Lees hier alle interviews in de collectie Bewustzijn en Werkelijkheid.

Het was 2010 en mijn vrouw was acht weken zwanger van ons tweede kindje. Toen we voor een eerste echo bij de verloskundige kwamen, kon die tot onze grote schrik wel de foetus vinden, maar geen hartslag. Het kindje bleek overleden. Later die middag haalde ik ons dochtertje Leonie van de crèche. Ze was op dat moment een peuter van bijna vier.

Zodra ik aankwam, nam groepsleidster Eva me apart. Ze vroeg of er thuis iets aan de hand was, want de hele dag was Leonie touchy geweest. Bij het minste of geringste was ze in huilen uitgebarsten. Ik zei dat Leonie de laatste tijd moeite met haar slaapritme had. Ze lag ’s avonds in bed lang te lezen en was dan ’s ochtends moeilijk wakker te krijgen. Eva knikte. Vermoeidheid was voor haar een voldoende verklaring. Ik nam Leonie mee en vertrok. Maar bij de uitgang bedacht ik me. Ik draaide me om en liep terug naar de groep. Ik vroeg Eva of het gedrag van Leonie vandaag opvallend anders was geweest. Eva knikte, Leonie was anders nooit zo.

Toen vertelde ik Eva het verhaal van die ochtend, van de zwangerschap, de echo, dat er geen hartslag was. Eva trok wit weg en zei dat ze kippenvel kreeg. Leonie had die ochtend nog tegen haar gezegd dat “mamma een baby in haar buik heeft”. Toen was het mijn beurt om kippenvel te krijgen. We hadden met Leonie totaal niet over de zwangerschap gesproken en zelfs uitdrukkelijk vermeden om er in haar bijzijn überhaupt maar naar te verwijzen. Ik was er absoluut zeker van dat Leonie geen weet kon hebben van de zwangerschap. Toch wist ze het. En blijkbaar had ze ook aangevoeld dat er iets mis was.

Barst in de werkelijkheid

Iedereen kent alledaagse toevalligheden, zoals een telefoontje van iemand krijgen op het moment dat je toevallig aan diegene dacht. Maar soms zijn er gebeurtenissen die een barst in de werkelijkheid lijken te vormen waardoorheen we iets opvangen van een werkelijkheid die de onze overstijgt en omgeeft. Het zijn vaak gebeurtenissen waar wetenschappers jeuk van krijgen. Ze worden vaak ‘anekdotisch’ genoemd oftewel een verhaaltje. Toch duiken dergelijke ‘anekdotische’ verhalen telkens weer op. En soms op onverwachte plekken.

Iedereen kent alledaagse toevalligheden, zoals een telefoontje van iemand krijgen op het moment dat je toevallig aan diegene dacht

taede a. smedes

Mark Twain (1835-1910) is de schrijver van de avonturen van Tom Sawyer en Huckleberry Finn, maar hij was ook een scherpe satiricus die allerlei vormen van geloof en bijgeloof genadeloos belachelijk maakte. Op een ochtend droomde hij over zijn broer Henry, waarmee hij samen op een rivierboot in 1859 werkte. Hij droomde dat Henry dood was. Zijn lichaam lag in een metalen kist, in een pak van Twain met op zijn borst een groot boeket witte rozen, met één rode roos in het midden. Toen Twain ontwaakte, was hij zo in de war dat hij opstond om naar de kist te gaan kijken. Maar terwijl hij onderweg was naar het huis waar de kist zou liggen, realiseerde hij zich ineens dat hij het alleen maar had gedroomd.

Een paar weken later raakte Henry ernstig maar niet dodelijk gewond bij een explosie van een boiler. Hij stierf toen een jonge dokter hem per ongeluk een overdosis opium gaf tegen de pijn. Een bevriende dame doneerde zestig dollar om Henry in een speciale, metalen kist te laten begraven. Twain vertelt dat toen hij later de kamer binnenging waar Henry lag opgebaard, hij hem zag liggen in de open kist, gekleed in een pak van Twain, precies als in de droom. Het pak had Henry van Twain buiten diens medeweten om geleend. Alleen de bloemen misten. Toen kwam er een oudere vrouw binnen met een groot boeket bloemen in de hand, die ze op de borst van Henry legde. En in het midden lag de rode roos.

Twain schreef in 1878 een essay over deze en vele andere vreemde gebeurtenissen, maar hij kon zich er niet toe zetten om het te publiceren. Hij was bang dat het publiek deze gebeurtenissen als weer een grap zou zien. Uiteindelijk verschenen de gebeurtenissen pas in 1895 in druk in een tweetal artikelen in Harper’s tijdschrift. Twain noemde gebeurtenissen als deze voorbeelden van ‘mentale telegrafie’, een beeld dat hij ontleende aan de baanbrekende technologie van zijn tijd waarmee informatie over lange afstand kon worden doorgegeven. Hij beschouwde de gebeurtenissen als een soort ongrijpbaar contact tussen onze geest en een bovenzinnelijke werkelijkheid.

“Jullie zijn allemaal gek!”

Of neem Alfred J. Ayer (1910-1989), de beroemde Britse filosoof en verstokt atheïst, die in 1988 in de Britse krant The Sunday Telegraph een opmerkelijk artikel schreef (‘That Undiscovered Country: What I Saw When I Was Dead’). Daarin beschreef hij zijn bijna-doodervaring nadat hij vanwege een longontsteking in het ziekenhuis was opgenomen. Hij zag een rood licht, dat het universum bestierde en werd vergezeld door twee schepselen die de ruimte moesten inspecteren, waarvan de orde hersteld moest worden, maar ze wisten niet hoe. Het was voor Ayer een benauwende ervaring.

Maar het was wel een openbaring geweest. Het eerste wat Ayer tegen de omstanders had geschreeuwd toen hij ontwaakte, was: “Jullie zijn allemaal gek!”, alsof hij daarmee wilde zeggen dat ze allemaal een verkeerd beeld van de werkelijkheid hebben. Als een van de voornaamste filosofen van het logisch positivisme had hij religie en metafysica altijd als grote onzin beschouwd, maar nu worstelde hij met de implicaties van zijn visioen. Zijn hele leven had in het teken gestaan van wetenschappelijke rationaliteit die alle metafysica moest uitroeien. En daar ineens was een ervaring die zijn hele wereldbeeld onderuit haalde.

Hoe laten dit soort ‘bovennatuurlijke’ of ‘mystieke’ ervaringen zich verklaren?

taede a. smedes

Ayer sloot in eerste instantie niet uit dat hij had gehallucineerd. Maar toen een bevriende vrouw hem vertelde over haar ervaring van een rood licht tijdens een hartstilstand, raakte Ayer van de echtheid van zijn ervaring overtuigd. Zijn ervaring was weliswaar geen bewijs voor het bestaan van een God en had zijn atheïsme in dat opzicht dan ook niet in het minst aangetast. Wel betekende blijkbaar het einde van het lichaam niet het einde van bewustzijn. En daarmee moest Ayer schoorvoetend erkennen dat er blijkbaar van een dualisme tussen geest en lichaam sprake was.

Hoe laten dit soort ‘bovennatuurlijke’ of ‘mystieke’ ervaringen zich verklaren? Met die vraag krabben we precies aan de plek die natuurwetenschappers zoveel jeuk bezorgt. Het zijn de wetenschappers, zo schrijft de Vlaamse filosofe Patricia de Martelaere in haar Verlangen naar ontroostbaarheid, “met hun antwoorden op vragen, met hun verklaringen, voorspellingen en therapieën, die bij uitstek moeten zorgen voor een jeukvrij bestaan.” Als de werkelijkheid ons existentiële jeuk bezorgt, is het de wetenschap die poogt met een verklaring die jeuk tot bedaren te brengen. Het probleem met de bovengenoemde ervaringen is dat ze nu juist het soort jeuk veroorzaken dat zich niet zo makkelijk met een wetenschappelijke verklaring tot bedaren laat brengen.

Smedes: "Wat als onze alledaagse, zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, slechts een luchtbelletje is dat ronddrijft in een verder onpeilbaar diepe en duistere oceaan?"© Pixabay

Filosofen (en ik zou willen toevoegen: theologen ook) kennen het besef dat door De Martelaere wordt verwoord maar al te goed, dat krabben “existentiële jeuk zelden tot bedaren brengt”. Filosofie is geen natuurwetenschap en doet niet aan ‘verklaringen, voorspellingen en therapieën’. Zij gedijt beter bij scherpe vragen dan bij antwoorden die moeten zorgen voor een jeukvrij bestaan. De Martelaere schrijft: “Filosofisch krabben is krabben dat jeuk teweegbrengt”. Natuurlijk, soms kun je maar beter niet krabben, want wie weet maak je de jeuk daarmee erger. Maar dan weet je ook zeker dat er géén vooruitgang geboekt wordt, dat we niets wijzer worden. Misschien moeten we dus juist wél krabben om deze ervaringen te duiden.

Dromen terwijl we wakker zijn

Laat ik alvast beginnen met krabben: wat als deze ervaringen erop duiden dat de werkelijkheid zodanig in elkaar steekt dat de wetenschappen niet in staat zijn om het jeuken te stoppen? We zijn vaak geneigd om ervaringen zoals de hiervoor genoemde te beschouwen als ‘glitches’ of ‘scheuren’ in de werkelijkheid die opvallen juist omdat de werkelijkheid verder zo geordend in elkaar zit. Vandaar dat we geneigd zijn er verder niet teveel aandacht aan te besteden. Maar wat als we het eens omdraaien?

Wat als deze ervaringen erop duiden dat de werkelijkheid zodanig in elkaar steekt dat de wetenschappen niet in staat zijn om het jeuken te stoppen?

taede a. smedes

Wat als we in werkelijkheid dromen als we denken wakker te zijn? Wat als die gebeurtenissen en ervaringen ons laten zien dat onze alledaagse werkelijkheid een illusie is? Wat als onze alledaagse, zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, die werkelijkheid waarin we leven en die door de natuurwetenschappen wordt bestudeerd, slechts een luchtbelletje is dat ronddrijft in een verder onpeilbaar diepe en duistere oceaan? Wat als toevallige maar betekenisvolle of ‘bovennatuurlijke’ ervaringen inzicht blijken te geven in de aard van de werkelijkheid die niet ‘gesloten’ is, maar (in de woorden van filosoof Charles Taylor) ‘poreus’?

Oftewel: wat als het tijd is om ons beeld van de werkelijkheid misschien drastisch te herzien? Met die laatste vraag worstel ik al vele jaren en gelukkig zie ik de laatste jaren dat er steeds meer academici zich dezelfde vraag stellen. Psychologen Sarah Durston en Ton Baggerman stellen in hun boek The Universe, Life and Everything (2017) dat de herziening van het wereldbeeld noodzakelijk is vanwege ontwikkelingen in het denken over bewustzijn, ontwikkelingen in de fysica (met name kwantumfysica) en door het groeiende besef dat de mens niet losstaat van de natuur.

Het einde van het materialisme?

In november 2020 schreef ik in Volzin al over de crisis in de bewustzijnswetenschappen. Decennialang is een materialistische verklaring van het bewustzijn overheersend geweest. Zoals de nieren urine produceren, zo produceren onze hersenen bewustzijn, aldus Dick Swaab. De laatste jaren zijn er in het zelfvertrouwen van materialistische bewustzijnswetenschappers steeds meer barsten gekomen. Want het lukt maar niet om het ontstaan van menselijk bewustzijn adequaat te verklaren. Weliswaar is er een correlatie tussen bewustzijn en hersenen. Alcohol werkt in op de hersenen en je merkt dat je bewustzijn verandert als je teveel hebt gedronken. Maar we weten ook dat correlatie niet hetzelfde is als oorzakelijkheid. Of onze hersenen ook de bron zijn van ons bewustzijn, en zo ja, hoe dan, is nog altijd een van de grootste mysteries van deze tijd.

Vandaar dat steeds meer bewustzijnswetenschappers hun toevlucht nemen tot alternatieve visies met ingewikkeld klinkende namen als panpsychisme, duaal-aspect monisme, kosmopsychisme of idealisme. Gemeenschappelijk aan deze visies is het idee dat niet materie, maar geest of bewustzijn een niet-reduceerbare eigenschap is van onze werkelijkheid of zelfs ten grondslag ligt aan de materiële werkelijkheid.

Bij materialistische benaderingen is bewustzijn vaak een randverschijnsel, een toevallige bijkomstigheid van hersenfuncties. In die benaderingen doet bewustzijn zelf niets, maar ontstaat het door blinde, doelloze en betekenisloze processen die zich in de hersenen afspelen. Panpsychistische benaderingen daarentegen stellen dat geest of bewustzijn naast materie bestaat, dat zelfs het allerkleinste atoom een vorm van bewustzijn heeft. Idealisme gaat zelfs zover dat materie uit bewustzijn ontstaat.

Krabben aan de barsten van de werkelijkheid

Mijn punt is: materialistische wetenschappers kunnen niet anders dan de bizarre ervaringen die we soms ‘bovennatuurlijk’ noemen wegverklaren of ontkennen. Die ervaringen hebben in een materialistische wereldvisie geen plek. Een contact ‘met gene zijde’, zoals Ayer zijn visioen opvatte, is in die visie niet mogelijk, omdat bewustzijn niet kan voortbestaan zonder de hersenen. De nieuwere bewustzijnsfilosofieën kunnen die ervaringen echter wel een plek geven. Ze zijn niet anti-wetenschappelijk, ze verwerpen niet de hedendaagse wetenschappelijke kennis, maar betwisten wél het materialistische kader waarin die wetenschappelijke kennis doorgaans wordt begrepen.

Nieuwe bewustzijnsfilosofieën zijn niet anti-wetenschappelijk, maar betwisten wél het materialistische kader waarin die wetenschappelijke kennis doorgaans wordt begrepen

taede a. smedes

De komende maanden wil ik die vraag – of het tijd is om ons beeld van de werkelijkheid drastisch te herzien in het licht van het hedendaagse denken over bewustzijn – verder uitdiepen. Ik doe dat door in een serie artikelen voor Volzin op zoek te gaan naar bekende en onbekende ‘dwarse denkers’, baanbrekende wetenschappers, journalisten en filosofen die durven te krabben aan de barsten van de werkelijkheid, om van hen te weten te komen hoe zij denken over de verhouding van bewustzijn en werkelijkheid. Ik wil me in hun denkbeelden onderdompelen. Ik laat me graag verrassen.

Hoe verhoudt geest of bewustzijn zich tot materie? Zijn er aanwijzingen dat onze werkelijkheid onderdeel is van een grotere, omvattender werkelijkheid? Zijn er wegen naar zo’n ‘hoger’ bewustzijn, bijvoorbeeld via spirituele methoden als mediteren of via het gebruik van psychedelica? Kunnen onze hersenen als een radio ‘intunen’ op een alomvattend bewustzijn om zo boodschappen te ontvangen in bijvoorbeeld de vorm van artistieke inspiratie? Bestaan fenomenen als telepathie en telekinese? En kan bewustzijn de dood van het lichaam overleven? Dat zijn een aantal van de vragen die ik zal stellen. Ik weet niet waar ik zal uitkomen. Ik verwacht een achtbaanrit, ik hoop dat ik nachten wakker zal liggen van de jeuk. Ik wil filosofisch krabben om jeuk teweeg te brengen. Ik verwacht geen definitieve antwoorden te vinden. Maar wie weet zal ook ik na afloop met de woorden van de filosoof Ayer vol overtuiging tegen de rest van de wereld schreeuwen: “Jullie zijn allemaal gek!”.

Hebt u 'bovennatuurlijke' ervaringen en gebeurtenissen meegemaakt en wilt u die delen met Taede Smedes? Hij ontvangt uw mail graag via tasmedes@gmail.com.