Op de dag dat mijn man hoort dat hij de huidkanker melanoom heeft, op 16 november 2011, lees ik voor het slapengaan een bijbelverhaal voor aan onze kinderen van 6 en 7 jaar. Het gaat over de weduwe van Sarefat die met haar zoontje in een tijd van grote droogte een broodje wil bakken van het laatste beetje meel en olie dat ze heeft, om daarna samen te sterven.

Dan vraagt de passerende profeet Elia haar om eten te maken voor hem, van dat laatste beetje, en hij belooft haar dat er altijd meel in de pot zal zijn en dat de oliekruik niet leeg zal raken tot het weer regent. Ze bakt het en zo gebeurt het. Ze overleven de droogte. Er blijkt altijd genoeg. Het verhaal doet me die avond huilen, de kinderen kijken me verbaasd aan, ik druk ze tegen me aan. Ik heb hoop en weet: er komen zware tijden, maar er zal altijd genoeg zijn. God zal voorzien.

Nu, negen jaar later, waarvan zeven jaar als weduwe, met twee pubers, denk ik vaak terug aan dat verhaal. Er was inderdaad altijd genoeg, maar niet zonder een crisis waarin geen geloofssteen op de andere bleef staan. Was het God die voorzag, het universum of gewoon ikzelf? Geloof ik überhaupt nog, en wat dan? Ben ik een afvallige of juist geloviger, meer christen dan ooit?

Het eerlijke antwoord is dat ik het niet weet en me afvraag of dat nieuwe geloof nog iets moet heten, terwijl de journalist in mij naar woorden zoekt. Als mijn studenten mij vragen wat ik zelf geloof – ik geef onder meer levensbeschouwing aan de Utrechtse School voor Journalistiek – haspel en stotter ik zo dat ik mij ervoor verontschuldig. Ze willen liefst een hokje. Christen, iets, niets? Maar ik weet het niet. Ik noem een combi van christendom, humanisme, boeddhisme en taoïsme. Te vaag, ik zie het aan ze. Spiritueel? Ook niet.

Ook mijn uitingsvormen helpen niet: soms naar de kerk, een retraite, yoga, dagelijks mediteren: zen, mindfulness, christelijke meditatie.

Terwijl ik dit schrijf, voel ik meteen een oordeel vanuit het verleden met termen als syncretisme, destijds new age genoemd. Alle religies op een grote hoop. Het hellende vlak. Het begin van het einde. Hoe kan het voor mij dan voelen als een begin, met eindelijk een gevoel van leven, vrijheid en ruimte voor mezelf maar ook van verlies en schuldgevoel vanwege het vroegere adagium dat je dé waarheid niet mag ontkennen, dat je gevoel nooit leidend mag zijn, het heil dan misloopt, wat je niet eens meer ambieert, maar toch?

Terugdraaimuziek

Ik kom uit een fundamentalistisch, evangelisch milieu waar alles duidelijk was. De wereld was buitengewoon overzichtelijk ingedeeld in ‘wij’ en ‘zij’. Zij, die niet geloofden in Jezus als de enige weg tot het heil en dus naar de hel gingen, stonden aan de ene kant en dienden bekeerd te worden. Wij, die het licht hadden gezien en dus naar de hemel gingen, stonden aan de goede kant van het spectrum. Wij hadden een RPF-poster op het raam, een EO-sticker op de auto, mijn opa was pinksterpredikant en mijn vader preekte af en toe in onze vrije evangelische gemeente.

Zij, die niet geloofden in Jezus als de enige weg tot het heil en dus naar de hel gingen, stonden aan de ene kant en dienden bekeerd te worden. Wij, die het licht hadden gezien en dus naar de hemel gingen, stonden aan de goede kant van het spectrum

Pauline Weseman

Ik vroeg op de basisschool subiet een ander schrift als de symbolen op de kaft te veel op sterrenbeelden leken, bang als ik was voor de verderfelijke invloed van astrologie. De honende reacties van klasgenoten sterkten mij in mijn positie van uitverkorene. Ik wilde niet naar feestjes waar geschuifeld werd tussen jongens en meisjes. Dat was werelds. In de kerk waren lezingen over het duivelse getal 666 in streepjescodes en de geheime boodschappen van de duivel in terugdraaimuziek. Daarna kon ik nooit meer naar Purple Rain van Prince luisteren zonder ‘God is a traitor’ te horen, ook al vond ik het nummer stiekem best goed.

Er waren filmavonden met apocalyptische, Amerikaanse films over de Grote Opname waarin Jezus terugkwam naar de aarde en zijn gelovigen ophaalde. Een film die mij slapeloze nachten opleverde en waarna ik altijd zorgde dat mijn kamer was opgeruimd, want stel je voor dat de Heer terugkwam en dat de achtergebleven goddelozen je rommelige kamer aantroffen. Alsof dat hun grootste schok zou zijn als er ineens duizenden mensen van de aardbodem waren verdwenen, dacht ik later, maar zo kritisch durfde ik niet te zijn. Later ging ik naar de Evangelische School voor Journalistiek, kwam bij de EO te werken en zo leek alles binnen die zuil uitstekend beklonken voor de rest van mijn leven.

Feilbaar

Vrijwel meteen ontstonden er scheurtjes in dat rotsvaste geloof, om de eenvoudige reden dat het leven niet zo overzichtelijk in elkaar bleek te zitten. Homoseksualiteit zou tegennatuurlijk zijn, maar ik kreeg homovrienden die hartverscheurend worstelden met hun geloof, niet mochten zijn die ze zijn of – ik weet niet wat erger is – het wel mochten zijn, maar het niet mochten ‘praktiseren’. En ik ontmoette mijn man Boudewijn die uit een andere kerk (met de kinderdoop in plaats van de enige geoorloofde volwassendoop) kwam, maar toch mijn vent was, kreeg best aardige niet-christelijke vrienden en zag echtscheidingen die de beste oplossing bleken, ook al mocht de mens niet scheiden wat God verbonden heeft.

Zij bleken wij en wij bleken zij. Mens. Feilbaar. Kwetsbaar. Zoekend. Oprecht.

Dat zoeken, iets niet zeker weten, verwarde mij, maar ik zag geen alternatief. Wel brak ik met dat oude geloof, veranderde van baan, verliet mijn evangelische gemeente, verhuisde en trouwde met Boudewijn. Ik belandde in een crisis, wilde niet terug, moest door, maar wist niet waarheen. De weg op het hellende vlak was ingezet.

Zij bleken wij en wij bleken zij. Mens. Feilbaar. Kwetsbaar. Zoekend. Oprecht’

Pauline Weseman

Dit raakte in een stroomversnelling tijdens mijn studie religiewetenschappen. Op een studiereis naar India in 2010 langs hindoes, sikhs, jaïns, moslims en boeddhisten vroeg ik mij af: wat is er mis met deze mensen, met hun religieuze context waarin zij toevallig zijn geboren en waaraan zij in alle oprechtheid vorm willen geven, er voor anderen willen zijn? De een na de andere orthodoxe overtuiging sneuvelde, tot en met de fysieke opstanding van Jezus uit de dood.

Onderweg vond ik nieuwe ankers. De harde realiteit van het leven na het overlijden van mijn moeder bracht me naar de Oud-Katholieke Kerk waarin ik ruimte ervoer voor het lijden en het aardse door liturgie en rituelen. Ik leerde geloof niet meer te zien als beperking, maar als verruimend. Geboden (gij zult leven) in plaats van verboden (gij zult niet doden).

Zelfverloochening

Mijn man overleed op 25 september 2013. Dat het leven niet altijd loopt zoals gewenst, dat niet iedereen geneest, ook al bid je je knieën blauw, wist ik gelukkig al sinds het overlijden van mijn moeder. Maar dat was niets vergeleken met de desillusie dat de troostwoorden vanuit het evangelische geloof niet bleken te werken.

Aan de troost dat ik mijn man zou weerzien in de hemel bijvoorbeeld had ik niets wanneer ik om half zeven ‘s ochtends toch echt alleen mezelf uit bed moest sleuren, eten moest klaarmaken, de kinderen op tijd op school moest krijgen, doorreed naar mijn werk om 's avonds alles in omgekeerde volgorde te doen. En zo elke dag, ietsje vermoeider dan de vorige.

Deed ik het niet allemaal gewoon zelf? Was er wel een God? Groter dan die vraag was het schuldgevoel, want mezelf enige verdienste toe-eigenen was mij als kind verboden. Daarmee zette je het ‘IK op de troon’. De opdracht was zelfverloochening. Jijzelf moest kleiner worden, de Christus in jou groter. Christus moest op de troon.

De opdracht was zelfverloochening. Jijzelf moest kleiner worden, de Christus in jou groter. Christus moest op de troon

Pauline Weseman

Een troostwoord als ‘ik zal voor je bidden’ maakte me furieus. Ik had meer aan de buurvrouw die een pompoenschotel bracht of vrienden die de kinderen naar de speeltuin meenamen zodat ik kon bijkomen.

In het dagboek van Etty Hillesum ontdekte ik iets wat dan misschien religieus humanisme is. Een beetje van God en een beetje van de mens. Ik werd mij ervan bewust dat als ik Gods sturing er niet meer bij dacht, ik alleen deze liefdevolle, menselijke acties overhield. Dan hield ik het humanisme over. Schoof ik daarnaartoe op? Wat deden woorden er überhaupt nog toe?

Ik herinner me hoe ik voor mijn boekenkast stond en keek naar al die verhandelingen over het hogere. Ik realiseerde me: niemand weet het. We zoeken allemaal. Het enige dat er is, is het nu, dit hier en nu en ik heb ermee te dealen. Geen woord helpt me daarbij.

Ik viel stil.

Bodem

Ik – schrijvend journalist in hart en nieren – had geen woorden meer. Het enige dat restte was de stilte. Stilte om te overdenken, de pijn binnen te laten komen, het verdriet, de eenzaamheid, het verlies te voelen. En langzaam ontdekte ik de heilzame kracht van die stilte, voelde ik een bodem in mij, zonder te weten wie of wat die bodem is. Maar ik viel niet te pletter, ik was er nog. Ik, niet de God in mij of wat dan ook, maar ik, als mens. In mijn meest kwetsbare staat. Dat was het enige dat ik nog zeker wist. Het werd de eerste kiem tot vernieuwing.

De zin van woestijnvader Irenaeus – ‘De glorie van God is een volledig levend mens’ – helpt mij permissie te vinden mezelf tot bloei te mogen laten komen, rustend in de oerbron, God, bodem die ik in mijzelf ervaar, via meditatie. Het zijn geen communicerende vaten, God en ik, ze zijn een en werken samen. Ik durf dat nu pas hardop te zeggen.

Vaak is nieuwe spiritualiteit me te vaag. Het kan ook weer fundamentalistische trekjes krijgen. Er is verrassend veel overeenkomst in het bidden tot God of een tarotkaart leggen voor duidelijkheid over je volgende levensstap

Pauline Weseman

Nu, als ik lesgeef over nieuwe spiritualiteit, zie ik de kenmerken naast mij op het bord. Ik hoor mezelf uitleggen over de alles-is-eengedachte, monisme, geen absolute waarheid, zekerheden, dogma’s en oordelen, over hoe de persoonlijke ervaring, de intuïtie (de god in jou) leidend is, over het leven in het nu. Ben ik hier aanbeland? Ja en nee.

Vaak is nieuwe spiritualiteit me te vaag. Het kan ook weer fundamentalistische trekjes krijgen. Er is verrassend veel overeenkomst in het bidden tot God of een tarotkaart leggen voor duidelijkheid over je volgende levensstap. Het lijkt heilzamer te leren leven met onzekerheid en dat te leren verduren. Het boeddhisme geeft me daarin handvatten, maar het hogere doet er daar niet toe, en bij mij nu eenmaal wel. Ik voel een bodem onder mij of althans de hoop op een bodem. Met een te vrijzinnig godsbeeld kan ik ook te weinig. Zo kreeg ik in een kerk eens ‘de zegen van de liefde’. Inderdaad, genderneutraal, zeer politiek correct, maar voor mij net zo leeg als een ansicht met ‘groeten uit Utrecht’.

Weduwe Sarefat bakt een broodje voor haar zoon van het laatste stukje meel. De profeet Elia vraagt haar desondanks om een maaltijd te bereiden.© Wikimedia CC

In alle omzwervingen kom ik gek genoeg toch het meest in de buurt van het christendom uit. Qua taalveld, symboliek en cultuur kan ik hier het beste mee uit de voeten. Met een andere bril op vind ik in Jezus’ woorden ineens noties die ik zelf door het leven ontdekte: niet oordelen, zie de mens, geen schatten in aardse vaten verzamelen, richt je niet op het vergankelijke, maar op het nu en de rest zal je gegeven worden. Ook in Jezus’ handelen zie ik dat, hoe hij zich juist richt op de kwetsbaren, de feilbaren, de twijfelaars. Is dat niet juist wat het geloof zou moeten inhouden, iets wat ik teruglees bij inmiddels een sloot aan schrijvers als Brother Martin, Tomáš Halík, Kick Bras en diverse mystici?

Vloeibaar

Dit alles leek mij een unieke zoektocht over niet eerder gebaande paden, maar tot mijn verbazing ontmoet ik overal medereizigers. Met een aantal richtte ik een christelijke meditatiegroep op in de Nicolaikerk in Utrecht, vanuit de World Community for Christian Meditation (WCCM) en het Huis voor de Ziel, de pioniersplek van de Protestantse Kerk in Nederland. Gaandeweg hoor ik van vergelijkbare initiatieven binnen, maar vaker buiten de kerk.

Wat is het waar we naar op weg zijn? Is het nieuw of al jaren oud? Valt dit nog onder het christendom of raakt dit juist meer het christen-zijn dan voorheen, voordat het een instituut werd. En hoe heet deze nieuwe vorm, moet het nog iets heten of mag het vloeibaar, zoekend blijven? Ik ga dit onderzoeken in een journalistieke zoektocht, woorden vinden voor iets dat misschien geen woorden heeft, maar ik blijf immers journalist.

Komende maanden ga ik langs denkers, schrijvers en medeploeteraars in eenzelfde soort vacuüm. Jong en oud. Zonder kerkelijk verleden of waarbij door het leven alles is gaan schuiven. Zoals bij mij. Waarheen. Geen idee? Het verhaal van de weduwe van Sarefat is denk ik nog steeds waar. Het komt altijd goed maar zo heel anders dan ik toen kon bevroeden. En misschien wel net zo gezegend, al ben ik daar nog niet zeker van.

Pauline Weseman is journalist, docent en religiewetenschapper. Ruim 25 jaar schreef ze voor diverse media, waaronder Trouw, Nieuw Wij, AD en Utrechts Nieuwsblad. Sinds 2012 werkt ze op de School voor Journalistiek (SvJ) in Utrecht. Dit artikel is de eerste aflevering van de nieuwe serie ‘Nieuw christendom’. Ook in Trouw verschijnen publicaties over dit thema, de Vrije Universiteit helpt mee met de theologische duiding.