In de serie Wat kreeg je mee, wat geef je door? staan geloof, traditie en verschillen tussen generaties centraal. Verschillende vrouwen vertellen ieder vanuit hun eigen achtergrond wat zij van hun ouders hebben meegekregen en wat zij aan hun kinderen doorgeven.

In het portiek van Katja’s huis in de Indische Buurt in Amsterdam hangt een poster met in een regenbooghart de tekst ‘Samen Oost’. Hoewel de poster van de buurvrouw is, staat Katja honderd procent achter de boodschap. Van huis uit kreeg ze mee dat de wereld groter is dan je eigen achtertuin en dat je verplaatsen in een ander de basis is voor goed samenleven. Voor Katja is dat direct gekoppeld aan het verhaal van Jezus die ook niemand uitsloot en voor iedereen klaarstond.

Hoe zag het geloof er bij jou thuis uit? 

“We gingen iedere week naar de kerk en ik zat op een katholieke school. Het geloof was er gewoon, maar mijn ouders spraken niet veel over wat het allemaal betekende. Mijn vader wilde het geloof niet te veel opdringen, omdat hij in zijn eigen jeugd zo’n overdosis had gekregen aan gebeden, rituelen en dagelijks kerkbezoek.”

Hoe beleefde jij het kerkbezoek als kind?

“Onze kerk was een modern gebouw met stapelbare stoelen en een systeemplafond. Voor mij voelde het heel vertrouwd. Iedereen die bij de wereld van mijn jeugd hoorde, zat in die kerk. De sfeer was licht en vrijzinnig. Pastoor Meertens liet gelovigen nadenken over zichzelf en over hun rol in de maatschappij. De actieve parochianen gingen langs de deuren om geld te collecteren voor goede doelen en voor vrede op de wereld.

Het vormsel op mijn twaalfde deed ik meer omdat het erbij hoorde. Ik begon vragen te stellen aan de pastoor zoals: ‘Bestaat God?’

katja kreukels

Een fijne kerk, maar voor mij als kind ook een verplicht nummer. Ik zat vaak te dagdromen. Op mijn negende werd ik samen met een vriendinnetje misdienaar. Dat vond ik leuk omdat ik een wat actievere rol kreeg. Als de eucharistieviering begon, dekten wij de tafel en daarna droegen we de kelk met wijn als de pastoor hosties uitreikte. Soms liep hij te snel en dan klotste de wijn over de rand.”

Hoe vond je het om de communie en het vormsel te doen?

“Mijn eerste communie vond ik bijzonder. Ik was zeven en verkeerde nog in zo’n mystieke sfeer dat ik af en toe met God praatte. Maar het vormsel op mijn twaalfde deed ik meer omdat het erbij hoorde. Ik begon vragen te stellen aan de pastoor zoals: ‘Bestaat God?’. Hij legde me keer op keer geduldig uit dat de essentie van geloof is dat je gelooft, dat je vertrouwt op God en het goede in de mens, want het goede in de mens, dat is God. Maar de betovering was verbroken.”

Welk bijbelverhaal maakte de meeste indruk?

“Dat weet ik eigenlijk niet. Mijn ouders lazen nooit voor uit de bijbel. Mijn oma vertelde mij wel spannende katholieke verhalen, bijvoorbeeld over de herdertjes van Fatima en Bernadette van Lourdes die Mariaverschijningen hadden gezien. Ik zou Maria ook weleens willen zien en vroeg me af of ze mij kon zien. Ik had een beeldje van Maria in een doosje met watten onder mijn kussen gelegd. Zo waakte ze over mij.”

Wat gaf je oma nog meer mee?

“Mijn oma was zeer devoot. De flat waar ze na mijn opa’s dood ging wonen was een museumpje dat herinnerde aan de oude katholieke wereld met huilende Maria’s en kruisbeelden aan de muur. Ze had zelfs een 3D Jezus met een doornenkrans op zijn hoofd en ogen die heen en weer schoten als je er langs liep. Tijdens een logeerpartij volgden we altijd precies haar programma: ochtendgebed, naar de kerk, een bezoek aan haar rozenkransgroepje, avondgebed.

Katja Kreukels
Katja Kreukels: 'Mijn eerste communie vond ik bijzonder'

We zochten ook wel eens een familielid van haar op in een oud nonnenklooster. Ik herinner me de lange gangen en allemaal oude mensen die om de deur naar ons keken. Dan zat ik op zo’n benauwd kamertje tegenover die oud-tante. Dat voelde heel zwaar net als de kerk waar mijn oma heenging. Die was nog ouderwets met wierook en gebeden in het Latijn.”

Had je oma religieuze plannen voor jou?

“Toen ik een jaar of elf was, vroeg ze aan me of ik het klooster in wilde. Ik was flabbergasted, want ik dacht meteen aan dat oude familielid. Maar mijn oma vond het een goed idee, want als je een man trouwde, moest je die dienen, dus dan kon je net zo goed onze lieve heer dienen, dat was veel nobeler. Ze presenteerde het als een mooie roeping, maar ik heb meteen gezegd: ‘Oma dat wil ik niet’. Toen mijn ouders me kwamen halen, was ik behoorlijk overstuur en heb ik in de auto verteld wat oma had gevraagd. Mijn ouders moesten er om lachen en zeiden: ‘Je oma gaat daar niet over, maak je geen zorgen. Je mag zelf kiezen.’ Voor mijn vader was het belangrijk dat ik die vrijheid had, want bij hem was natuurlijk niet echt sprake geweest van een vrije keuze al had hij misschien het gevoel van wel.”

Waarin was jouw vader anders dan andere vaders?

“Hij had verschillende rituelen die hij met zorg uitvoerde. Als hij bijvoorbeeld ’s avonds zijn horloge afdeed, dan stopte hij dat in een doosje en zegende dat. In de auto zei hij altijd met ons een reisgebed op. Niet alleen als we op vakantie gingen maar ook op kortere afstanden. Hij droeg altijd een pak met een stropdas, zelfs op het strand of als we een dagje naar een pretpark gingen. Hij zag er representatief uit. Net als ons huis, dat was altijd netjes en klaar voor bezoek. Omdat mijn vader ouder was dan de meeste vaders en altijd dat pak droeg, vroegen kinderen soms aan mij of hij mijn opa was.”

Voelde jij je daardoor ook anders?

“Ik voelde me niet het meest vlotte kind op school, zeker niet op de lagere school. Ik was een beetje mollig, kneuzerig, niet goed in gym. Op de kleuterschool mochten we een keer blijven slapen en terwijl iedereen op een laag luchtbedje lag, lag ik op een hoge stretcher omdat mijn ouders nooit kampeerden. Ik had wel vriendinnetjes, maar ik voelde me toch anders. Een periode heb ik daar mee gezeten en zonderde me soms af. Dan klom ik in een boom om te mijmeren over hoe anders ik was.

Ik besefte: er is meer dan dit, ik moet het alleen nog gaan ontdekken. Daar ontstond ook de nieuwsgierigheid naar een grotere wereld, het idee dat het niet allemaal in Limburg hoefde te eindigen

KATJA KREUKELS

Dat kwam ook door mijn gehandicapte broer die een vorm van autisme heeft en motorisch beperkt is. Er ging thuis veel aandacht naar hem. Mijn reactie daarop was om mijn eigen gang te gaan. Dat was soms eenzaam, maar het gaf me ook een hoop ruimte om te ontdekken. Op de middelbare school ging ik ‘mijn anders zijn’ cultiveren; door in opvallende kleding te lopen of gekke oorbellen te dragen. Ik wilde uitdragen dat ik niet in een groepje hoefde maar liever tussen de groepjes laveerde.”

Kon God je troosten op die eenzame momenten?

“Ik voelde me wel verbonden met iets hogers, wat troost gaf, maar dat was niet per se een God of Maria. In die boom creëerde ik een eigen dimensie waar ik mezelf prettig in voelde. En ik besefte: er is meer dan dit, ik moet het alleen nog gaan ontdekken. Daar ontstond ook de nieuwsgierigheid naar een grotere wereld, het idee dat het niet allemaal in Limburg hoefde te eindigen.”

De zomervakantie voordat je naar Tilburg vertrok om daar journalistiek te studeren, vertelde je vader dat hij priester was geweest. Hoe ging dat?

“Op het terras van een lunchroom vertelde hij rustig dat hij voordat hij een gezin had gesticht een heel ander leven had geleid namelijk als priester. Voor mij was dat een complete verrassing. Ik probeerde me voor te stellen hoe hij achter een altaar stond in een priestergewaad. Dat voelde onwennig en vreemd.

Tegelijkertijd vielen er ook dingen op zijn plek: zijn liefde voor orgelmuziek, zijn kleine rituelen. Maar dat dit er achter zat, had ik nooit gedacht. Ik moest het zien om het te geloven. Toen hij thuis de foto’s liet zien van zichzelf in een zwarte toog met witte boord en van zijn priesterwijding, realiseerde ik me dat het een groot stuk van zijn leven was geweest. Dat had ik wel eerder willen horen.”

Waarom vertelde hij het toen pas?

“Hij wilde dat ik oud genoeg was om het te begrijpen. Ik denk ook dat hij het lastig vond om in zijn nieuwe leven over zijn oude leven te vertellen, omdat hij dat laatste helemaal had afgesloten. Hij was echt opnieuw begonnen, heeft ook een tijd geen contact gehad met de montfortanen, de congregatie waar hij bij hoorde. Toen ik het huis uit ging moest hij wel, ook omdat hij bang was dat ik er via anderen achter zou komen. Mijn oma had zich best weleens kunnen verspreken. Misschien was haar vraag of ik naar het klooster wilde gaan een hint in die richting.”

Waarom werd je vader priester?

“Zijn vader wilde priester worden en dat is niet gelukt. Zijn gezondheid liet het niet toe om de hogere priesterstudie te voltooien. Mijn vader nam als oudste zoon het besluit zijn pad af te maken. Ik denk dat hij het ook prettig vond om iets te doen waar anderen blij mee waren en waar hij respect voor kreeg. Het sprak hem ook aan dat een pastoor een belangrijk iemand is in de gemeenschap, iemand naar wie mensen luisteren en tegen opkijken.”

In 1965  werd je vader op zijn 27ste gewijd als priester. Vier jaar later trad hij uit.  Waarom?

“Hij werd naar IJsland op missie gestuurd, maar dat viel tegen. Hij verstond de taal niet, de priesters die daar al zaten lieten hem aan zijn lot over. Hij had liever in een parochie in Limburg of Duitsland gezeten, maar je hebt niets te kiezen. Na twee jaar mocht hij naar een parochie in Bonn om oecumene te studeren. Hoewel hij het daar meer naar zijn zin had, was er in IJsland iets gaan schuren. En dat werd versterkt doordat hij in Bonn in aanraking kwam met het studentenleven. Hij ging naar cafés, concerten en werd verliefd op een meisje.

In een kerk komt iedereen binnen net als in een Ierse pub. Daar doet het er niet toe wat je ouders doen of wat voor kleren je draagt. Iedereen is welkom

KATJA KREUKELS

In Bonn voelde hij dat er nog veel meer in hem zat dan alleen het geloof. De komst van de nieuwe paus, Paulus VI – die niet zo vernieuwend was als zijn voorganger – maakte het er ook niet beter op. Toen heeft hij zijn twijfels op tafel gelegd bij zijn biechtvader en ten slotte besloten dat hij een ander leven wilde.”

Wat vonden zijn ouders daarvan?

“Hij ging in Amsterdam wonen om tot rust te komen om zich te bezinnen op zijn verdere leven. Hij schreef een brief aan zijn ouders en vroeg een bevriende montfortaan om zijn keuze persoonlijk toe te lichten. Zijn ouders waren natuurlijk niet blij. Het heeft een tijd geduurd voordat ze weer met elkaar spraken en dat vond mijn vader heel moeilijk. Uiteindelijk hebben ze hem niet verstoten, maar het bleef pijnlijk dus er werd met geen woord meer over gesproken.”

Meer dan vijfentwintig jaar na zijn bekentenis publiceerde je een boek over de priestertijd van je vader en over het katholieke leven in Limburg. Wat deed het schrijven daarover met jouw geloofsbeleving?

“Ik heb veel ontdekt over de kerk, de geschiedenis ervan en over de betekenis van rituelen. En door de interviews die volgden, toen het boek verscheen, besefte ik hoe belangrijk die kerkgemeenschap voor mij is geweest, en dat terwijl ik niet van groepjes houd. Het fijne van zo’n gemeenschap is dat die niet bestaat uit één groepje, maar verschillende groepen in zich verenigt. In een kerk komt iedereen binnen net als in een Ierse pub. Daar doet het er niet toe wat je ouders doen of wat voor kleren je draagt. Iedereen is welkom.”

Waar vind je die gemeenschap nu?

“Het is niet zo makkelijk om zo’n gemeenschap op een andere manier te vinden. In de Indische Buurt heb ik vroeger met buurtgenoten veel georganiseerd, zoals poëziemiddagen, een atelierroute, een boekenmarkt. Dat vond ik leuk, omdat je met zoveel verschillende mensen in contact komt. Dat ongedwongen samenzijn ontbreekt compleet in deze tijd, waarin iedereen in zijn eigen bubbel leeft en verschillen tussen groepen alleen maar worden uitvergroot en uitgespeeld. Mensen moeten elkaar ontmoeten. Ze hoeven niet beste vrienden te worden, maar het is belangrijk dat ze elkaar wel zien en spreken.”

Zie je daar een rol voor jezelf weggelegd?

“Ik moet bekennen dat ik wel een soort herderlijk gevoel in me draag. Vorig jaar september gaf ik een lezing over mijn boek in een protestantse kerk in Leiderdorp. Ik stond daar op een verhoging achter een kansel en riep de mensen op om hun verhalen te delen met hun kinderen en kleinkinderen, omdat het belangrijk is dat ook tussen generaties de deurtjes opengaan. Toen werd de priester in mij even wakker. Het voelde lekker om iets wat je zinnig vindt te vertellen aan zoveel mensen in één gebouw. Ik wil dat nog meer gaan doen: schrijven en het gesprek aangaan over geloof en zingeving.”

Je dochter Rosa is zeven. Wat geven jij en je man haar aan geloof mee?

“Mijn man komt uit een gereformeerd nest maar is niet gelovig. We vinden vooral de sociale kant belangrijk. We leren haar dat je niet in je eentje leeft, dat het belangrijk is om vrienden te hebben, dingen te delen en anderen te helpen, én om niemand uit te sluiten.

Ik ben blij dat Rosa wel het hart op haar tong heeft. Zeg het maar gewoon, je hoeft je nergens voor te schamen. Laat jezelf zien. Die power gun ik haar

KATJA KREUKELS

We lezen de kinderbijbel voor en op vakantie nemen we haar wel eens mee naar een kerk of een klooster. Rosa zegt dat ze gelooft dat er een God is. Ze weet ook dat haar opa een priester is geweest, maar daar heeft ze nog geen concreet beeld bij. Als ze ouder is, wil ik haar meenemen naar de kerk, moskee, synagoge en tempel om haar kennis te laten maken met allerlei godsdiensten, te laten ontdekken dat het voor mensen belangrijk is en dat het op allerlei manieren kan worden ingevuld.”

Wat wil je anders doen?

“Toen mijn ouders opgroeiden werd er minder over gevoel gepraat. In mijn jeugd verschoof dat langzaam. Maar dat bewuste opvoeden van tegenwoordig en de openhartige manier van praten over je gevoel was er toen nog niet. En zeker niet in Zuid-Limburg waar de omgangsvormen indirecter waren en in zekere zin nog steeds zijn. Om de harmonie te behouden, laat je niet het achterste van je tong zien en kijk je soms weg. Als mijn ouders teruglezen dat ik me weleens alleen heb gevoeld of anders, dan zullen ze daar van opkijken. Ik ben blij dat Rosa wel het hart op haar tong heeft. Zeg het maar gewoon, je hoeft je nergens voor te schamen. Laat jezelf zien. Die power gun ik haar.”

Katja Kreukels (1974) is journalist en cultuursocioloog. Ze schrijft voor uiteenlopende kranten en bladen als Trouw, Volzin, OMG Magazine en Ons Amsterdam over religies en culturen in Nederland. In 2019 verscheen haar boek Mijn vader was priester bij uitgeverij Querido. Katja woont samen met haar man en dochter Rosa in Amsterdam-Oost.

Dit verhaal is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.