Maastricht lijkt een goede plek om te beginnen met mijn zoektocht naar de betekenis van iconische stadskerken. Hier staat de oudste kerk van Nederland, de Sint-Servaasbasiliek, én mijn oudste zoon woont er, zodat mijn slaapplek geregeld is. De dagen vóór mijn vertrek volg ik een training met rooms-katholieke medepioniers en geniet ik van de oecumene. Totdat tijdens een viering aan protestanten wordt verzocht om met de armen gekruist voor de borst naar voren te komen en een zegen in plaats van brood te ontvangen. Een goede opmaat voor mijn onderzoek, waarin de thema’s identiteit en gastvrijheid zeker een rol zullen spelen.

Sint-Servaas

Zaterdagmorgen loop ik het beroemde Vrijthof op, dat gedomineerd wordt door twee grote kerken. De rooms-katholieke Sint-Servaas staat broederlijk, of misschien is het wel zusterlijk, naast de protestantse Sint-Janskerk. Even aarzel ik. Moet ik de Sint-Jan ook meenemen? Gelukkig, die kerk is dicht. De enige manier om die van binnen te zien is om me schriftelijk aan te melden voor de dienst van zondagmorgen. Dan maar meteen naar de Sint-Servaas. De ingang blijkt te bereiken via het straatje tussen de beide kerken met de bijzondere naam ‘Vagevuur’.

Ik loop de kerk in door de poort met prachtige gewelven en wacht op het gevoel van ‘heilige grond’ dat ik in veel oude kerken krijg. Vooralsnog gebeurt er niets. Links is een loket. Je moet een kaartje kopen om verder te kunnen. Eerst maar rechtsaf de kapel in, die vrij toegankelijk is. Op de orgelkruk is een plaatje van een sleutel geplakt met de tekst: ‘U zit op een sleutelpositie’. Dat zal onze organist graag beamen. Af en toe komen er mensen binnen die een kaarsje aansteken. Ik verlaat de kapel en ga op naar ‘het echte werk’, al moet ik dan eerst langs een barriè.

Geboorte en opstanding, tja, die heb je allebei nodig in het leven

WILMA HARTOGSVELD

De portier blijkt een oudere dame, die tijdens mijn bezoeken steeds op deze plek aanwezig is. Nadat ik heb gezegd dat ik een serie artikelen schrijf over iconische stadskerken, vertelt ze wat ik absoluut van dichtbij moet bekijken. “De monstrans in de schatkamer, met zulk fijn sierlijk friemelwerk, die vind ik zo mooi!” Ze belooft me dat bidden bij het graf van de heilige Sint-Servaas een unieke belevenis is. “Gaat u ook naar de Sterre der Zee?” Op mijn vragende blik zegt ze dat ik in die kerk zeker een kaarsje aan moet steken. “Wat is dan volgens u dé iconische stadskerk van Maastricht?”, vraag ik. “Beide kerken zijn onmisbaar,” verzekert ze me. “De Sterre der Zee is een geboortekerk, donker, intiem, je voelt je er omsloten. De Sint-Servaas is een opstandingskerk, licht, open, blij.”

Geboorte en opstanding, tja, die heb je allebei nodig in het leven, denk ik.

Een jong stel komt uit het afgesloten deel van de kerk wandelen. Ze zijn niet religieus, vertellen ze, maar “hier word je wel stil”. Ze hebben een kaarsje aangestoken, weten zelf niet zo goed waarom, maar het voelde goed. Ook spreek ik met vier jonge meiden, twee van hen met hoofddoek. Op mijn vraag of dit volgens hen een museum of een religieus gebouw is zeggen ze in koor: “Dit is een gebedshuis!”

In de schatkamer liggen inderdaad prachtige voorwerpen in vitrinekasten. Vanuit een verguld borstbeeld staren de starre blauwe ogen van de heilige Servaas me aan. Voor mij is dit tot nu toe echt meer een museum. In de kerkzaal ruikt het naar wierook en voor het eerst heb ik het gevoel in een kerk te zijn. Door de gebrandschilderde ramen is het hier vrij donker. Het is doodstil. Ik ben alleen, totdat ik vanuit mijn ooghoeken een vrouw met een bloemstuk binnen zie lopen. Ze vleit het neer bij een plaquette en streelt nog even de steen waarin iets gegraveerd is. Als ze weg is lees ik dat erop staat: ‘MGR. MJM Hanneman, 1950-2016, pastoor van de Sint Servaas, deken van Maastricht.’

Iconische stadskerk

Geraakt door haar gebaar wandel ik verder, over oude grafstenen naar de plek waar relikwieën tentoon zijn gesteld. In vergulde houders zitten kijkglaasjes waarachter tanden liggen, aangetast door de tand des tijds. Ineens voel ik me ontzettend protestants…

Op meerdere plaatsen in deze kerk zijn doodshoofden en beenderen afgebeeld. De doden zijn hier tastbaar aanwezig onder de levenden, waarvan ik op dit moment de enige ben. Is deze kerk vooral een plek voor de doden? Ik daal af naar de grafkelder en voel geen enkele neiging om in gebed te gaan bij het graf van de heilige Servaas. Wel loop ik naar de plek, één van de velen in deze kerk, waar je een kaarsje kunt branden. Daar valt mijn oog op een fotootje bij een brandend kaarsje. Een meisje van een jaar of vijf met krulletjes kijkt me aan. En ik besef dat deze verrijzeniskerk, met al haar symboliek van de dood, voor velen een plek is waar ze hoop vinden en hun geliefde doden levend houden.

Sterre der Zee

Het is maar een paar minuten lopen naar de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, liefkozend ‘Sterre der Zee’ genoemd, naar het beroemde Mariabeeld met die naam. De kerk is niet erg opvallend tussen de andere gebouwen en het volle terras. Binnen voelt het meteen anders dan de Sint-Servaas. Dat komt niet alleen omdat er geen entreegeld hoeft te worden betaald. Deze kerk omarmt je als het ware in haar donkere beslotenheid. Hier en daar zitten of knielen mensen. Een non buigt zich devoot over haar mobieltje. De moderne tijd is hier aanwezig, maar ook het gevoel van aansluiten in een eindeloze rij van pelgrims.

In de kapel kijk ik naar het beroemde Mariabeeld. Deze jonge, uit hout gesneden koningin met kroon en kind doet mij niet zoveel, maar de zee van kaarsen die voor haar zijn aangestoken, verspreidt een warme gloed. Een vrouw ruimt stompjes kaars op en herschikt hier en daar iets. Ze buigt zich vertrouwelijk naar me toe. “Zie je? Maria draagt nu haar blauwe mantel, maar in mei draagt ze een rode met een gedichtje!” Ze straalt en zegt in het voor mij onbegrijpelijke taaltje van de stad een gedicht op:

Laot miech oonder Eure mantel kroepe
wie e keend bij meer
en mer stèllekes dao zitte
op m’n kneje, beijenteer.
Zèt Eur Keend – ‘ch höb väöl te vraoge –
effekes daan bij miech neer.

‘Het gaat over bescherming zoeken bij Maria’, vertrouwt ze me toe.

Dan hoor ik een stem door de luidsprekers en ik schuif de bank in voor de Engelstalige mis. Er zijn ongeveer veertig mensen, verrassend veel jongeren. Het gaat zoals in elke rooms-katholieke mis. Een vaste volgorde van woorden door de pastoor, beantwoord door het volk. Staan, zitten, knielen, een kruisje slaan. Je doet helemaal mee, als je tenminste bent ingewijd, ik doe vooral ‘na’. Er wordt met wierook gezwaaid, de hostie wordt uitgereikt aan degenen die naar voren lopen. Ik blijf netjes in de bank zitten en voel me een toeschouwer.

Ik besef dat het een groot goed is, de eenheid van liturgie in de wereldkerk. Waar je ook naartoe gaat, de mis is voor ingewijden altijd en overal mee te vieren

wilma hartogsveld

Na de mis loopt iedereen wat in zichzelf gekeerd weg. Ik spreek een stel aan, expats zo blijkt, uit Slovenië. Ze vinden het fijn dat er hier Engelstalige missen zijn, dat voelt vertrouwd. Ik besef dat het een groot goed is, de eenheid van liturgie in de wereldkerk. Waar je ook naartoe gaat, de mis is voor ingewijden altijd en overal mee te vieren. Tegelijkertijd vraag ik me af of dit grote goed voor niet ingewijden niet een grote drempel is. De toekomst van een rooms-katholieke stadskerk lijkt in elk geval gewaarborgd zolang er nog rooms-katholieke kerken zijn en zolang er nog mensen door de wereld reizen.

Pastorie

Even later word ik gastvrij ontvangen in de pastorie van pastoor de Vries, naast de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek. Hij weet veel van de geschiedenis van de Maastrichtse kerken, maar merkt al snel dat mijn interesse vooral uitgaat naar de betekenis daarvan in het heden en in de toekomst. Die hangt in deze kerk sterk samen met de volksdevotie rondom het Mariabeeld. Ze heeft een bewogen geschiedenis, waarin ze meerdere keren moest worden verborgen. Nu is ze veilig en vormt ze voor veel mensen een plek waar ze zich even veilig voelen.

“Het is echt een bedevaartskerk”, vertelt de sympathieke, wat weemoedige pastoor. “Er komen hier weliswaar veel mensen”, zegt hij, “maar de parochiegemeenschap vergrijst. De kerk draait financieel op de opbrengsten van de devotiekaarsjes. Iconische stadskerken zullen de laatste kerken zijn die overblijven”, verzucht hij. “Maar,” zijn gezicht klaart op, “misschien begint het dan opnieuw. Misschien kunnen we hen een sprankje religieus gevoel meegeven, als ze hier even stil worden en zich laten raken.” De pastoor vertelt dat ze ook concerten organiseren en investeren in goede kerkmuziek. “Want de esthetiek kan een ingang zijn. Evenals de folklore en de volksdevotie. Maastrichtenaren zijn dol op verkleedpartijen”, zegt hij met een lach. “Als je morgenochtend naar de mis komt, zul je de kerkwachters zien in vol ornaat, dat vinden de mensen prachtig.”

Engelstalige mis

Ik neem zijn uitnodiging aan en stap zondagmorgen opnieuw over de drempel van de Sterre der Zee. Goed dat ik ben voorbereid op de verkleedpartij, anders had ik de als Zwitserse garde uitgedoste mannen die de hele tijd rondlopen, niet begrepen. De parochianen zijn inderdaad bijna allemaal de zeventig gepasseerd. De net ingewijde jonge priester, afkomstig uit India, doet de mis. Er zingt een koor vanaf een onzichtbare plek. Beiden zijn niet heel goed te verstaan, maar dat hoeft ook niet, want de parochianen kennen de teksten ‘by heart’, zoals de Engelsen zeggen. De mis duurt lang, ik haast mij na afloop naar de Sint-Servaas, waar ik deken Dautzenberg hoop te spreken. Hij is op afstand herkenbaar aan de zwarte soutane met paarse stola en blijkt een innemende persoonlijkheid. Zijn hond Joep ligt aan zijn voeten. De deken zit vol met ideeën en vertelt met passie. Verontwaardigd zegt hij: “De kerk mocht eerst niet open tijdens de grote evenementen op het Vrijthof, zoals het concert van André Rieu. Maar we zijn toch méér dan een pleinwand of een decorstuk?”

Iconische stadskerk

Ook hier veroudert de parochiegemeenschap. “Maar,” zegt hij opgewekt, “er komen door de week heen veel mensen in de kerk, die daar betekenis ervaren en tot ontmoetingen komen, misschien wel met God.” Hij doet er in elk geval alles aan om die kans te vergroten. Ik vind het mooi dat hij na de wekelijkse Engelstalige mis de studenten uitnodigt voor een borrel en goed gesprek in de pastorie naast de kerk. Gedreven maar ook ontspannen vertelt de deken over wat hem drijft en hij besluit: “Als ik hier weg ga en alles stort in heb ik het niet goed gedaan”. Deze wijze woorden neem ik graag mee naar Nijmegen. Aan het eind van het gesprek nodigt de deken me uit voor de mis op maandagochtend. Dan zingen en bidden ze bij de schrijn van Sint-Servaas, die door de deken vanuit de schatkamer naar de hoofdkerk is gebracht. “Deze ‘noodkist’ werd al in de Middeleeuwen tijdens de pest rondgedragen door de stad, zodat mensen tot de Heilige Servaas konden bidden. Zouden wij hen die kans dan ontnemen in de coronatijd?”

Sint-Servaas

In de vroege ochtend loop ik de volgende dag de Sint-Servaas weer binnen. In de kerk zit een aantal zusters in habijt, ongeveer dertig zeventigplussers en een jonge vrouw. Het is stil, door de gebrandschilderde ramen schijnt het ochtendlicht prachtig naar binnen. Op de een of andere manier voel ik me hier inmiddels een beetje thuis. De mis verloopt volgens het bekende patroon. De liederen worden door de deken en twee andere geestelijken niet onverdienstelijk gezongen en ik herken er een paar uit de oecumene. Komt het hierdoor, of doordat de roomse liturgie inmiddels zo vertrouwd is, dat ik zou willen deelnemen aan de eucharistie? Stiekem hoop ik dat de deken mij non-verbaal uitnodigt naar voren te komen. Maar het is de jonge, ook uit India afkomstige priester die de hostie deelt en ik blijf zitten. Dan staat iedereen op en loopt in een eerbiedige processie naar de zijbeuk waar ze om de noodkist heen gaan staan. Ik sluit achteraan en sta een beetje om een hoekje terwijl ze bij de noodkist het lied van Sint-Servaas zingen en het gebed van deze heilige uitspreken. Jammer dat ik de tekst niet heb, denk ik. Als de deken aan het hoofd van de processie langs mij loopt geeft hij me echter met een warme glimlach een papiertje met daarop de teksten. Ik voel me gezien.

Als de deken aan het hoofd van de processie langs mij loopt geeft hij me met een warme glimlach een papiertje met daarop de teksten. Ik voel me gezien

WILMA HARTOGSVELD

Op weg naar buiten spreek ik de jonge vrouw aan die me in de kerk was opgevallen. Zittend in het zonnetje vertelt ze me hoe ze acht jaar geleden betrokken raakte bij de parochie. Ze is er actief in het kinderwerk en heeft op advies van de deken de Kairos-cursus gedaan, wat voor haar erg motiverend was. Haar enthousiaste verhaal over hoe ze de scholen betrekken bij allerlei festiviteiten en diaconale projecten is aanstekelijk.

Als ik na drie mooie dagen in Maastricht op weg ben naar huis mijmer ik nog wat na, moe van alle indrukken. Volgens mij hebben deze twee kerken allebei toekomst. Misschien ligt die voor de Sterre der Zee vooral in het pelgrimsoord, waar je even naar binnen gaat voor een persoonlijk religieus moment. Met het Mariabeeld hebben ze een sterk merk in handen, dat de tand des tijds nog wel een tijdje zal doorstaan. De Sint-Servaas zal het als schatkamer/museum nog wel een hele tijd volhouden.  De gastvrije houding en de manier waarop ze inspelen op wat er zich in het heden voordoet geeft mij ook wel wat hoop voor de toekomst van deze kerk als religieuze ontmoetingsplek. 

Wilma Hartogsveld is predikant, pionier en auteur. In de Stadskerk van Nijmegen organiseert zij vanaf vorige maand Engelstalige vieringen, met dank aan haar collega’s in Maastricht. Voor meer informatie: www.wilmahartogsveld.nl.