Studenten van verschillende opleidingen doen enthousiast mee en de gehele opbrengst gaat naar het goede doel.

Na de gesprekken met studenten en docent Francis is mijn waardering voor het MBO toegenomen. Ik zie bevlogen en enthousiaste docenten die het beste voorhebben met de studenten. De studenten zijn oprecht, hebben realiteitszin en worden opgeleid tot vakmensen. Het vaak negatieve imago van het MBO is wat mij betreft onterecht. Ook is het jammer dat het MBO, HBO en WO zulke gescheiden werelden zijn. Waarom niet veel meer verbindingen leggen tussen de verschillende instellingen en verschillende studenten samen actuele problemen op laten lossen? Mijn hart gaat er wel sneller van kloppen en wie weet lonkt het onderwijs ook nog eens voor mij…

Tabitha van Krimpen is Jonge Theoloog des Vaderlands. Voor meer informatie: www.tabithavankrimpen.nl.