Natuurlijk was er een bekeringsmoment. Ze kwam ‘onder het oordeel Gods’, haar zwarte haren rezen ten berge en zij ‘voelde de slaande hand van Satan’. Daarna was zij ‘verslonden in de drie-enige en driemaal zalige God’. Aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1921 in een terugblik op het leven van Zwart Jannetje, sekteleidster te Veenendaal, Polsbroek en Schoonhoven.

Jannetje Hootsen werd in 1860 geboren in Gelders Veenendaal, destijds gemeente Ede. Ze groeide volgens tijdgenoten op tot een knappe vrouw met zwart haar en indringende, donkere ogen en raakte al snel in de ban van bevindelijk extremisme. Een lokale oefenaar, Tijmen van Dijk, voorspelde haar dat ze voor haar examen als onderwijzeres jammerlijk zou zakken, maar dat ze een andere, grotere toekomst tegemoet ging.

Hij kreeg wat het eerste betreft gelijk. Jannetje ging ‘oude schrijvers’ lezen, zoals de boeteprediker Van der Groe en een lichtobsceen prentenboekje met extatische Bijbelse visioenen. Ze kreeg zelf dergelijke visioenen en begon mensen om zich heen te verzamelen. Een bezoeker uit Polsbroek raakte in haar ban en nodigde Jannetje uit voor huiskamerbijeenkomsten. Dat werden extatische gebeurtenissen, waar urenlang gedanst en gezongen werd, waar psalmen werden ingezet met zeer lange noten en eindigden in rondtollende rapteksten, tot de zwarte sekteleidster in extase raakte en wartaal begon uit te slaan.

Bruid van Christus

De kern van haar boodschap was dat ze de bruid van Christus was, naar de aarde gezonden als de heilige Geest, evenals Christus mens geworden en dochter van een aardse moeder. Ze was door haar lieve vader, God, en haar lieve man, Christus, naar de aarde gezonden om het tijdperk van de Geest te belichamen, het derde verbond van de drie-enige God. Zo zou er een einde komen aan het Nieuwe Testament en een nieuw begin worden gemaakt. Met beeldende Bijbeluitleg en orakeltaal betrok zij dansend en profeterend tientallen mensen bij haar geloof. Het stond vast dat ze als ‘vrouwtje van Christus’ nooit zou sterven en ten hemel zou oprijzen.

De kern van haar boodschap was dat Jannetje Hootsen de bruid van Christus was, naar de aarde gezonden als de heilige Geest, evenals Christus mens geworden en dochter van een aardse moeder

willem van der meiden

Een volgeling kocht voor haar een huis aan de Grift in Veenendaal, met een ijzeren brug over het water, zodat Jannetje in haar aardse leven haar voeten niet meer hoefde te laten bezoedelen met de grond waarop gewone stervelingen liepen. Tijdgenoten insinueerden dat haar extatische momenten als bruid van Christus losbandige taferelen hadden gefaciliteerd in menige huiskamer in de Lopikerwaard en in Veenendaal. Bij een sessie in een boerderij riep Jannetje op het hoogtepunt van haar extase de tekst uit het Hooglied: “Alles aan hem is gans begeerlijk”, waarop de nuchtere boerin zou hebben gezegd: “Is het vat weer zo vol, meid?” Kwaadsprekerij natuurlijk, zoals ook de latere omgang met de knappe rijke weduwnaar Teunis Hoogendoorn, een boer uit Polsbroek, wenkbrauwen deed fronsen, al verzekerden Jannetjes volgelingen dat het hier ging om een geestelijke verbintenis.

Notoire warhoofden

De sekte verliep, de leidster zag met lede ogen hoe haar aanhang uitdunde en overleed – toch – op 59-jarige leeftijd in 1919. Na haar dood was het met het ‘Jannegiesgeloof’ snel gedaan. Naschriften melden bijna opgelucht dat het uiteindelijk zo’n vaart niet had gelopen. De buitenwacht heeft altijd zonder enig begrip en nogal bijziend op dergelijke sektarische groepen gereageerd. Vaak werden beschrijvingen getoonzet door sensatiezucht: ongeletterdheid, dweepzucht, geruchten van seks en misdaad vormden een cocktail in de beeldvorming, die regelmatig weer werd opgediend als zich een nieuw geval aandiende.

Zo blikte dagblad Het Parool uitvoerig terug op Zwart Jannetje in 1962, toen de sekte van Lou de Palingboer alle aandacht trok. En de journalist van de NRC uit 1921 kon niet nalaten zich de vraag te stellen of Jannetjes volgelingen tot een moord in staat zouden zijn geweest, zoals in Appeltern in 1900 of op een Katwijkse logger in 1915, toen een onschuldige werd vermoord omdat hij de duivel zou zijn. En telkens wordt de vraag gesteld hoe het toch mogelijk is dat mensen zulke notoire warhoofden als Zwart Jannetje geloofden en volgden.

Wim Zaal, een halve eeuw geleden chroniqueur van ‘Nederlandse sekten en messiassen’ in Gods onkruid, heeft een nuchtere verklaring. Jannetje proclameerde zichzelf als de bruid van Christus en de heilige Geest: “Men moet niet vragen of de aanhang dat begreep, en ook niet of de aanhang dat nám. Ze begrepen het niet, dus ze namen het. Daarvoor was het een sekte.” Zaal wijst op een ander interessant verschijnsel. In sekten bepalen de volgelingen uiteindelijk het beeld en belichamen het fanatisme sprekender dan de hoofdpersoon zelf, die vrijwel steeds een sekteleider zijns of haars ondanks wordt.

De gereformeerde predikant Vellenaar, die over de sekte in 1921 werd geïnterviewd, kon er weinig kwaads over zeggen en sprak van ‘een product van Veluwse vroomheid’, ‘zeker niet gevaarlijk voor de zeden’.