‘Zelf stralen is niet hetzelfde als anderen verlichten.’ Zo luidt een van de rake aforismen die de Franse schijfster en mystica Madeleine Delbrêl (1904-1964) de hoofdpersoon van postume boek Alcide, le petit moine in de mond legt. Veel van de aforismen in haar boek gaan over nederigheid. Misschien is dat omdat Delbrêl graag schreef in de vorm van korte, puntige uitspraken, maar misschien ook omdat het niet eenvoudig is om op een andere manier dan in aforismen goed over nederigheid te spreken. Wie zichzelf presenteert als nederig, klinkt immers meteen arrogant. Wie betoogt dat anderen nederiger zouden moeten zijn, klinkt meteen onderdrukkend.

Er lijkt iets paradoxaals te kleven aan de nederigheid: aan de ene kant is het een ideaal dat zo bescheiden is dat het de verdenking op zich laat dat het een mens te klein maakt. Aan de andere kant is het een ideaal dat zo hoog is dat zelfs ernaar zeggen te streven iemand al verdacht maakt van hoogmoed. Op die beide bezwaren tegen nederigheid wil ik wat dieper ingaan.

Vernedering

Het eerste bezwaar tegen nederigheid als ideaal is dat het iets lijkt te zijn dat een mens klein maakt. Is nederigheid niet vernederend? En is dat niet een voldoende reden om niets van nederigheid te willen weten? Het lijkt mij dat het verband tussen nederigheid en vernedering inderdaad meer omvat dan een louter taalkundig verband, maar dat op zich hoeft nog niet tegen nederigheid als een nastrevenswaardig ideaal te pleiten. Het is in deze context nuttig om onderscheid te maken tussen verschillende soorten vernedering. In zijn boek Barefoot disciple onderscheidt de anglicaanse theoloog Stephen Cherry er drie.

Opzettelijke vernedering gebeurt wanneer de ene persoon de ander vernedert. Dat kan met kleinerende woorden gebeuren, door pesten, door een vorm van discriminatie, door seksuele intimidatie of door iemand met opzet te negeren. De lijst is niet uitputtend, maar waar het om gaat, is: waar dit gebeurt, wordt een mens onrecht aangedaan, en wie een dergelijke vorm van vernedering ervaart of waarneemt, voelt terecht de neiging opkomen om in verzet te gaan.

Het eerste bezwaar tegen nederigheid als ideaal is dat het iets lijkt te zijn dat een mens klein maakt. Is nederigheid niet vernederend?

stefan mangnus

Natuurlijke vernedering vindt plaats wanneer onze capaciteiten verminderd zijn. Ouder worden, ziekte of een ongeluk kunnen maken dat dingen die we op jongere leeftijd met groot gemak deden, moeilijker geworden zijn: we lopen minder hard, hebben een bril nodig of vergeten sneller namen. Sommige van deze zaken ervaren mensen als meer vernederend dan andere: het lijkt in onze cultuur gemiddeld gemakkelijker om toe te geven dat je een bril nodig hebt dan dat je vergeetachtig wordt of het niet goed meer lukt om zorg te dragen voor je persoonlijke hygiëne. Hoewel dit soort vermindering van capaciteiten natuurlijke oorzaken heeft, ervaren mensen het als vernederend, moeilijk te aanvaarden, en gênant.

Morele vernedering is de vernedering die komt wanneer mensen hun intellectuele, fysieke of morele capaciteiten overschat hebben: het is de spreekwoordelijke val die komt na de hoogmoed. Een voorbeeld: Ik dacht na de verhuizing die kast zelf wel weer even in elkaar te zetten, maar ook bij mijn derde poging kan ik de steunen niet loslaten zonder dat de kast in elkaar valt, staat het zweet me op het voorhoofd, en zijn de schroefjes op. Morele vernedering kan, maar hoeft niet te gebeuren voor het oog van anderen: ook iets dat niemand anders ooit zal weten kan maken dat ik mezelf tegenval, en die teleurstelling is vernederend.

Hoewel alle drie de vormen van vernedering onaangenaam zijn, is er een wezenlijk verschil. Bij de laatste twee vormen, natuurlijke en morele vernedering, ontdekken we dieper wie we zijn of zijn geworden. Opzettelijke vernedering is daarentegen juist een aanval op wie we zijn. Ontdekken dat ik niet goed meer zonder rollator kan, of ontdekken dat het me toch niet lukt om die kast in mijn eentje in elkaar te zetten kan vernederend zijn, maar nodigt me ook uit tot meer realisme ten aanzien van mezelf. Dat gewonnen realisme is de winst die de gevoelde vernedering tot een goed maakt: hoe pijnlijk ook, hier heb ik iets over mezelf geleerd. Het is dit realisme dat de ervaren vernedering omvormt tot gewonnen nederigheid. Nederigheid betekent meer van de waarheid houden dan van mijn ego.

Zelfvergetelheid

Het andere bezwaar tegen nederigheid heeft iets ironisch. Er bestaat een nederigheid die alleen voor de bühne is, een valse bescheidenheid, en de angst dat onze nederigheid vals zou kunnen zijn maakt verlegen en ongemakkelijk. De ironie bestaat erin dat dit soort aarzelingen ons op onszelf richt (“Is mijn verlangen naar nederigheid wel oprecht?”), terwijl nederigheid nu juist de deugd is die zelfvergetelheid aanmoedigt. Nederigheid is noodzakelijkerwijs iets dat gebeurt als je niet kijkt.

Nederigheid is dus niet een permanente staat van zelfbeschuldiging, want dat constante jezelf klein maken kan zelf een vorm worden van egocentrisme: iemand die geobsedeerd is door zijn eigen tekortschieten is niet bij voorbaat minder op zichzelf gericht dan iemand die constant zijn eigen successen van de daken schreeuwt. De anonieme schrijver van het veertiende-eeuwse mystieke werk The Cloud of Unknowing definieert nederigheid als “jezelf zien zoals je echt bent.” Daar hoort een eerlijke erkenning van de eigen tekortkomingen bij, maar het is niet het hele verhaal.

Zelfkennis kan niet eindigen in een bewustzijn van fouten en tekortkomingen, maar opent zich naar God toe, de diepste grond van ons bestaan

stefan mangnus

De schrijver van The Cloud suggereert dat door op een opmerkelijke manier twee soorten nederigheid te onderscheiden. Hij maakt een onderscheid tussen onvolmaakte en volmaakte nederigheid, en noemt het kennen van de eigen tekortkomingen ‘onvolmaakte nederigheid’. Je eigen tekortkomingen en zonden leren kennen is groeien in realisme, en daarmee een eerste, nog onvolmaakte vorm van nederigheid. Volmaakte nederigheid bestaat er voor de schrijver van The Cloud in dat iemand zichzelf kan ervaren in het licht van Gods goedheid en liefde, vanuit die ervaring zichzelf kan vergeten en niet langer geobsedeerd is door categorieën als ‘heilig’ en ‘zondig’.

Zelfkennis kan niet eindigen in een bewustzijn van fouten en tekortkomingen, maar opent zich naar God toe, de diepste grond van ons bestaan. Als mijn nederigheid volmaakt geworden is, aldus de schrijver van The Cloud, sta ik niet meer centraal, ook mijn tekortkomingen niet, maar staan Gods liefde en barmhartigheid centraal, dat wat mij op ieder moment van mijn leven mijn bestaan schenkt.

Dit is nuttig advies voor mensen met een al te ijverig schuldgevoel: Als nederigheid te maken heeft met het loslaten van een gerichtheid op onszelf, dan hoort daar dus ook bij dat we het gevoel een mislukkeling te zijn loslaten. Dat loslaten kan gaan gebeuren wanneer een mens zich meer en meer gaat realiseren dat niet hijzelf de diepste grond is van zijn bestaan, dat noch zijn successen noch zijn fouten bepalen wie hij is, maar dat onder alle mooie en lelijke kanten die bij zelfkennis horen de diepere zelfkennis ligt dat hij gewild en geliefd is door God. In de woorden van Marcus de Kluizenaar, een woestijnmonnik uit de vijfde eeuw van onze jaartelling: “Nederigheid bestaat niet in het veroordelen van ons geweten, maar in het kennen van Gods genade en barmhartigheid.”

Een kerkelijke deugd

Tot nu toe heb ik naar nederigheid gekeken als de deugd van een individuele persoon. Bestaat er ook zoiets als gemeenschappelijke nederigheid? Richard Gaillardetz heeft hierover geschreven. Gaillardetz is een rooms-katholiek theoloog, gespecialiseerd in het denken over de kerk. In alle bescheidenheid denk ik dat wat hij schrijft ten aanzien van de rooms-katholieke kerk mutatis mutandis ook van toepassing is op andere christelijke kerken. In zijn boek over het Tweede Vaticaans Concilie, getiteld An Unfinished Council, beschrijft  Gaillardetz nederigheid als 'een kerkelijke deugd'.

De leerlingen van Jezus samen naar Hem kijken als een voorbeeld van nederigheid, als degene die nederigheid voorleefde door 'zich er niet aan te willen vastklampen gelijk aan God te zijn'

stafan mangnus

Daarmee bedoelt hij niet in eerste instantie dat de leerlingen van Jezus samen naar Hem kijken als een voorbeeld van nederigheid, als degene die nederigheid voorleefde door “zich er niet aan te willen vastklampen gelijk aan God te zijn”, maar “arm te worden opdat wij rijk zouden zijn”, zoals in de Bijbel over Hem gezegd wordt. Het is wel waar dat christenen naar Jezus kijken als een voorbeeld in nederigheid, maar dat op zich maakt het nog niet tot een kerkelijke deugd.

Nederigheid als kerkelijke deugd houdt voor Gaillardetz drie dingen in. Ten eerste past de kerk een eerlijke en kritische blik naar zichzelf, vanuit de zelfkennis dat zij een pelgrimsvolk is, een groep mensen die op weg is naar Gods koninkrijk, maar daar nog niet aangekomen is. Deze zelfkennis van de kerk als pelgrimsvolk maakt het haar mogelijk een juist midden te vinden tussen twee excessen: het neotriomfalisme van sommige katholieke apologetiek enerzijds, en het zonder enige nuance afkraken van de kerk door sommige van haar critici, zowel binnen als buiten de kerk, anderzijds.

Ten tweede betekent kerkelijke nederigheid dat de kerk niet al haar aandacht op zichzelf mag richten, maar gericht blijft op de Geest van Christus, van wie zij alles ontvangt. Enige zelfvergetelheid past dus ook de kerk. Deze zelfvergetelheid heeft consequenties voor het spreken over kerkelijke leer, omdat zij de kerk er steeds aan herinnert dat de kerk de waarheid niet bezit, maar zelf door de waarheid die God is in bezit genomen is, en geroepen is om naar die Waarheid toe te leven.

Deze zelfvergetelheid heeft ook consequenties voor de manier waarop de kerk zich verhoudt tot de wijdere wereld waarbinnen zij zich beweegt: ze heeft die wereld iets te bieden en er iets van te leren, en heeft dus belang bij open dialoog, en bij de dingen die voor een open dialoog nodig zijn: waardering voor vragen en voor twijfel, nieuwsgierigheid en een luisterende houding. In die openheid en ontvankelijkheid voor wat in de bredere samenleving plaatsvindt, wordt een gerichtheid op de ander zichtbaar die essentieel is voor kerkelijke nederigheid.

In die openheid en ontvankelijkheid voor wat in de bredere samenleving plaatsvindt, wordt een gerichtheid op de ander zichtbaar die essentieel is voor kerkelijke nederigheid

stefan mangnus

Ten derde heeft nederigheid als kerkelijke deugd consequenties voor de wijze waarop in de kerk met macht omgegaan wordt. Gaillardetz merkt op dat in de documenten van het Tweede Vaticaans Concilie macht in de kerk, bij voorbeeld de macht van hen die een kerkelijk ambt bekleden, bijna nergens beschreven wordt als een macht die dwingt of heerst, maar er consequent gekozen is voor de taal van de dienst en de samenwerking. In de plaats van beelden van overheersing staat het pastorale beeld van het herderschap centraal, en daarmee de verantwoordelijkheden om van de kudde te leren en er zorg voor te dragen.

Het ideaal van nederigheid als een kerkelijke deugd, van een kerk die van harte eerlijk en kritisch naar zichzelf kan kijken, een kerk die niet zichzelf centraal stelt en een kerk die pastoraal is in plaats van klerikaal, lijkt mij voor de kerk van groot belang.

Een mooie nederigheid

Wie het geluk heeft een nederig mens te ontmoeten, ontmoet vaak een mooi mens: iemand die het niet nodig heeft om altijd in de schijnwerpers te staan, maar die het midden van het podium leeg kan laten; iemand die weet dat jezelf af en toe hopeloos voor gek zetten bij het leven hoort, en die weet dat dat niet erg is, omdat zij er op durft te vertrouwen dat er van haar gehouden wordt. Mensen die nederig geworden zijn, zijn daarom vaak zo grappig: ze durven om zichzelf te lachen. Mensen die nederig geworden zijn, zijn daarom vaak ook zo moedig: ze durven de werkelijkheid aan, ook als die werkelijkheid hen laat zien dat zij niet de grote held van het verhaal zijn.

Ondanks haar schijnbare impopulariteit is nederigheid een mooie deugd, nastrevenswaardig. Dat roept de vraag op: Kan iemand zichzelf nederig maken? Stephen Cherry beantwoordt die vraag met ja en nee, en ik denk terecht. Ja, het is mogelijk om nederigheid te cultiveren door zich te oefenen in praktijken die zelfvergetelheid bevorderen: Geduld oefenen en om hulp vragen zijn goede eerste stappen op weg naar nederigheid. Tegelijkertijd kunnen we de nederigheid die in ons gegroeid is, nooit claimen als onze eigen prestatie. Hooguit kunnen we ontdekken dat ze ons gegeven is, omdat we anders naar de wereld zijn gaan kijken en anders, en wat minder, naar onszelf. Ooit omschreef iemand nederigheid als “de droom dat er een einde komt aan onze ijdelheid.” Dat is een droom om te koesteren.

Stefan Mangnus is dominicaan en theoloog.