In zijn artikel over de onlangs heiligverklaarde Titus Brandsma stelt Remco van Mulligen dat Christopher Lamb, Romeins correspondent van het Britse jezuïetenblad The Tablet, helemaal gelijk had toen hij onlangs de Nederlandse karmeliet geschikt achtte als beschermer van de katholieke journalistiek tegen rechtsextremistische sympathieën.

Ik ben zo vrij daar een kritische kanttekening bij te plaatsen.

Natuurlijk heeft Van Mulligen gelijk dat Brandsma grote verdiensten heeft gehad voor de ontwikkeling van de katholieke journalistiek in Nederland. Ik heb daar in mijn biografie van Titus - recentelijk opnieuw uitgegeven in een goedkopere, geactualiseerde paperbackuitgave - ruimschoots aandacht aan geschonken. Inclusief zijn, namens aartsbisschop Jan de Jong, moedige rondgang langs de directies en hoofdredacties van de zeventien belangrijkste katholieke dagbladen, in januari 1942. Hij drong er bij die gelegenheid op aan het bevel van de Bezetter te negeren om advertenties van de NSB op te nemen.

Keerzijde

De houding van de karmeliet kende echter ook een keerzijde. Die werd in november 1940 duidelijk toen de algemene Nederlandse Journalistenkring (NJK) verdampte en opging in het nieuwe, onder Duitse invloed staande, Verbond van Nederlandse Journalisten (VNJ). Drie maanden eerder was de Nederlandse Rooms-Katholieke Journalistenvereniging (NRKJV) opgegaan in de NJK om zo sterker te staan tegenover de Bezetter. Die fusie had veel voeten in de aarde gehad. Brandsma, geestelijk leider van de NRKJV en voorstander van de fusie, had zelfs met aftreden moeten dreigen voordat de aartsbisschop akkoord ging. Op voorwaarde dat de NRKJV zou blijven voortbestaan om specifieke journalistieke zaken af te handelen.

Berufsverbot

Veertien dagen na de fusie van NJK en NRKJV werd het Verbond van Nederlandse Journalisten (VNJ) opgericht. Het initiatief daartoe ging uit van de Raad van Voorlichting voor de Nederlandsche Pers (RVV). Die stond onder leiding van de rechts-radicale dr. Tobie Goedewaagen, hoofdredacteur van het ultraconservatieve blad De Waag. Bedoeling was dat het VNJ in corporatief verband zou worden opgenomen in een Nederlandse Perskamer, waarbij alle journalisten die zich ‘waardig gedroegen’ aangesloten moesten zijn. Joden gedroegen zich volgens de bezetter niet ‘waardig’ en daarom werden Joodse NJK-leden uitgesloten, wat gelijkstond aan een ‘Berufsverbot’. Wel werd voor hen een financiële overgangsregeling van kracht.

Binnen enkele dagen telde het Verbond al ruim vijfhonderd leden. Veel journalisten voelden zich aangetrokken door de belofte van betere arbeidsvoorwaarden. Ze beseften daarnaast dat men alleen met een VNJ-lidmaatschapskaart op zak nog legaal zou kunnen werken. Honderden NJK’ers sloten zich aan bij het VNJ, onder wie vrijwel alle voormalige NRKJV’ers. Dit mede op advies van Titus Brandsma.

Invloed NSB

Aartsbisschop De Jong had hem tevoren gevraagd of het Verbond een mantelorganisatie van de NSB was. ‘Nee’ luidde het antwoord. Puur juridisch gezien klopte dat ook, maar het was overduidelijk dat de NSB grote invloed had binnen VNJ en RVV. Brandsma ontkende dit niet, maar, en nu kwam de aap uit de mouw, hij vond dat als De Jong het lidmaatschap van de VNJ zou verbieden dat wel eens het einde zou kunnen betekenen van de katholieke pers.

De bisschoppen waren dat met hem eens. Ook zij vonden de prijs te hoog. Dat mede door hun besluit alle Joodse journalisten brodeloos werden, noemde men ‘betreurenswaardig’, maar het vormde kennelijk noch voor Titus noch voor het episcopaat een reden anders te besluiten.

Uitschakeling perswezen

In zijn studie over de legale Nederlandse pers in oorlogstijd concludeert René Vos: ‘Met behulp van intimidatie, het zaaien van tweedracht en andere minder fraaie middelen, was de Raad van Voorlichting der Nederlandsche Pers er in enkele maanden in geslaagd het georganiseerde perswezen in te lijven dan wel uit te schakelen. Dit tot genoegen van de Duitsers die daarmee een hoop werk en problemen werden bespaard. Van dwang of dreiging met strafmaatregelen van Duitse zijde is bij die “coup” geen sprake geweest. De oude persorganisaties waren weinig strijdvaardig en onderling verdeeld. En gingen zonder noemenswaardig verzet door de knieën’.

Dat konden ook de NRKJV en haar geestelijk adviseur zichzelf aanrekenen. Brandsma had inmiddels ook de “ariërverklaring” getekend, waarmee hij aangaf geen Jood te zijn. Hij vond dat het met de Joden wel zou meevallen. Een jaar later was hij van dit soort naïviteit genezen.

Ton Crijnen is historicus en publicist. Hij was respectievelijk redacteur buitenland bij dagblad De Tijd, adjunct-hoofdredacteur van het gelijknamige weekblad en redacteur religie en filosofie van dagblad Trouw. Van zijn hand verschenen onder meer de boeken: Nieuwe moslims en Titus Brandsma, de nieuwe biografie (recentelijk geactualiseerde herdruk) en Kardinaal Simonis, kerkleider in de branding. Komende herfst verschijnt Mgr. Dr. Herman Schaepman, politicus en dichter 1844-1903.