“Boeken, boeken, boeken.” In zijn huis in Praag, de Tsjechische hoofdstad, draait priester Tomáš Halík (72) de camera van zijn laptop rond. De Tsjech heeft zich omringd met boeken, precies zoals hij ook als enig kind is opgegroeid. Die omnipresentia van boeken symboliseert zijn onstilbare intellectuele avontuurzucht. Maar óók zijn bevoorrechte jeugd als zoon van een Praagse bibliothecaris.

Halíks jeugd was niet-religieus, opvallend genoeg. De republiek Tsjecho-Slowakije ontstond in 1918, na het eind van de Eerste Wereldoorlog. Die oorlog betekende ook het einde van Oostenrijk-Hongarije, de dubbelmonarchie waarvan de Tsjechen lange tijd onderdeel waren geweest. De nationalistische weerzin tegen de voormalige overheersers in Wenen ging vergezeld met een weerzin tegen de kerk. ‘Los-von-Wien-Los-von-Rom’ was de lijfspreuk van vele Tsjechen die de kerk verlieten.

De vader van Halík was een van die kerkverlaters. De jonge Tomáš  groeide daarom op in een seculier gezin, gevoed door een geloof in wetenschap en vooruitgang. Het was een grote verrassing dat Halík op zijn achttiende toch christen werd. Die verrassing nam slechts toe toen Halík onder het communisme besloot clandestien priester te worden in de ondergrondse kerk van Tsjecho-Slowakije.

Autobiografie

Aanleiding voor het videobelgesprek met Halík is de publicatie eind 2020 van zijn autobiografie In het geheim geloven. Dit boek werpt licht op de bron van Halíks onbevreesde houding tegenover atheïsme en secularisering. Tsjecho-Slowakije was al voordat het communisme de Tsjechische kerk zou gaan knevelen een opvallend atheïstisch land. Doordat ook hijzelf zonder geloof is opgevoed, is Tomáš  Halík al zijn leven lang gewend een open geest te houden. Hij is allesbehalve dogmatisch.

Typerend voor Halík is dat hij als priester het atheïsme niet ziet als een fenomeen dat overwonnen moet worden, maar als iets waar de kerk begrip voor moet hebben en zelfs van kan leren

jurgen tiekstra

Typerend voor Halík is dat hij als priester het atheïsme niet ziet als een fenomeen dat overwonnen moet worden, maar als iets waar de kerk begrip voor moet hebben en zelfs van kan leren. “Atheïsme is een nuttige antithese tegenover een naïef, vulgair theïsme”, schreef hij in zijn eerder verschenen boek Geduld met God. Atheïsme kan volgens hem een tussenstap zijn naar “synthese en volwassen geloof”.

“Ik denk dat er altijd de verleiding is dat we te gefixeerd raken op ons eigen concept van God, op onze eigen ideeën, waardoor we het geloof doen veranderen in een ideologie, en zelfs in afgoderij”, vertelt Halík in mijn interview met hem. “Van tijd tot tijd is het belangrijk die beelden te vernietigen, omdat God áchter al die beelden zit. De religieuze taal is een taal van symbolen en metaforen, en we bevinden ons altijd in de verleiding om die symbolen als laatste waarheden te zien. Maar dat zijn ze niet. Die beelden zijn alleen maar de vinger die naar de maan wijst, niet de maan zelf.”

Zelfverbranding

Halík vertelt ook over de zelfverbranding van Jan Palach in januari 1969, uit een protest tegen de communistische overheersing. Jan Palach was een leeftijdsgenoot die aan dezelfde faculteit als Halík studeerde. Halík raakte overtuigd dat ook hijzelf zijn leven aan iets groters moest toewijden. Hij besloot priester te worden, clandestien ingezegend in Oost-Duitsland.

Halík is een toegankelijke man, ook al wist hij als een kind dat opgroeide tussen volwassenen nauwelijks hoe hij met andere kinderen moest omgaan. Af en toe ontsnapt hem nog een uit licht sociaal ongemak geboren lach. Maar de oprechte omgang met allerlei zoekende mensen is de kern van wat hij doet, als pastor van een studentenparochie in Praag en als hoogleraar aan de Karelsuniversiteit.

Zijn toewijding is groot, dankzij niet alleen Palach maar ook dankzij zijn eigen karakteristieke bevlogenheid. Zoals hij in zijn boek met enige zelfspot een zin van de Russische schrijver Toergenjev citeert: “Hoe kunnen wij aan de middagmaaltijd gaan als wij de vraag naar de zin van het leven nog niet hebben opgelost?”

Lees ook