‘Het lied kan binnen een geloofsgemeenschap een sterke verbindende factor zijn. Als mensen de kerk binnenkomen, vormen zij nog geen gemeente. Het zijn nog losse individuen, ieder met eigen sores en bezigheden. Zodra ze gaan zingen, nemen ze één taal in de mond. Dan vormt zich een gemeente.”

Aan het woord is theoloog Sytze de Vries (74), als dichter hofleverancier van het in 2013 verschenen Liedboek – Zingen en bidden in huis en kerk. Dit zogeheten ‘nieuwe liedboek’ is momenteel in protestantse kerken het meest verbreid. Meer dan honderd van de duizend liederen in deze kloeke bundel staan op naam van Sytze de Vries. In plaatselijke gemeenten spreekt hij regelmatig over kerkmuziek.

Sytze de Vries
Sytze de Vries: 'Om sommige liederen loop ik met een grote boog heen.'© Martje van der Meijden

De Vries: “Wat er in gemeenten gezongen wordt, is uiterst divers. Het vorige liedboek, uit 1973, was gemaakt vanuit één theologische en kerkmuzikale gedachte. Het nieuwe biedt een scala van tradities, elk wat wils. Niet iedereen hoeft alles te zingen, je maakt je eigen keuze. Om sommige liederen in het Liedboek loop ik met een grote boog heen. Ik kan slecht tegen dat weemakende evangelische gedoe.

Dat die liederen populair zijn? Zegt me niets. Als ik gastvoorganger ben, zingen ze braaf wat ik opgeef. Andere gemeentes hebben hun eigen bundels, waaruit ze al decennia zingen. Gemeentes gaan daarin hun eigen weg.”

De kracht van zingen

Een gemeente die kerkmuzikaal een geheel eigen, toonaangevende weg gaat, is de Amsterdamse Dominicusgemeente. Theoloog Gerard Swüste (74) is sinds 1976 betrokken bij de Dominicus, onder andere tot voor kort als lid van het liturgisch team.

“In het begin was de Dominicusparochie een rooms-katholieke kerk die in de jaren zestig en zeventig serieus werk maakte van de vernieuwingen van het Tweede Vaticaans Concilie. In de Studentenekklesia zat Huub Oosterhuis, bij ons componist Bernard Huijbers met zijn koor. Zo kregen wij het nieuwe liturgische materiaal uit de eerste hand. Dat trok ook mensen uit andere kerken en wij werden een oecumenische gemeente. Op den duur gingen ook vrouwen voor, tegen de wens van de bisschop. Wij werden een zelfstandige kerkgemeenschap.

Er is onderscheid tussen liturgische taal en liturgische taal in de muziek. Als je zingt, kun je veel meer tekst uit je mond krijgen dan wanneer je iets zegt. Het lied Zomaar een dak eindigt met de woorden ‘om recht voor God te staan.’ Vraag je wat iemand vanochtend in de kerk deed, hoor je niet ‘ik ben recht voor God gaan staan’. Toch zingen we dat moeiteloos. De kracht van zingen is dat de noten je meenemen naar een niveau waarin je boven jezelf uitstijgt.”

De kracht van zingen is dat de noten je meenemen naar een niveau waarin je boven jezelf uitstijgt

Gerard Swüste

Ook in de oecumenische Janskerkgemeente in Utrecht zingt men graag Oosterhuis. “Van oudsher zingen wij veel Oosterhuis. Diens ‘paarse liedboek’ komt bij elke viering ruim aan bod. Dat is muziek voor koor en gemeente. Voor de zondagen waarop wij geen koor hebben, zoeken wij ander repertoire”, vertelt gastvoorganger Marian Geurtsen (55). De theologe van katholieken huize volgde opleidingen voor zang en koordirectie.

Drie jaar geleden ontstond binnen de Janskerkgemeente een muzikaal project over Sofia Wijsheid, met teksten van gemeenteleden op muziek van Mathilde Wantenaar. Al wat ouder is de ‘Vrientenmis’, uit te voeren door vierstemmig koor en een klein orkest. De muziek hiervan is geschreven door Henny Vrienten, van voorheen de band Doe Maar. De teksten zijn van onder andere Hans Andreus, Augustinus en eigen gemeenteleden. “Nieuw liedrepertoire is meer open, inclusief van taal, minder politiek, spiritueler”, zegt Geurtsen

Iemand kunnen aanspreken

In recent liedrepertoire ontbreken massieve Godsbeelden. God tuimelde uit de hemel omlaag om ook in liederen tussen ons te wonen, en soms zelfs ín ons. Hij of Zij wordt daarbij met vele namen genoemd.

Swüste: “In de Tien Woorden staat duidelijk dat je je geen beeld van God mag maken. Ik vat dit gebod letterlijk en figuurlijk op: vorm je geen beeld van God, niet in een gouden kalf, niet in een gedachte, niet in woorden van een lied. Het oude beeld van God als almachtig en verheven gooiden wij in stukken. Wat we overhielden was dat Gods aangezicht zichtbaar werd in het gelaat van de naaste in nood. Het is waarschijnlijk allebei waar. Wie naar de mens kijkt, ziet een glimp van God. Tegelijk spreken we niet voor niets over de Onnoembare.”

Geurtsen: “Weg van hiërarchische plechtigheid en een almachtige God schetst nieuwer repertoire een nabijer beeld van God. Wij zoeken over het horizontale heen, voorbij de gedachte dat het koninkrijk Gods gerealiseerd wordt als wij ons best maar doen. Dat bleek in werkelijkheid ingewikkelder te liggen. Wij zoeken naar een adres, een ‘jij’. Ook al is God voor ons geen persoon meer, eerder een bron of de grond om op te staan, het is wezenlijk om Iemand te kunnen aanspreken in een lied, in de liturgie.

Marian Geurtsen
Marian Geurtsen: 'Nieuw liedrepertoire is meer open, inclusief van taal, minder politiek, spiritueler.'

De Vries: “Ik heb altijd schroom gevoeld om te veel over God te zingen. Dat woord zegt niets, te vaak misbruikt, te snel gebruikt als projectiescherm voor eigen ideeën. Ook mijn omgang met de joodse traditie was hierin bepalend: de Naam neem je niet op de lippen. Als ik over Hem of Haar of Het zing, is dat altijd in afgeleide vorm. Mijn theologische traditie is de Amsterdamse School. Daarin staat het literaire karakter van de bijbelverhalen centraal. Het Hebreeuws drukt in actieve, relationele termen uit wie God is. God zit niet zomaar ergens zichzelf te wezen, God is Iemand of Iets die gebeurt.”

Precies in balans

In nieuwe liederen groeit de inclusiviteit van teksten, sterker dan in de teksten van Oosterhuis het geval is.

Geurtsen: “Het aloude probleem van te mannelijke teksten laat zich kernachtig uitdrukken met een uitspraak van feministisch theologe Mary Daly: ‘Als God mannelijk is, dan is de man God’. Zolang God niet kan worden bezongen en aanbeden in vrouwelijke bewoordingen, is ons Godsbeeld eenzijdig en gemankeerd. Het houdt vrouwen klein en ontneemt hen mogelijkheden en kansen. Het gaat ook om de positie tegenover God, wie passief is en wie actief. Natuurlijk is het een mooie mystieke houding om ontvangend te zijn. Maar mag dat alsjeblieft wel met instemming en niet verplichtend?”

De Vries: “Ik ben op dit punt al heel vroeg besneden. Op het seminarie zat ik in een groep met feministisch theologe Maria de Groot. Drie maanden zaten wij met elkaar opgescheept en ons mannen werd voortdurend flink de oren gewassen. Daarnaast maakte mijn homoseksualiteit mij voorzichtig in het al te gemakkelijk gebruik van taal. Je kunt nauwelijks teksten van mij vinden waarin God als expliciet mannelijk wordt neergezet.”

Vernieuwend waren, in de jaren tachtig, de twee bundels Eva’s Lied, ontstaan in de boezem van de vrouw en geloof-beweging. Drijvende kracht daarachter was dichteres Marijke de Bruijne. Zij overleed in maart dit jaar.

Het aloude probleem van te mannelijke teksten laat zich kernachtig uitdrukken met een uitspraak van feministisch theologe Mary Daly: ‘Als God mannelijk is, dan is de man God’

Marian Swüste

Geurtsen: “Tijdens het lezen en zingen van haar liederen ontdekte ik: wie op deze manier schrijft, vindt andere taal, andere invalshoeken voor geloof. Veel liederen van haar hand vind ik als poëtische liederen niet fijn, theologisch te uitleggerig. Haar betekenis ligt er vooral in dat zij iets openbrak, waarna andere vrouwelijk dichters en tekstschrijvers opstonden. Zonder De Bruijne was dat niet gebeurd. Ik zing graag liederen van Margreet Spoelstra, die heel open en poëtisch een perspectief kan verwoorden. Zij laat mysterie, wat mysterie moet blijven.”

Vijfentwintig jaar geleden ontstond in kringen van de Dominicusgemeente het Nieuw Liedfonds. Het doel ervan is liturgievernieuwing door teksten die zijn geschreven door vrouwen, op muziek gezet door vrouwen of mannen. Middelen daarvoor zijn cd’s, partituren, boeken, lieddagen en workshops.

Swüste: “Wij zingen vaak liederen van de middeleeuwse mystica Hildegard van Bingen. Deze bezingen het mysterie zo, dat het bij mij naar binnen komt. Er is een hang naar het mysterie, of je dat nu probeert met wierookstokjes of met liederen van Hildegard. In de traditie van jodendom en christendom blijven wij het mysterie koesteren als een mysterie, niet als duidelijk antwoord op onze vragen. De teksten van Hildegard zijn wat dat betreft precies in balans.”

Gedurfde bundel

In 2015 verscheen de bundel Zangen van zoeken en zien, op initiatief van de Stichting Verbeekfonds, die de nalatenschap van priester-politicus Herman Verbeek beheert. De bundel brengt 746 liederen bij elkaar, die ontstonden in oecumenische verbanden zoals basisgroepen en ekklesia’s. Veel van het repertoire in deze bundel is ontwikkeld in noordelijke basisgroepen, zoals de Pepergasthuisgemeente in Groningen.

De Vries: “Ik sta er zelf ook in. Bij sommige liederen denk ik: dit is zo multi-interpretabel, het gaat alle kanten uit. Dat werkt niet. Er moet een richting in zitten. Ik neem niet zo snel een lied theologisch de maat, tenzij het onzin is, of strijdig met de Schrift. Ik let meer op het taalgehalte. Veel in Zangen vind ik taalkundig en poëtisch onder de maat.”

De Schrift geeft ons een veelheid aan beelden en namen voor God. Het kan een mysterie zijn, prima, maar wel een door ons gedeeld mysterie

Sytze de Vries

“Het is goed dat deze bundel verscheen”, zegt Swüste, “hij laat zien wat er in het land allemaal gemaakt en gezongen wordt. De bundel is zeker gedurfder dan het nieuwe Liedboek. Daar zitten liederen bij voor de hele oude kern van het kerkvolk. De Zangen zullen niet allemaal de tand van de tijd doorstaan. In de praktijk zal blijken of een nieuw lied na drie keer zingen in de la verdwijnt of een blijvertje is.”

Geurtsen: “In Zangen staan veel van mijn favoriete liederen, naast repertoire dat ik nog niet kende. Er is geen koor voor nodig, we zingen er regelmatig uit. Vernieuwend vind ik daarnaast het repertoire dat door Ionagroepen worden binnengebracht. Het is doorgaans inclusief geschreven, betrokken op de samenleving, spiritueel.”

Iona is een oecumenische geloofsgemeenschap met een sterke maatschappelijke betrokkenheid op een eiland voor de westkust van Schotland.

Gedeeld mysterie

Als ieder er een eigen Godsbeeld op na houdt, valt er dan nog samen te zingen? De Vries: “Ieder zijn of haar eigen onbetwistbare, subjectieve Godsbeeld is het toppunt van individualisme. Voor mij geldt dat elk Godsbeeld Schriftgerelateerd moet zijn, dat is het enige dat wij samen delen. Met ‘ik voel God overal, dominee’ kan ik niet zoveel. Onze gemeenschappelijke noemer is van oorsprong God. De Schrift geeft ons een veelheid aan beelden en namen voor God. Het kan een mysterie zijn, prima, maar wel een door ons gedeeld mysterie. Er is een oude theologische vuistregel: lex orandi, lex credendi, wat een mens bidt, gelooft hij ook. Ik verander dat weleens in lex cantandi, lex credendi, wat een mens zingt, dat gelooft hij. Het is niet zonder reden dat mensen hun geloof samenvatten in regels uit een lied.”