De VOLZIN-lezing van Fokke Obbema in oktober 2021 stond in het teken van het levensverhaal. Het bleek een inspiratiebron te zijn voor onze lezers. We vroegen u om uw levensverhaal met ons te delen. Deze maand het verhaal van Wim Davidse.

Als je eenentachtig jaar bent kun je een heel leven overzien. Dat leven begon voor mij op 12 mei 1940 in Middelburg. Daarmee kwam ik midden in een oorlog terecht. Mijn ouders moesten vluchten toen ik een paar dagen oud was omdat de stad zou worden gebombardeerd. De oorlog speelt een belangrijke rol in mijn vroegste herinneringen. Die bestaan onder andere uit: vluchten voor het water, naar het centrum van Middelburg, toen Walcheren in oktober 1944 werd geïnundeerd en verblijf in een schuilkelder, waarin we het einde van de oorlog afwachtten. De Slag om de Schelde eindigde in Zeeland op 6 november 1944.

Ik groeide op in Vlaardingen. Daar vond mijn vader na de oorlog werk bij een klein carrosseriebedrijf. Dat lag een beetje in de lijn van het ambacht van zijn voorvaderen, een geslacht van Walcherense wagenmakers. Ik kon goed leren en dankzij voorspraak van de bovenmeester bij mijn vader, mocht ik naar de HBS. Via een omweg ging ik daarna studeren aan de toenmalige Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam.

Hoe moet ik leven?

In mijn puberteit bestond ons gezin uit vader, moeder en vijf jongens, waarvan ik de oudste was. Vader was een stille man die alleen iets zei als het echt nodig was. Moeder daarentegen was spraakzaam, zat vol verhalen en was destijds actief in de Gereformeerde kerk van Vlaardingen. Haar hart ging uit naar het evangelisatiewerk.

Hoe moet je leven? Dat was eigenlijk mijn belangrijkste vraag toen ik een jaar of twintig was

wim davidse

Ik was een behoorlijk verlegen puber. Het gezegde van mijn vader ‘de HBS is niet voor ons soort mensen’ klonk nogal eens in mijn oren. Daardoor zag ik op tegen de jongelui om me heen, die bijna allemaal uit hogere milieus afkomstig waren. Aansluiting met leeftijdgenoten vond ik wel in het Gereformeerde jeugdwerk in Vlaardingen en later als student in de sociëteit van de Hervormde Jeugdraad in Rotterdam.

Ik bleef toch steeds erg onzeker, ik miste eigenlijk het voorbeeld van een vader. Hoe moet je leven? Dat was eigenlijk mijn belangrijkste vraag toen ik een jaar of twintig was. Ik zocht het in boeken en ik vond antwoorden bij theologen als Robinson (God is dood), Buskes en Bonhoeffer. Ze gaven in die tijd oriëntatie en richting  in mijn leven. Aan het eind van mijn studie raakte ik verliefd  op Barbara, een meisje dat ik had leren kennen in de Gereformeerde jeugdorganisatie. We trouwden in 1966, kochten een nieuw huis in Vlaardingen en daar stichtten we ons gezin.

God is dood en kwam weer tot leven

Ik bleef lid van de Gereformeerde kerk, maar het geloof sprak me toch steeds minder aan. Dogma’s vergeleek ik toen met geschiedenisjaartallen: het zal wel zo zijn, maar het doet me niets. Wel raakten mijn vrouw en ik geïnspireerd door de praktische kanten van het geloof en dan speciaal de actie ‘Nieuwe Levensstijl’ van de kerken. We werden lid van een actiegroep en zo probeerden we andere kerkleden te interesseren voor deze levensstijl. Soberheid was daarbij de leidraad. Maar na verloop van tijd verwaterde die nieuwe levensstijl toch wat.

Omstreeks 1980 ontdekte ik het zenboeddhisme. In een boek hierover las ik een beeld dat bij mij als een bom insloeg: ‘Als je God zoekt, lijk je op iemand die zoekt naar het paard waarop hij zit’. God die zo dichtbij is, daar wilde ik wel iets van ervaren. Daarom ging ik kort daarna zenmeditatie beoefenen bij een bekende zenlerares in Den Haag. ‘Leven in het hier en nu’, een belangrijk zenadvies, was toen voor mij een openbaring. Niet lang daarna werd de Vietnamese zenleraar Thich Nhat Hanh een belangrijke inspiratiebron voor me. Zijn praktijk van mindfulness gaf me duidelijke antwoorden op de vraag ‘hoe moet ik leven?’

Werkzame leven

Ik was iemand met een baan voor het leven. In 1968 werd ik wetenschappelijk ambtenaar bij een economisch instituut en in 2001 ging ik daar met pensioen. Er was in die tijd wel veel veranderd, speciaal door de privatisering van het instituut omstreeks 1990. Daardoor moesten we zelf inkomsten verkrijgen met onderzoeksopdrachten. Ik kon hierdoor regelmatig onderzoek uitvoeren dat ik zelf had bedacht, vaak samen met buitenlandse partners. Het werk als onderzoeker/projectleider werd zo behoorlijk uitdagend en ook wel voldoeninggevend.

Leven op z’n kop

In privé-opzicht werd in 1988 alles anders. Mijn vrouw Barbara kreeg toen een hersenbloeding waardoor ze ernstig werd verlamd. Daarbij kreeg ze ook nog een ernstige vorm van afasie, waardoor communicatie met haar uiterst beperkt werd. Ik probeerde overeind te blijven, samen met mijn zoon van achttien en dochter van zestien.

Het werd een ingrijpende worsteling om uit te vinden hoe ik moest leven met een vrouw die niet meer mijn partner kon zijn. ‘Leven in het hier en nu’, de zenleidraad, hielp daarbij. Ik had toen gelukkig ook goede vrienden bij wie ik terecht kon met mijn verhaal.

Leven als gepensioneerde

Na mijn pensionering ging ik meer tijd besteden aan ‘de weg naar binnen’. De stilte bij de meditatie gaf meer inzicht in mezelf. Ik ontdekte dat die oorlogsgebeurtenissen toch meer invloed op mij hadden gehad dan ik dacht. Diep in mij voelde ik een angst, ‘het is niet veilig, er is gevaar’. Toch kon ik ook wel eens ervaren dat er achter al dat ‘gruis’ een grote stille, veilige ruimte is, die je wel God zou kunnen noemen. Het voelt soms als een ruimte die me draagt, waarin ik ben geworteld.

Ik raakte erg geboeid door oude en moderne mystici. Zowel westerse, als Jan van Ruusbroec en Meister Eckhart, als oosterse leraren, met name de soefi-dichter Rumi en Shri Nisargadatta Maharaj, leraar in de Advaita Vedanta-traditie. Eigenlijk verwijzen ze allemaal naar hetzelfde, het Onuitsprekelijke. Ik heb dat beschreven in mijn boek Er is meer in ons/leren van de mystici. Berne Media gaf dit boek in 2019 uit.

Ik zie nu dat de protestantse kerk ook een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ik vind daarin ruimte om in gesprekskringen, samen met anderen, te leren van mystici. De stilte laten spreken, dat kan nu ook in de kerk merk ik. ‘De mens is geneigd tot alle kwaad’, dat werd er vroeger bij ons ingestampt. Daarvoor is nu een zin van Meister Eckhart in de plaats gekomen: ‘Jullie dragen immers de hele waarheid wezenlijk in je?’

Mijn vrouw leeft nog steeds, ze verblijft al lange tijd in een verpleeghuis. Ik vind het nog steeds een hele opgave om haar te zien en te accepteren zoals ze nu is. Een heel groot contrast met de vroegere opgewekte en spontane Barbara. Ik heb een evenwicht gevonden door de omgang met een nieuwe levenspartner, die ook een groot verlies heeft geleden in het verleden. De vraag Hoe moet ik leven? is nu wel beantwoord. In mijn beste momenten ervaar ik dat het Leven zichzelf wel leeft.