Goede en kwade geesten

Boven bewegen vier paarden - roodbruin, wit, zwart en gevlekt - voor een vurige wagen van rechts naar links over het beeld. Een profetische figuur is hun menner. Het is een artistieke en vrije weergave van een visioen van de profeet Zacharja. De vier verschillende paarden (en wagens) verwijzen volgens een gangbare uitleg naar goede geesten, die de Joodse ballingen uit de vier windstreken van de aarde terug naar het land van hun vaderen zullen leiden.

Links in beeld dalen mensen - of zijn het engelen? - af in de richting van de Tora, die niet meer in de hemel is maar nu onder de mensen verkeert.

“Kunst die alleen maar mooi wil zijn en ons noch levensvragen stelt noch antwoorden wil aanreiken, heeft geen recht van bestaan.” Het staat er nogal streng, op zijn website, maar het tekent wel de ernst én de vreugde waarmee Marcus van Loopik vorm geeft aan zijn levensproject: bezielde Joodse kunst te scheppen. Een gesprek daarover in het prettig volle huis in Hilversum, waar hij met zijn vrouw Trudy woont, gaat over Joodse traditie en theologie, zin en onzin van het zogeheten ‘beeldverbod’ uit de Tien Woorden, maar ook en vooral over de ‘taal’ van de kunst, hoe samen iets visueel beleven mensen verder helpt dan met woorden en meningen mogelijk is.

Marcus’ geschiedenis hiermee begint in Utrecht waar hij vanaf zijn eerste levensjaar woonde. Zijn Joodse traditie moest hij zelf ontdekken. “Mijn vader was meer unitarisch dan bewust Joods en mijn moeder was niet-Joods. Ik heb het Jodendom meer in de zin van historische verbondenheid met het Joodse volk van huis uit meegekregen dan als religie en cultuur.”

Hoe ontwikkel je dan wel belangstelling voor de religieuze traditie waar je vandaan komt, als je die thuis niet oppikt?

“In elk geval niet op mijn christelijke lagere school in de Utrechtse Rivierenwijk. Daar botste het nog wel eens ideologisch met wat ik thuis meekreeg. Mijn vader was bijvoorbeeld een overtuigd republikein, Napoleon stond bij ons op een voetstuk, terwijl die op school gold als de baarlijke duivel. Ik mocht niet meedoen aan Koninginnedag, kreeg van thuis de opdracht om me op te sluiten in de wc als iedereen naar de feestelijkheden ging, om pas weer tevoorschijn te komen als iedereen weg was. Dan stiekem snel naar huis en daar kreeg ik het snoepgoed dat ik misliep omdat ik niet mee mocht. De school was verder erg hiërarchisch en ik heb me er vooral verveeld.

Aanvankelijk trok vooral de filosofie me, maar ook geschiedenis en oude testament. Geen dogmatiek, daar ben ik eigenlijk nauwelijks mee bezig geweest

marcus van loopik

Dat werd anders op de middelbare school, een nieuwe progressieve school op Kanaleneiland, een beetje socialistisch van opzet, voor leerlingen uit verschillende schooltypen. Je had er gezamenlijke lesuren, maar je kreeg ook les in de specifieke vakken die bij jouw schooltype hoorden. Voor mij was dat gymnasium alfa, al hield ik ook van wiskunde. Met daarnaast een aanbod in facultatieve vakken, zoals expressie in woord en gebaar, een talenpracticum, en zelfs kunstgeschiedenis en Hebreeuws. Ik heb twee jaar lessen Hebreeuws gevolgd op die school.”

Komt je belangstelling voor beeldende kunst daarvandaan?

“Nee, die had ik al veel eerder. Op de kleuterschool zeiden ze al tegen mij: Jij wordt ooit nog kunstenaar. Ik was altijd aan het tekenen en ben zolang ik me herinneren kan heel visueel ingesteld. Het gymnasium trainde mijn cognitieve vermogens, maar mijn beeldend vermogen bleef daarnaast intact. Ik onthoud eigenlijk alles in beelden. Vandaar trouwens ook mijn liefde voor Hebreeuws, een typische ‘beeldtaal’. Op het gehoor af onderscheidt die taal zich niet, maar wel in het beeldpatroon.

Ik wilde gaan studeren. Ik dacht dat psychiatrie wel geschikt voor me was, maar heb uiteindelijk voor theologie gekozen. Dat leek me een veelzijdige studie, met filosofie, veel taligheid. Ik kon thuis blijven wonen en dat ben ik met een kort intermezzo blijven doen, want ik had het goed met mijn ouders en had thuis zelfs een eigen opgang en leefruimte.”

Marcus van Loopik
Marcus van Loopik

Kwam het Jodendom in je studie al snel in zicht?

“Aanvankelijk trok vooral de filosofie me, maar ook geschiedenis en oude testament. Geen dogmatiek, daar ben ik eigenlijk nauwelijks mee bezig geweest. We kregen met een kleine groep studenten les van rabbijn Yehuda Aschkenasy, een bijzondere docent van wie ik veel heb geleerd. Daar is wel een vuurtje gaan branden. Dat had ook te maken met de groeiende bewustwording van mijn Joodse identiteit. Die is voor mij vooral historisch bepaald, niet zozeer religieus of cultureel. Identiteit kan je overkomen, die kies je niet, die is er gewoon. Ik was er voortdurend mee bezig, ook gevoed door het bewustzijn dat je nazaat bent van overlevenden. Daardoor voelde ik de plicht om die identiteit voort te zetten, opnieuw tot leven te brengen.

Ik heb sindsdien altijd Joods geleefd, zij het niet in de meest strikte vorm, maar pas vijf jaar geleden heb ik me aangesloten bij een liberaal Joodse gemeenschap in Rotterdam. Mijn broer was overleden en de lewaje (uitvaart) werd door de rabbijn van die gemeente geleid. Dat maakte veel indruk op me, daar wilde ik bij horen. Jodendom is een manier van leven, geen dogmatisch stelsel. Het doortrekt de hele cultuur, inclusief muziek en schilderkunst. Daar heb ik op mijn eigen manier invulling aan gegeven. Ik maak me wel eens zorgen over wat van die grote belangstelling voor het Jodendom, bijvoorbeeld in het christendom in de jaren ’70 en ’80, uiteindelijk overblijft. We waren en zijn toch altijd met een klein groepje gebleven.”

Op de universiteit leer je niet schilderen en etsen.

“Nee, dat heb ik mezelf aangeleerd. Ik had me toen ik midden dertig was aangemeld voor een cursus grafiek, maar die ging niet door. Toen heb ik dat maar zelf aangepakt en het bleek me bijna vanzelfsprekend te passen. Het paste in mijn niet-cognitieve, meer impulsieve belevingswereld. Ik deed promotieonderzoek bij judaïcus Albert van der Heide aan de VU en die vroeg me op een geven moment: ‘Geef me vast een eerste hoofdstuk’. Ik was stomverwonderd. Dat kan ik helemaal niet, zei ik. Ik zie als kunstenaar een heel boek voor me, geen eerste hoofdstuk!

Ik ben enerzijds zelf een meedogenloos rationalist, maar ben ook mystiek aangelegd. Dat klinkt paradoxaal, maar in die dualiteit zit kracht

MARCUS VAN LOOPIK

Het deed me denken aan het verhaal van de twee mannen die het over bidden hebben. De een declameerde uit zijn hoofd het vrij lange Achttiengebed, de ander was zo’n beetje analfabeet. De geleerde keek een beetje neer op de ander, maar vroeg de ander hoe hij dan bad. Hij zei: ik neem de eerste vijf letters van het ‘alefbet’: alef, beth, gimel, daleth, hé, leg die aan G’d  voor en vraag: ‘Zullen we er samen iets van maken?’ Je hebt een kunstwerk nooit alleen gemaakt, is mijn ervaring, er is iets door je heen gegaan.

Het proces dat je doormaakt als je een kunstwerk maakt, brengt het cognitieve en het impulsieve in je samen. Dat is met muziek ook zo. In die zin is het een therapeutisch gebeuren. Misschien is het iets voor Mark Rutte om het eens met kunst te proberen. Als graficus zet ik een paar vlekjes in een plat vlak, maar ik zie een geheel, al kan wat ik beoog ook al doende het uiteindelijke resultaat veranderen. Probeer maar eens – als je rechtshandig bent – met je linkerhand te schilderen. Je zet totaal andere hersenfuncties in werking. Ik ben enerzijds zelf een meedogenloos rationalist, maar ben ook mystiek aangelegd. Dat klinkt paradoxaal, maar in die dualiteit zit kracht. Een mens bestaat uit polariteiten en die moet je in balans zien te brengen.”

En als je nou niet zoveel met kunst hebt, er niet gevoelig voor bent?

“Ik begeleidde gespreksgroepen in Duitsland over Jodendom en christendom. Dat gesprek ging niet altijd even gemakkelijk, soms zelfs stroef. Ik nam een keer een ets van mezelf mee om het gesprek te openen. Het was onvoorstelbaar dat zo’n beeld zoveel meer effect en uitwerking heeft dan al die rationele gesprekken. Het verschil met rationeel discussiëren is dat je over kunst met iedereen kunt spreken. Door beeld en verbeelding kunnen mensen elkaar verstaan.

Beelden zijn evenals muziek een vorm van taal waarin je niets voor elkaar invult en waarin paradoxen en heuse tegenstellingen mogen blijven bestaan

marcus van loopik

Beelden zijn evenals muziek een vorm van taal waarin je niets voor elkaar invult en waarin paradoxen en heuse tegenstellingen mogen blijven bestaan. Het Jodendom leeft van de tegenstellingen, en in mijn beleving hebben die elkaar nodig, ook orthodox en liberaal Jodendom. Een bekend verhaal vertelt over een Joodse man die à la Robinson Crusoe op een onbewoond eiland strandt. Als hij veel later gered wordt, vertelt hij dat hij op het eiland twee synagogen heeft gesticht: ‘één waar ik heenga en één waar ik niet heenga’.”

Joodse kunst – dan gaat het altijd over het beeldverbod van Exodus 20. Zelfs Jeroen Krabbé begon erover in zijn tv-serie over Marc Chagall.

“Het verbod om God of een mens af te beelden is in de Joodse geschiedenis zelden absoluut beleefd en soms helemaal niet nageleefd. Het Jodendom heeft een rijke kunsttraditie, de tempel bevatte kunst en veel synagogen ook. Op sommige mozaïekvloeren van antieke synagogen stond zelfs een afbeelding van de zonnegod Helios afgebeeld. Chagall haalde zijn inspiratie uit de lokale ‘naïeve’ schilderkunst en de Russisch-orthodoxe iconen van zijn jeugd. Die werkte hij om tot zijn beroemde kleurrijke symbolische beelden, die ook mij hebben geïnspireerd.

Een kunstenaar die mij bijzonder heeft geïnspireerd, is de in oorsprong Poolse en Joodse schilder Jankel Adler (1895-1949). Evenals Marc Chagall gebruikte hij veel Joodse symboliek in zijn werk, dat hij beschouwde als een gebed aan God. Zijn kunstenaarschap was, zoals het mijne, doordrongen van mystiek. Zo eindigde Adler een van zijn Jiddische gedichten met: 'Ik wil uit de pijn van mijn ziel voor Jou citroengele kransen vlechten tot aan het diepste smaragdgroen. Aan Jouw genade wil ik mij vasthouden, en in Jou opgaan, met Jou één worden, in Jou scheppen, God!' Een tikkeltje theatraal, dat wel, maar het herinnert me aan het mystieke ervaren van mijn eigen bescheiden scheppen. Kunst als gebed: je doet het als het ware samen met God.

Je mag mensen ook niet ‘objectiveren’ tot een ‘plaatje’, je moet de ander en dus ook jezelf de ruimte geven om te veranderen

MARCUS VAN LOOPIK

Het ‘beeldverbod’ heeft met Joodse kunst niets te maken. Het gaat bij het beeldverbod er niet om dat je geen afbeeldingen mag maken, maar dat je die niet mag vereren. Dat je ze niet maakt ‘voor Gods aangezicht’, zodat ze tussen God en jou komen. Niet alleen ‘plaatjes’, maar ook meningen, redeneringen en dogmatische denkconstructies zijn ‘beelden’. God en mens leven in relatie, beiden zijn subjecten, God is het Subject bij uitstek. Je mag mensen ook niet ‘objectiveren’ tot een ‘plaatje’, je moet de ander en dus ook jezelf de ruimte geven om te veranderen. Verering staat dat in de weg. Je kunt niet iemand dwingen om iets te voelen. Je kunt het er hoogstens over eens worden wat je zou kunnen doen en wat je beter zou kunnen laten.”

Je laatste boek gaat over ‘ecologie en Jodendom’. Een zijsprong?

“Nee, ik ben altijd wel met de natuur bezig geweest, maar in coronatijd speelt het onderwerp nog veel nadrukkelijker. Ik heb moeite met het functionalisme waarmee wij met de natuur omgaan, met dat idee van het rentmeesterschap van de mens. Wij zijn geen rentmeesters en zeker geen eigenaars van de natuur, wij zijn pachters van de schepping. We moeten bij mensen – kinderen bijvoorbeeld – een intrinsieke motivatie ontwikkelen om mens en natuur voor de toekomst te bewaren. Dat doen ze in Zuid-Afrika in het onderwijs door kinderen respect bij te brengen voor de natuur. Ook voor dieren, want daar gaan we schandalig mee om. Wij zijn als mensen geschapen en dus ook deel van de natuur.”

Marcus van Loopik (1950) komt uit een gezin met een Joodse vader en een niet-Joodse moeder. Vanaf zijn prille jeugd woonde hij in Utrecht, waar hij vanaf 1970 ook theologie ging studeren. Van Loopik is freelance publicist en docent op het gebied van Judaïca en Hebreeuws.

Hij is vanaf 1978 verbonden aan de B. Folkertsma Stichting (nu Stichting Pardes: stichting voor Talmudica en interreligieuze dialoog in Amsterdam), geeft lessen in het lezen van rabbijnse teksten en is medeauteur van het blad Tenachon. Van Loopik deed wetenschappelijk onderzoek bij de VU te Amsterdam naar messianisme in Joodse liturgie, waarop hij promoveerde. Enkele jaren geleden heeft hij zich verbonden aan de liberale Joodse gemeente Kehillat Nachal Eitan in Rotterdam.

Naast tal van publicaties op het gebied van het Jodendom, werkt hij ook al sinds tientallen jaren als grafisch kunstenaar en schilder. Zijn meest recente publicatie houdt zich bezig met ‘ecologie en Joodse traditie’: Leven en laten leven. Uitgave: Mastix Press, 2020. Hij woont met zijn vrouw Trudy in Hilversum. Over zijn kunstenaarschap: www.marmora.nl. Over de stichting Pardes en Tenachon: www.stichtingpardes.nl.