In de serie Wat kreeg je mee, wat geef je door? staan geloof, traditie en verschillen tussen generaties centraal. Verschillende vrouwen vertellen ieder vanuit hun eigen achtergrond wat zij van hun ouders hebben meegekregen en wat zij aan hun kinderen doorgeven.

Yoga, rebirthing, klankschaalsessies, ayurvedisch eten, samen chanten, de aanbidding van Indiase goeroes. In de jaren zeventig was Amsterdam in de ban van oosterse spiritualiteit en in tegenstelling tot onze tijd was het allemaal wat groezeliger, alternatiever en véél minder vrijblijvend. De mensen die zich daarmee bezighielden, gingen daar vaak volledig in op. Zozeer dat ze er soms ook in konden verdwalen, zoals Manons vader, Otto Duintjer, hoogleraar Kennisleer en Metafysica aan de Universiteit van Amsterdam. Hij kwam uit een streng gereformeerd nest en studeerde theologie om dominee te worden, maar brak met de kerk van zijn jeugd en ging filosofie studeren. Hij wilde vrij zijn, maar het geloof gen zat er toen nog steeds in, vertelt Manon. In de oosterse spiritualiteit vond hij een nieuwe richting.

Op de grote houten keukentafel in haar huis in Haarlem-Zuid ligt een foto van een mollige man met lang donker haar: Hadaikhan Babaji. In haar jeugd stond deze foto bij haar vader op een zelfgemaakt altaartje. Manon weet nog goed hoe hij in de ban raakte van deze goeroe een paar jaar na de scheiding van haar moeder. Hij schoor zijn hoofd kaal, trok een kurta (lang Indiaas hemd) aan en hing een mala (kralenketting) om zijn nek. Ze schaamde zich dood als hij haar van school kwam halen.

Ik was lange tijd allergisch voor alles dat met spiritualiteit te maken had

Manon Duintjer

“Het waren de jaren zeventig: iedereen was op zoek naar zichzelf en ik was zeker niet de enige met gescheiden ouders. Maar die oosterse spiritualiteit gaf er een extra dimensie aan. Hoe kon een intelligente en belezen man zich hieraan overgeven? Mijn moeder en ik dachten dat hij gek was geworden.”

Hoe uitte zich dat bij jou?

“Ik was lange tijd allergisch voor alles wat met spiritualiteit te maken had. Het voelde alsof mijn vader van me was afgepakt. Maar ik ben niet iemand die makkelijk confrontaties aangaat en ben hem altijd blijven zien. Ik sloot me wel af voor een bepaalde intimiteit met hem. Ik vertelde niet hoe ik me voelde, bang om hem te kwetsen of teleur te stellen. We hadden een ander soort band. Hij was erg geestig. We konden samen écht de slappe lach hebben en hij vertelde me over de wereldpolitiek en filosofie. Dat vond ik interessant.”

Vertelde hij je ook over het hindoeïsme?

“Een beetje wel, maar dat ging bij mij het ene oor in en het andere oor uit. Hij nam uit India stripblaadjes voor me mee van de belangrijkste hindoegoden. Dat was dan wel aardig bedacht.”

In hoeverre heeft hij jou proberen in te wijden in zijn nieuwe wereld?

“Hij nam me mee naar het Babaji tempeltje aan de Rozengracht. In een bedompte kamer stond een altaartje met een foto van de goeroe erop, waar iedereen voor boog. Op een gegeven moment zaten we allemaal in kleermakerszit en ging er een cassetterecorder aan met doordringende muziek. Iedereen begon langzaam mee te hummen. Het duurde eindeloos. Ik had honger en wilde naar huis. Maar ik irriteerde me vooral aan een zekere verhevenheid die ik voelde bij de aanwezigen. Kijk eens hoe bijzonder we zijn. En dan dat vreselijke gehug en elkaar in de ogen kijken. Het had iets gemaakts.

Dat vreselijke gehug en elkaar in de ogen kijken. Het had iets gemaakts

MANON DUINTJER

Ik ben ook weleens met mijn vader in een ashram van Babaji in Italië geweest. Daar ging ik ostentatief doktersromans lezen, zo van: zoek het maar uit. Toen werd mijn vader wel boos en moest ik tenminste één keer een heel dagprogramma meemaken van ochtendmeditatie tot aan het broodmaal, maar ik bleef het verschrikkelijk vinden.”

Kon je hem volgen?

“Hij was altijd bezig met de werkelijkheid achter de werkelijkheid. Ik vond het gewone leven al ingewikkeld genoeg. Nu denk ik nog steeds zo. Of deze tafel nou echt is of een projectie van een idee, wat maakt het uit? Wij hebben toch de afspraak dat dit een tafel is.”

Hij vond die normale werkelijkheid waarschijnlijk te ingewikkeld.

“Hij groeide op in een milieu waar hij nauwelijks zijn emoties kon uiten, terwijl hij wel gevoelig was. Ik denk dat hij op zoek was naar manieren om uit zijn hoofd te komen en zijn gevoel meer te tonen, maar of dat ooit echt is gelukt, betwijfel ik. De bio-energetica- en dansdingen maakten wel wat los, maar hij bleef een hoofdmens. Dat bleek ook uit het feit dat hij alles enorm bewust deed. Als hij iemand knuffelde, deed hij dat erg nadrukkelijk en houterig. Ik kreeg daar helemaal de kriebels van. Te zeer van ik ben NU met mijn gevoel bezig.”

Jij keerde met je gevoel steeds meer naar binnen.

“In die zin lijk ik wel op mijn vader. Ik ben net zo secundair en kan op een rationele manier naar dingen kijken, maar dat ik mijn gevoelens zo heb weggestopt in mijn jeugd, heeft ook met mijn moeder te maken. Zij was woedend toen hij wegging. Voor haar kwam het als een totale verrassing dat hij zich bekneld voelde door haar. Ze bleef erg hangen in haar boosheid en verdriet en ze was iemand die dat wel makkelijk kon uiten. Ik moet toen gedacht hebben: dat gaan we dus niet doen, want daar belast je de ander zo mee.”

Wat voor een soort puber was jij?

“Ik was vooral met mijn vrienden en vriendinnen bezig. Bij hen voelde ik me veilig. Op school vond ik de klassieke talen erg leuk. Vooral de ideeën uit het stoïcisme spraken me aan. Je niet te veel laten raken of meeslepen door je angsten, maar ook niet door je verlangens. Want het lijden wordt veroorzaakt door dat wat je vreest of door verlangens die niet uitkomen. Je kunt er ook in lezen: voel niet te veel. Dat paste wel bij me in die tijd. Niet dat ik toen geen gevoelens had, maar ik had geen idee hoe ik er mee om moest gaan. Ik was meer een geïmplodeerde puber dan een opstandige puber.”

Wat waren jouw principes?

“Ik was links geëngageerd. Dat had ik van beide ouders. In mijn kamer hingen neutronenbommenposters aan de muur en met mijn moeder deelde ik folders uit tegen de bom. In 1981 liep ik mee in de grote vredesdemonstratie tegen kernraketten in Amsterdam.”

Die dreiging van de Koude Oorlog was voor je vader een reden om de voorspelling van zijn goeroe Babaji serieus te nemen dat het einde der tijden eraan zat te komen. Je was 14 jaar toen je vader voor een paar maanden in een ashram in de Himalaya ging wonen. Hij stuurde je kaartjes waarop hij schreef dat de wereld zou vergaan.

“Ter geruststelling schreef hij er dan wel bij dat ik veilig was, omdat hij daarvoor had gezorgd. Wat moest ik daar mee? Zouden mijn moeder en vrienden het dan niet overleven? Dat was behoorlijk beangstigend, maar ook dat stopte ik weg.”

Maar je kreeg hem terug.

“Toen de goeroe die hij volgde doodging, ontstond een machtsstrijd in de ashram en ik denkdat mijn vader daar een rol in wilde spelen. Maar de andere volgelingen moesten hem niet. Ze hebben hem de deur uitgezet. Hij is te voet van de Himalaya naar New Delhi gegaan in een half psychotische toestand. Later blikte hij op die periode terug als leertijd, als een experiment. Dat snap ik nu ook wel.

Waar ik moeite mee heb, is dat hij nooit heeft willen inzien welke gevolgen zijn zoektocht had voor mij als kind. Ik voelde me toen in de steek gelaten

MANON DUINTJER

Waar ik moeite mee heb, is dat hij nooit heeft willen inzien welke gevolgen zijn zoektocht had voor mij als kind. Ik voelde me toen in de steek gelaten. Door beide ouders. Ze waren allebei nogal met zichzelf bezig.”

Hoe heeft jou dat geraakt?

“Ik kampte op de middelbare school en later tijdens mijn studie geschiedenis met anorexia. Als je jezelf uithongert dan voel je steeds minder. Je hebt honger en je bent alleen maar bezig met wat eet ik niet vandaag. Je bent geobsedeerd door je lichaam, maar luistert er niet naar. Ik ben gelukkig nooit in het ziekenhuis terechtgekomen en ben altijd alles blijven doen, maar ik isoleerde mezelf behoorlijk.

Mijn moeder wist niet wat ze ermee aan moest. Mijn vader heeft het volgens mij nooit geweten. Ik liep er al een tijd mee rond ook tijdens mijn studie. Tot een goede vriendin op een avond aanbelde met een fles wodka en de boodschap: wij gaan nú praten. Die zet had ik nodig. Ik heb de dag erna het Riagg gebeld en moest meteen komen. Het was blijkbaar ernstig.”

Op je 23ste reisde je met je vader twee maanden door India. Waarom?

“Hij was toen in mijn ogen weer ‘normaal’ geworden en ik was nieuwsgierig naar wat hem zo had aangetrokken in dat land. Bovendien kwam ik net uit die slechte periode, dus ik stond open voor nieuwe dingen.”

En wat bracht je dat?

“Het was een bijzondere reis. Mijn eerste reis buiten Europa. De natuur was overweldigend en extreem. Ook die religie was overal aanwezig. In offertjes, bloemetjes, tempels, altaartjes. Maar toen we een ashram bezochtenin de Himalaya vond ik wel weer al die gekkigheid terug waar mijn vooroordelen op gebaseerd waren. Je zet mensen bij elkaar en er ontstaat hiërarchie, relaties, geroddel, jaloezie. Iedereen rommelt toch ook maar wat aan, denk ik dan. Maar doe dan niet zo verheven! Ik had in ieder geval geen behoefte om erbij te willen horen. Ik volgde wel het dagritme en kreeg les van een oudere monnik. Daar heb ik goede herinneringen aan. Hij zei: ‘God zit in de wereld zoals goud in een armband zit. Het is overal, maar het is niet te pakken’. Dat is ook heel filosofisch.”

Heb je een spirituele ervaring gehad daar?

“Ik vond de zonsondergangen magisch.Na de siësta gingen mijn vader en ik vaak wandelen langs de rijstvelden en dan zag je de zon langzaam zakken. Op die velden trilde de lucht en alles kleurde violet. Je hoorde belletjes in de verte en rook een vuurtje. Alles viel samen. Ik heb geen religieus gen zoals mijn vader, maar als het om spiritualiteit of goddelijkheid gaat, zit dat voor mij heel erg in de natuur. Of in van die momenten in je leven dat je even opgelicht wordt. Als je danst of iemand in de trein ontmoet en je verbonden voelt.”

Kwamen jij en je vader nog dichter bij elkaar?

“Niet echt. Onze relatie bleef op gevoelsvlak eenrichtingsverkeer. Maar ik wist wel dat ik ooit over die reis wilde schrijven en toen ik daar twintig jaar later aan begon, kreeg ik meer inzicht in hem en in onze relatie. Het dagboek dat ik tijdens de reis bijhield, vormde de basis voor mijn roman We zijn verdwaald waarin ik voor het eerst mijn eigen perspectief laat zien. Dat zorgde ook voor onze eerste clash. Wij hadden in zijn ogen de best denkbare vader-dochterband. Ik heb dat ook gefaciliteerd. Ik heb hem toch altijd willen pleasen. Door mijn boek werd dat idee onder hem weggeslagen. Hij werd boos, ontkende alles en erkende mijn kant van het verhaal niet. Maar dat leidde niet tot een onherstelbare breuk. Het is natuurlijk ook heel moeilijk om te zeggen dat je iets verkeerds hebt gedaan, zeker aan je kinderen. Ik sla bij mijn kinderen soms een beetje door in het sorry zeggen. Maar je fouten toegeven vind ik heel belangrijk. Het gesprek aangaan en naar jezelf durven kijken. Die les heb ik geleerd.”

Wat wil je ze wél meegeven van vroeger?

Mijn ouders waren allebei links geëngageerd. Het waren socialisten en ze voelden zich nooit te goed voor wie dan ook. Ze konden met iedereen door een deur, ongeacht uit welk milieu of welke cultuur diegene kwam. Dat wil ik graag doorgeven.”

En als het gaat om levensbeschouwing?

“Ik heb mijn kinderen stukjes uit de kinderbijbel voorgelezen en ze zitten toevallig allebei op christelijke scholen. Maar net als ik toen, zijn ze totaal niet met het geloof bezig. Het zijn vrij nuchtere, concrete types. We proberen hen wel mee te geven dat niet alle waarde in geld en materie zit. Dat iets als het schrijven van een boek ook een waarde in zich heeft.”

Jij bent je wel meer gaan openstellen voor oosterse spiritualiteit.

“Toen ik aan mijn boek werkte, kwam alles bij elkaar. Tijdens het schrijven kreeg ik last van mijn rug. Zo kwam ik op het spoor van yin-yoga op een school in Haarlem die niet te hip en verheven was. De lerares lette goed op iedereen en ik voelde me gezien. Yin-yoga betekent dat je heel rustig een houding ingaat en daar langer in blijft zitten. Ook als de houding vervelend wordt.

Ik heb toen ontdekt dat op het moment dat je accepteert dat het onprettig voelt en je er niet meer tegen vecht of van wegvlucht, er nieuwe ruimte ontstaat en dan wordt het minder zwaar

MANON DUINTJER

Ik heb toen ontdekt dat op het moment dat je accepteert dat het onprettig voelt en je er niet meer tegen vecht of van wegvlucht, er nieuwe ruimte ontstaat en dan wordt het minder zwaar. Mentaal kun je dat ook toepassen. Daar zit ook de link met het boeddhisme, de Stoa en yoga; Kijk maar wat er gebeurt. Ga het aan. Vlucht niet. Met mijn vader ook; die confrontatie was niet makkelijk, maar we konden het hebben.”

Je moeder stierf in 2019. Je vader een jaar later. Hoe is het nu ze er niet meer zijn?

“Na de eerste shock ontstond er een gevoel van bevrijding. Zij waren bevrijd uit hun lijden en ik had de zorg niet meer. Maar nu ze er al een tijdje niet meer zijn, voel ik dat onze drie-eenheid is verdwenen en ik als enige over ben. Dat voelt onthecht. Ik moet soms ineens heel erg huilen, maar het kan een dag later weer anders voelen. Toch ben ik blij dat ik met mijn boek die zogenaamde symbiotische band heb doorgeknipt. Een studievriend van mijn vader, die dominee is, zei tegen me: hij moest dit ook weten voor zijn eigen lotsbestemming. Door het schrijven van het boek en de daaruit volgende confrontatie leerde ik accepteren dat ik de dingen niet wezenlijk kan veranderen.

Wél kon ik mijn vader in zijn laatste fase veel liefdevoller begeleiden dan ik voor mogelijk had gehouden. We hebben elkaar meer vastgehouden dan ooit. Met mijn moeder heb ik eenzelfde soort intimiteit beleefd. Ze hadden beiden een lang sterfbed en hebben de beker helemaal leeggedronken tot ze echt niet meer konden. Als bloemen die verwelken. Het leven zelf is eigenlijk zo waanzinnig wonderlijk. In geboorte en dood zit álle spiritualiteit die je je maar kan voorstellen.”

Manon Duintjer (1969) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Ze geeft les in creatief schrijven en Storytelling o.a. bij de Schrijversacademie en de Querido Academie. In 2019 verscheen haar roman We zijn verdwaald (Gloude publishing). Samen met Marlies Visser ontwikkelde zij het filosofiespel Nomizo en dit najaar verschijnt het Nomizo Zelfdenkboek. Manon woont in Haarlem met haar man Lex en twee kinderen Minne (16) en Tara (14).

Dit verhaal is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.