Ik ben grootgebracht met de praktiserende tak van de mystieke islam, het soefisme, en sinds een jaar of twintig heb ik mijzelf aangeleerd om dat te verweven met mijn sociologische achtergrond. Dan krijg je een sociologie die zich bewust lyrisch en verhalend wil uitdrukken. Ik praktiseer deze benadering bewust vanuit de overtuiging dat hieraan een groot tekort is, terwijl die ons juist in deze tijden van transformatie goed van pas zou komen.

We hebben een taal nodig die ruimte maakt voor verbeelding, in plaats van onze huidige taal die nog het meest lijkt op een ‘gebruiksaanwijzing’. Het is altijd mijn streven om in het hart en in het hoofd van de lezer een bezielde ruimte van verbeelding vrij te maken.

Laat mij u het vertaal van de verdwaalde zwerfvogel vertellen.

Een lichte rugzak

Het was een zachte herfstavond in Amsterdam, jaren geleden. Ik wachtte op de tram die mij naar het station zou brengen. Bestemming: thuis, in Rotterdam. Ik droeg een zware rugzak, maar voelde me zo licht als een vogel. In mijn rugzak droeg ik namelijk de dichtbundel van de moslim mysticus Rumi. Eerder die avond had ik in een mooie oude kerk, omgevormd tot een cultuurpaleis, voorgedragen uit dat gewichtige Perzische verzenboek.

Een boek vol extatische poëzie, vol dichterlijk vuur. Een boek van verlangen en gemis. Van begin tot eind is het een ode aan een mannelijke muze, een mystieke meester, een geheimzinnig figuur met de bijnaam Shams é Tabrizi – de zon uit de stad Tabriz – een oude, mysterieuze reiziger.

Zomaar uit het niets verscheen hij op een dag op Rumi’s pad. Hij had de toen nog deftige theoloog met zijn woorden ontroerd en beroerd. Maar net zo onverwacht als zijn verschijning, verdween de meester plotseling ook weer. Rumi, de voorheen zo nuchtere theoloog, raakte door hem bezeten en bleef met een bloedend hart, verward en ontroostbaar, achter. Hij vond enige troost in het dichten. Rumi noemde zijn eerste en meest passionele dichtbundel (divan) naar zijn meester: Divan-é Shams-é-Tabrizi.

Hartmijmeringen

Dit boek maakte mijn rugzak zwaar en mijn hart licht. Ik had verzen voorgedragen en over het soefisme verteld, en waarom dit de 'weg van het hart' wordt genoemd. Waarom een gebroken hart, een bloedend hart, door soefi’s als een voorwaarde wordt gezien om de wonderbaarlijke wereld in en om ons heen te zien en te ervaren.

Ik had verteld over het geheime pad van de melancholie. Ik zag dat het publiek met oprechte aandacht luisterde en ontving het gulle applaus na afloop van mijn optreden. Het is niet makkelijk om in Nederland te pleiten voor mystieke melancholie.

Veel mensen hier zijn namelijk in de ban van een soort fundamentalistisch geloof dat ‘meten weten is’, en hebben een drang tot het ordenen van de wereld in rechte lijnen en perfecte vierhoeken. Het dwingt je tot uitleggen ‘hoe het precies in elkaar zit’. Het dwingt je tot het offeren van de poëzie aan de roestige raderen van de ingenieurstaal. Het dwingt je tot het inpolderen van mysterieuze ziellandschappen tot een vlakke, voor iedereen toegankelijke vocabulaire.

Maar op die avond was alles anders. Het was een samenkomst van liefhebbers van het mystieke en oprechte nieuwsgierigen naar het soefisme. En ik mocht op een zacht Perzisch tapijt in kleermakerszit op het podium zitten. Met de grote gedichtenbundel voor mij in een houten boekenstandaard droeg ik Rumi’s poëzie de zaal in. Hoe vaak krijgt de migrant de kans om het land van aankomst te bezaaien met het mooiste wat zijn moedertaal te bieden heeft?

Het was een prachtige avond, misschien een van meest hartverwarmende avonden in mijn leven tot dan toe in Nederland.

De tram

Ik was trots en kon niet wachten om thuis te vertellen over deze wonderbaarlijke avond, niet wetende dat het echte wonder op mijn pad nog verscholen was. De tram stopte en ik stapte in. Het was al na tienen op deze herfstige woensdagavond en er was genoeg plek in de tram. Ik legde mijn rugzak op de vrije stoel naast mij.

Bij de volgende halte stapten opeens veel mensen de tram binnen. Ik haalde mijn rugzak van de stoel naast mij af om plaats te maken. Ik glimlachte nog steeds, denkend aan het optreden en het applaus van eerder die avond.

Maar al snel raakte ik geïrriteerd. Ik rook een nare lucht, een mengsel van drank en zweet. Een iel oud mannetje, donker en bebaard, met twee Albert Heijntassen vol kleren, naderde strompelend de lege stoel naast mij. Zijn versleten kleren zaten vol vlekken en zijn voorhoofd was nat van zweetdruppels. In een reflex legde ik mijn rugzak weer op de stoel om deze bezet te houden. Maar het sukkelende oude kereltje was mij te snel af en zat al naast mij.

Ik liet mijn rugzak geërgerd op de grond ploffen. De harde plof trok de aandacht van de oude man. Hij keek mij met zijn diepzwarte ogen geamuseerd aan, gaf me een knipoog en begon niet al te zachtjes met zware dronkenmanstong te zingen in een taal die ik niet thuis kon brengen. Het was een mengsel van Hindi en Portugees.

Zijn stank, zijn versleten levensbagage in die twee Albert Heijntas-sen, waarin ik na beter kijken naast de oude kleren ook lege wodkaflessen ontdekte, en zijn brutale gebrul maakten me misselijk. Ik hoopte dat zijn tramritje kort zou zijn, zodat ik niet helemaal tot aan het centraal station zijn stinkende aanwezigheid hoefde te dulden. “

“You live in Amsterdam?”

Het was de vraag van een dronkenlap, meer uit verveling dan uit interesse, want dronkenlappen houden van losjes lullen. Dat waren mijn gedachten toen ik hem zwijgend en lichtelijk verontwaardigd aankeek.

“No, you don’t. You are far from home, aren’t you?” ging hij verder zonder op mijn antwoord te wachten.

“Not that far. I live in Rotterdam.” Het kwam niet in me op dat in de opmerking van deze armoedzaaier iets metaforisch schuil zou kunnen gaan. En toen, niet uit interesse maar uit zuivere wrok voor zijn stank die mijn avond verpestte, hanteerde ik als een hamer een vraag om hem te kleineren:

“And you, where is home?”

Ik verwachtte dat hij zichzelf zou horen en zou toegeven dat hij zijn leven had verknald. Dat hij niets meer had, dat hij een geruïneerde dronkenlap was en niets meer was dan een dakloze, zielige zwerver. Thuisloos. Zijn donkere ogen keken me fonkelend aan en hij reciteerde een gedicht dat ik zo goed als ik kan voor vertaal:

“Ik was een zwerfvogel,
verdwaald,
op een eindeloze pelgrimage
naar de stad van mijn geliefde.

Hij vloog mij tegemoet
op een mistige herfstdag
en zetelde in mijn hart.

Sindsdien ben ik voor altijd thuis.”

Hij eindigde zijn tramvoordracht met een brede glimlach en vroeg me, nu met zachte stem en natte zwarte parelogen: “Je weet vast wel van wie het gedicht is?” Ontroerd, niet wetend wat te antwoorden, schudde ik nee. “Het is een gedicht van Rumi,” zei hij.

Intens besef

Er zijn van die momenten dat de tijd stilstaat. Dat we teruggeworpen worden naar wat je existentieel besef zou kunnen noemen. Iedereen heeft wel eens zo'n moment meegemaakt. Soms is het vanwege een volmaakte vreugde, soms vanwege het diepste verdriet. Al kunnen de aanleidingen erg verschillend zijn, het gevoel is van dezelfde substantie.

Dit moment, de samenkomst van twee vertolkers van Rumi in deze Amsterdamse tram, was zo’n moment. Een moment van een intens besef van het bestaan. Het deed me denken aan het moment toen ik net als vluchteling in Nederland aankwam. Ik kreeg toen het bericht dat mijn moeder op 52-jarige leeftijd, met haar handen ver van de mijne, was overleden. Ik moest denken aan de geboorte van mijn eerste kind twee jaar voor deze tramontmoeting. Ik moest denken aan het moment toen ik samen met de andere jonge jongens met wie ik reisde, tijdens onze vlucht uit Iran onder vuur van de Pakistaanse grenspolitie kwamen te liggen.

Diep verdriet, grootse vreugde en doodsbang. Onvergelijkbare momenten, maar een wonderbaarlijk vergelijkbaar besef van de eeuwigheid. Een gevoel van tijdloosheid. En stilte. Alsof het universum voor een ogenblik zijn onvergankelijkheid, in je en om je, onthult.

De tram was inmiddels tot stilstand gekomen en iedereen stapte uit. We waren aangekomen op Amsterdam CS. Ik pakte een van de tassen van deze wijze dwaas en vergezelde hem naar buiten. Daar stonden we dan. Ik kwam niet verder dan te stamelen:

“Wat mooi, dank, dank!”

Hij opende zijn armen en zonder enige aarzeling omarmde ik het broze gestalte van deze kleine grote man. En ik moest de hele tijd denken aan het woord ‘zwerfvogel’. Maar ik wist niet meer wie hier de zwerfvogel was, hij of ik.

Shervin Nekuee is socioloog, columnist, programmamaker en schrijver van De Perzische Paradox: Verhalen uit de Islamitische Republiek Iran (uitgeverij de Arbeiderspers 2006). Hij schrijft maandelijks voor Volzin over mystiek, persoonlijk geloof en zijn Iraanse wortels.