Burgermeester Elias Freij zit tegenover mij. Het is juli 1990. We spreken elkaar in het Wind Mill Hotel in Jeruzalem.  De spanning in het Midden-Oosten die deze keer zou leiden tot het binnenvallen van Koeweit door Sadam Hoessein van Irak is tastbaar.

Ik beperk me vandaag tot Israël en Palestina. Deze burgervader van de stad Bethlehem was een geliefd én een gehaat man. Maar zeker was hij een wijs man. Hij zei: "Het conflict tussen Joden en Arabieren, zionisten en Palestijnen, Israël en de Arabische landen heeft al veel te lang geduurd. Sinds het moment van wat Israël de 'Zesdaagse Oorlog' noemt (1967) en het zich de zeggenschap over Judea, Samaria, de Golan Hoogvlakte en Gaza toe-eigende is er al lang weer een nieuwe generatie jongeren opgegroeid. Het is onze beide volkeren niet gelukt om deze nieuwe generatie de kennis bij te brengen hoe, door wie, en op welke manier de oorlogen ooit begonnen zijn. Door dit gebrek aan kennis ligt de oplossing ook verder verwijderd dan ooit."

Historische woorden met een profetisch gehalte.

Apartheid

Amnesty International constateert aan de hand van een lijvig rapport dat Israël zich schuldig maakt aan “apartheid”. In hoeverre die beoordeling van Amnesty terecht blijkt, is afhankelijk van de definitie van apartheid. Volgens het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding en bestraffing van de misdaad van apartheid uit 1973 wordt het in Artikel 2 als volgt gedefinieerd:

  • Soortgelijke politiek en praktijken van rassenscheiding en discriminatie als toegepast in Zuid-Afrika, toegepast met het doel om overheersing door een raciale groep over enige andere raciale groep te vestigen en handhaven en hen systematisch te onderdrukken.

In die periode was het apartheid-regime in Zuid-Afrika nog aan de macht. En bij dit Artikel 2 hoort ook nog het daaraan voorafgaande Artikel 1:

  • Apartheid is een misdaad tegen de menselijkheid. Onmenselijke handelingen die daaruit voortkomen en soortgelijke politiek en praktijken van raciale segregatie en discriminatie zijn misdaden die de principes van het internationaal recht schenden

Of deze definities op Israël en haar regering van toepassing zijn is onderdeel van een al jaren voortdurend politiek gesteggel. En ik kies bewust voor de term ‘politiek’ gesteggel en niet voor ‘juridisch’ gesteggel. Er kan en er mag heel veel worden gezegd over Israël zoals over heel veel andere landen wereldwijd kan worden gezegd.

Maar Israël vergelijken met het Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid is een grove onwaarheid.

Van de huidige regering van premier Bennett maakt een Arabische minister deel uit en de regering functioneert bij de gratie steun door Arabische parlementariërs. Zijn het racistische redenen dat Arabieren binnen de grenzen van Israël worden gediscrimineerd? Is er sprake binnen de samenleving van segregatie op basis van ras, zoals dat kenmerkend was in Zuid-Afrika en ook in de zuidelijke staten van de VS?

Door de be- en veroordeling van de manier hoe de Israëlische overheid en een deel van haar samenleving omgaat met de Palestijnse burger als apartheid te benoemen maakt Amnesty zich ongeloofwaardig. Als Amnesty’s bemoeienissen met de problematiek tussen Palestina en Israël vruchten zou moeten afwerpen is het essentieel dat waarachtige feiten naar voren moeten worden geschoven en geen activistische kreten. Die doen het politiek misschien goed. Maar dragen nooit bij tot een oplossing.

Apartheid en antisemitisme als valkuil

Boeiend is wel te zien dat in hun methodiek Israël en Amnesty beiden in dezelfde valkuil stappen. Amnesty, zoals gezegd, in de valkuil van het zwaaien met “apartheid”- kaart.  Maar Israël struikelt op dezelfde manier in haar repliek bij het zwaaien van de “antisemitisme”-kaart.

Beiden doen in deze discussie geen recht aan de feiten.

Inderdaad, burgermeester Elias Freij had gelijk. De oorlog heeft te lang geduurd. We weten niet meer wat de feiten van toen waren en wat de werkelijkheid vandaag is. Maar ook, door de lange duur is de wederzijdse vijandschap en negatieve beeldvorming alleen maar erger geworden. Een beeldvorming waar Amnesty nu opnieuw aan bijdraagt.

De burgermeester van Bethlehem nam zo kort voor de volgende gewapende strijd in het Midden-Oosten afscheid van mij met opnieuw historische woorden “We hebben gezien dat oorlog niet helpt, laat het dan in G’dsnaam maar vrede worden die ons tot elkaar brengt”.

Een mooie opdracht voor Amnesty International en al die partijen over wie het gaat.

Lody van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist.