Wanneer treedt de volwassenheid in? Waar ligt de grensovergang tussen het onoverwinnelijke gevoel van een kind en het weerloze besef van een volwassen man of vrouw? Wanneer weet je dat je niet meer met jeugdige lichtvoetigheid door het leven kunt gaan en zorgeloos in het hier en nu kunt staan? Dat je blije, onbegrensde kinderziel gaat krimpen tot een gedrongen klein, cynisch en brommend mensje. Dat je je onbevreesdheid en kinderlijke vrijheid inruilt voor een routineus overlevingsritueel, het strakke harnas van de eeuwig bange volwassenen.

Verwijdering

Voor mij kwam het moment van verwijdering tussen jeugd en volwassenheid op de drempel van mijn twintigste levensjaar, toen mijn moeder plotseling stierf. Mijn moeder had een grenzeloze liefde en adoratie voor haar jongste zoonlief! Ik had het totaal niet zien aankomen: het was alsof een kogel je vanuit het niets doorboorde. Het noodlot rukte mij definitief weg van de wortels van mijn meest existentiële identiteit: moederskind zijn.

Ik dacht dat ik mijn jeugd op mijn achttiende al had verlaten, maar met het overlijden van mijn moeder werd mijn mentale navelstreng definitief doorgeknipt. En toen kwam de harde klap van de heimwee aan. Lang liep ik met deze rigoureuze, bloedende scheidingswond rond. Ik wilde de wond niet zien en de pijn niet voelen. Ik wilde alsmaar doorgaan, mijzelf diep in de normen en waarden van het land van aankomst graven, Nederland. Ik wilde tegen elke prijs wortelschieten. Het verleden vergeten, vooruitkijken.

Ik dacht dat ik mijn jeugd op mijn achttiende al had verlaten, maar met het overlijden van mijn moeder werd mijn mentale navelstreng definitief doorgeknipt

SHERVIN NEKUEE

Volwassen zijn. Tien lange jaren speelde ik die rol met verve. Ik studeerde hard, werkte hard, kocht een huisje, probeerde een gezin te stichten, maakte me druk om mijn carrière, over de toekomst. Poogde calculerend en pragmatisch in het leven te staan. Maar ieder jaar, rond de sterfdag van mijn moeder, werd ik ziek en belandde ik met koorts in bed. Tien jaar lang. 

Na dat twijfelachtige jubileum van tien jaar zelfverkozen opsluiting in een volwassen bestaan kwam de vertwijfeling. Het verscheen in de vorm van een diep verlangen om mijn littekens onder ogen te zien, om goed naar mijn innerlijk te luisteren en het mijmeren van mijn gewonde hart aan te horen.

Veilige plek

Ik wist niet hoe te beginnen. Waar te beginnen. Ik wist niet bij wie ik te rade moest gaan. Toen dacht ik aan de laatste levensjaren van mijn moeder; hoe zij gegrepen was door de verzen van Rumi, de grote mysticus en dichter. Voor haar waren zijn gedichten een veilige plek om in te schuilen en om de wereld daarvanuit opnieuw te overdenken, te ervaren.  

Zo droeg zij Rumi’s gedachten als een warme deken over haar sensitieve ziel heen. Ze droeg de gedichten van Rumi graag mijmerend voor aan haar man en haar zonen.

Een van haar lievelingsgedichten, in mijn vereenvoudigde bewerking, leest als volgt.

OM TE BLIJVEN

Hier ben ik
Om me hoofd op jouw schoot te leggen
Om te blijven
En als je me verbitterd wegjaagt 
keer ik nog zoeter terug
Hier ben ik 
Om de hartenbreker te bekeren

En als je toch jouw pijlen op mijn hart richt 
Zal ik mijn schild naar de grond laten zaken
Voor jou bloeden
Om jou huilen
Jou ontroeren 
En te blijven

Het laatste levensjaar van mijn moeder zou het begin zijn van mijn eigen reis door het leven en door de verzen van Rumi. Wat mij van dat ongrijpbare jaar vooral is bijgebleven zijn twee telefoongesprekken.

Moeder: “Over acht weken kom ik je opzoeken, zoontje van me!”
Ik: “Wat?! Maar mama, ik ben hier nog net, laat me eerst settelen, wacht maar een jaartje.”
Moeder: “Ik heb al een ticket en mijn visum voor Nederland, geregeld via jouw broer.”
Ik: “Die zegt mij ook nooit wat… waarom zoveel haast?”
Moeder: “Hoezo haast? Ik heb je al anderhalf jaar niet gezien; dat is lang! Voor de zoons misschien niet, maar voor de moeders is dat ondragelijk lang. En ik heb je broer zelfs al drie jaar niet gezien!
Ik: “Maar ik heb geen eigen huis! Ik deel een stoffig huis met nog drie andere slonzige jongens.”
Moeder: “Waar jij woont kan het niet veel smeriger zijn dan het studentenhuis waar je broer vertoeft, met al die joint-rokende punkers. En daar heb ik het ook volgehouden. Als ik maar met mijn zoons mag zijn! Tot over acht weken - ik hoop dat je toch ook een beetje blij bent met mijn komst.”

Zo eindigde ons eerste telefoongesprek. Mijn moeder was duidelijk beledigd door mijn reactie, maar er niet minder vastberaden om. Ze moest en zou haar jongste zoon, die amper acht maanden in Europa was, komen opzoeken. Ik begreep er niets van. Moeders zijn voor kinderen waar dan ook ter wereld de meest ondoorgrondelijke liefdeswezens. Dat is al eeuwen zo, en zo zal het nog eeuwen blijven. Dat dacht ik toen, en dat denk ik nu.

Eeuwige thuis

Moeders. Hun lichaam en hun ziel vormen ons eerste en onze eeuwige thuis. Wij worden twee keer verbannen: bij onze geboorte en op de dag dat zij voorgoed onze wereld verlaten. Maar ik was op dat moment te jong om mijn moeders verlangen om mij te zien te begrijpen. Ik was net aangekomen in het land waar ik mijn Europese ballingschap zou doorbrengen. Ik had haast, ongelofelijke haast: haast om mij aan te passen, haast om mijn plek te bevechten, haast om de hele wereld en mijzelf in het bijzonder te bewijzen dat ik opgewassen was tegen de grote heimwee die ik in mijn hart droeg. Ik wilde mijn blik op de Hollandse horizon richten. En mijn moeder wilde met een directe vlucht van Teheran naar de luchthaven van Amsterdam mijn zicht op die nieuwe horizon vertroebelen. Moeders.

Haar haast was mij een raadsel, maar bleek niet ongegrond. Nog geen half jaar nadat ze op een zonnige zomerse dag op Schiphol was geland, overleed ze in Teheran op de laatste koude winterdag. De doodsoorzaak: borstkanker, een ziekte die ze voor ons verborgen had weten te houden tijdens haar maandlange verblijf in Nederland. Later begreep ik van mijn vader dat mijn moeders gezondheid na mijn vertrek uit Iran snel verslechterde.

Wat een onschuldige tumor in haar borst had moeten zijn, bleek kwaadaardig. De operatie om de tumor te verwijderen en de chemokuren hadden niet geholpen. Toen had ze haar keuze gemaakt: ze had ervoor gekozen om helemaal te stoppen met de behandeling en geduldig te wachten tot haar haargroei terug was, zodat ze er weer normaal uitzag. En dat ze dan, voor de laatste keer, haar kinderen zou opzoeken, die twee ballingen in Nederland.

Aftakeling

Toen wij haar in Nederland zagen was ze al sterk vermagerd. Maar ik had de ogen niet om het te zien. Ze hoefde die maand sowieso niet op veel aandacht van mij te rekenen, zo had ik mij voorgenomen. En zo ging ik ook met haar om. Mijn dagelijkse sportmomenten en de taallessen liet ik gewoon voor gaan. Op de momenten dat ze even in bed wilde liggen om bij te komen van onze schaarse uitstapjes had ik geen oog voor haar tanende gezondheid noch enig vermoeden van wat in feite de oorzaak van haar bliksemsnelle aftakeling was.

Ook niet tijdens de Hollandse namiddagen, wanneer ik ongeduldig en meer plichtsgetrouw dan uit plezier met haar herinneringen ophaalde op de bank in de krappe woonkamer van de Nieuwegeinse arbeiderswoning die ik met nog drie vluchtelingen deelde. Ik herkende in het tranendal van haar ogen geen spoor van haar pijn, noch van haar stille verdriet. Al moet ik zeggen dat mijn hart bij vlagen het van mijn koele voornemens overnam en ik mijn diepe liefde voor haar wel degelijk liet spreken. Helaas was ik vaker te praktisch, te koel, te afstandelijk.

“Dood gaan we allemaal,” zei mijn moeder tegen mijn vader, “waarom moeten mijn arme zonen dan maandenlang op afstand gekweld worden? Ze horen het wel als het zover is.

SHERVIN NEKUEE

Ik was negentien, stond te trappelen om mijn nieuwe leven in Nederland te leiden en deze lieve moeder was gewoon te vroeg - en tegen mijn wil - op bezoek gekomen. Hoe kon ik weten dat ze een ondragelijke keuze had gemaakt? Dat de dood haar spoedig van ons weg zou nemen? Dat dit bezoek het laatste samenzijn met mijn amper 50-jarige moeder zou zijn?

Mijn moeder heeft het met geen woord over haar ziekte willen hebben tijdens haar verblijf in Nederland. En bij haar terugkeer in Iran heeft ze mijn vader laten beloven dat hij erover zou zwijgen.

“Dood gaan we allemaal,” zei ze tegen mijn vader, “waarom moeten mijn arme zonen dan maandenlang op afstand gekweld worden? Ze horen het wel als het zover is. Een lange aanloop naar dat verdriet zou ze alleen maar breken, juist omdat ze mij niet kunnen komen opzoeken, onze ballingzonen.”

Zwijgen

Mijn vader vertelde ons later dat hij vermoedde dat ze naar ons toe was gekomen om het ons zelf te vertellen, maar dat ze het uiteindelijk niet over hart en lippen kon krijgen. Wat wel zeker is: bij haar terugkeer volhardde ze in haar zwijgen. De vrouw die de stemmen van haar kinderen nooit langer dan een week kon missen, belde steeds minder vaak.

Mijn broer was amper 23, ik nog niet eens 20. Twee jonge zonen die gewend waren aan hun moeders aandacht. Bellen was te duur voor ons (we hebben het hier over 19989), en ik vond eens per maand een brief schrijven goed genoeg. Toen bereikte ons een boodschap van mijn oudste oom, mijn moeders lievelingsbroer: ‘Jullie moeder is ernstig ziek. Zij heeft jullie vader laten beloven dat hij jullie niet zou berichten, maar jullie vader gaat helemaal ten onder aan deze belofte. En jullie bellen ook nooit eens even om haar te troosten!’

Later begreep ik dat het haar moeite kostte om normaal adem te halen, omdat ze steeds vaker moest hoesten, de kanker had haar longen zwaar aangetast. Ze maakte zich zorgen dat we haar geheim zouden ontdekken als we elkaar belden. Het tweede en tevens laatste telefoongesprek was dan ook op mijn initiatief.

Ik: “Mama, je bent ernstig ziek!”
Moeder: “Nee hoor, de artsen overdrijven. Je weet toch dat de medische zorg in Iran big business is?”
Ik: “Mama je bent hele tijd aan het hoesten.”
Moeder: “Ja, ik heb een beetje keelpijn, maar dat is zo over.”
Ik: “Oom Parwiz heeft ons al verteld wat er aan de hand is.”
Moeder: “Dat had hij niet moeten doen, er is niets aan de hand. Hoe ging je examen Nederlands?”
Ik: “Mama…”
Moeder: “Niet zo treurig doen, je hoort toch dat ik vrolijk ben?!”

En ik hoorde het goed: ze klónk blij. Haar stem had die onstuimige, vrolijke klank van een moeder die na een lange tijd van afwezigheid weer met haar kinderen herenigd wordt. Maar ik merkte ook dat ze vastberaden was om haar kind gerust te stellen: mijn moeders ultieme poging om mijn hart te beschermen. Maar dat hart bloedde al rivieren van verdriet, en mijn ogen waren evenzeer veranderd in een tranendal.

Laatste scène

Desondanks deed ik mijn best om vrolijke verhalen te vertellen tijdens dat laatste gesprek tussen moeder en zoon. Ik overdreef hoe fantastisch ik het had in Nederland. Vertelde over de geweldige toekomst die er binnen mijn bereik lag. En toen zij mij deelgenoot maakte van het zonnige scenario in háár wankele toekomstverhaal, dat haar gezondheid spoedig zou verbeteren, ging ik er niet meer tegen in. Ik speelde deze laatste scène van ons verhaal gewoon met mijn trotse moeder mee, met alle licht en liefde die ik in mijn stem kon laten doorklinken, al kneep het verdriet mijn keel steeds verder dicht. Dit verblindende zicht op haar aanstaande afscheid gunde ik haar met heel mijn hart, al verscheurde het me tegelijkertijd dat ik meeschreef aan haar epiloog. 

Het lukte haar ook nog om mijn broer houvast te geven. Hij wilde haar naar Nederland laten overkomen om te genezen met behulp van de nieuwste medische technologieën. Mijn moeder gaf hem haar zegen, waardoor mijn broer achter zijn reddingsplan aan ging. Ze wist dat ze nog maar kort te leven had; maar zo had híj tenminste iets concreets om handen om de dagen door te komen.

Mijn moeders foto siert nu onze woonkamer. Een aantal jaar geleden, toen mijn jongste dochter Lara vroeg waar haar nooit-gekende mooie oma van de foto na haar dood heen was gegaan, bedacht ik dat de zielen van onze geliefden sterren worden die vanuit de hemel over ons waken.

SHERVIN NEKUEE

Na dat laatste gesprek met mijn moeder vol onvermijdelijk gekuch en veel gespeeld gelach heb ik haar stem nooit meer gehoord. Er volgde namelijk een ziekenhuisopname. Was het na een week, of na twee weken? Ik weet het niet meer. Wat ik wel weet is dat mijn moeder overleed op de avond van Nowruz, het Perzische nieuwjaar, op de avond die zwanger is van de eerste lentedag. Mijn oudste dochter, zij die het meest van ons allemaal op haar lijkt, heb ik Bahar genoemd – dat staat voor lente in het Perzisch.
           
Mijn moeders foto siert nu onze woonkamer. Een aantal jaar geleden, toen mijn jongste dochter Lara vroeg waar haar nooit-gekende mooie oma van de foto na haar dood heen was gegaan, bedacht ik dat de zielen van onze geliefden sterren worden die vanuit de hemel over ons waken. Mijn moeder heette Parwin: dat is de Perzische verzamelnaam voor de zeven schitterende sterren die wij ook kennen als de Plejaden, het Zevengesternte. Parwin is voor mij een van die Plejaden: degene die mijn pad verlichtte richting Rumi en diens parelzee van melancholie. En zo is mijn moeder met haar weggaan zich noch dieper in mijn hart genesteld, en gebleven.

Shervin Nekuee is socioloog, columnist, programmamaker en schrijver van De Perzische Paradox: Verhalen uit de Islamitische Republiek Iran (uitgeverij de Arbeiderspers 2006). Hij schrijft maandelijks voor Volzin over mystiek, persoonlijk geloof en zijn Iraanse wortels.