De zoekopdracht op Rotterdam Centraal Station luidt als volgt: ‘Zoek een meneer met een goede snor en kleurige outfit: paarszwarte jas met groene details en roodbronzen broek’. Na een niet te missen ontmoeting volgt een begeesterde rondleiding door creatief Rotterdam ten noorden van het station, langs ateliers op de slooplijst, streetart en hippe koffietentjes. Op de gele luchtbrug vol verticale latten met namen wijst Rik Zutphen de lat ‘Anorik’ aan, ooit ingelegd als bevestiging van zijn ‘latrelatie’, later huwelijk, met Anouk. Hun huwelijk strandde in april vorig jaar. De breuk was een van vier crises dit jaar.

De tocht eindigt bij het atelierverzamelgebouw van meerdere creatieven waar de Droominee zijn opnamestudio heeft voor zijn spoken word performances, bijna dagelijks gepost op Facebook onder meer. Vandaag het toneel voor een gesprek over die andere tocht, langs zijn pieken en dalen van het leven, de ontdekking van de creatieve theologie en de troost van genade in The church of fuck-ups.

Uit wat voor religieus nest kom jij?

“Ik ben opgegroeid in Gouda, in de Vergadering der Gelovigen in Bodegraven, de open vergadering. Mijn opa was de bekende voorganger Jacob Klein Haneveld. Mijn vader ontwierp als grafisch vormgever de bekende rood-zwarte kaft van Het Boek. Mijn moeder is een mooie hippie, een kleurrijk figuur die van alles, waaronder veel gospelconcerten, organiseerde. Artiesten als Larry Norman overnachtten bij ons. We zijn post-hippie opgevoed. Ik heb het geloof nooit als een set regeltjes ervaren, er was een bepaalde vrijheid. Ik heb me ook nooit tegen mijn ouders afgezet, wel tegen de cultuur en de systemen.”

Wanneer ontstond dat verzet?

“Van mijn negentiende tot vierentwintigste had ik een ‘mager evangelische’ periode in de CAMA Parousia gemeente in Gouda, mijn ouders kwamen ook mee. Waar eerst ruimte was voor diversiteit in muziek waar oud en jong van opbloeiden, koos de gemeente na grote groei voor de veilige middenweg.

Ik haakte daarop af, hoorde in de dienst voorbeelden over IKEA, terwijl ik naar tweedehands winkels ging. Ik ergerde me ook aan de worshipmuziek, die zijige, vreselijk vertaalde liedjes. ‘Beautiful one’ wordt ‘prachtige God’. Zo platgeslagen, geen ruimte voor beleving, een slap aftreksel van U2-popliedjes. Ik was juist heel erg hiphop, ontwikkelde mijn maatschappijkritische blik op slavernij, met Martin Luther King en Malcolm X.”

Dat matchte dus niet, hoe ging je daarmee om?

“Begin twintig ging ik op zoek naar nieuwe vormen, ik vroeg me af: waarom creëren we niet een plek waar mensen hun eigen liedjes schrijven? In de kerk zijn soms fantastische muzikanten die dan zo’n opwekkingsliedje moeten zingen. Het is veel puurder als iemand een eigen liedje zingt naar God toe, over zijn eigen struggles. Maar ik hoorde letterlijk: ‘Laat je zorgen bij de deur’. Dus je mocht niet met je zorgen en pijn en moeite de kerk in? Die moest je even van je afwerpen als je ging bidden? Hoezo, die moet je toch juist meenemen? Zo ontstonden de Worshiplabs op festivals waarin ik experimenteerde met liedjes.”

Hoe kwam je tot inspiratie?

“Via een studiedag van de christelijke stichting L’abri leerde ik Ulli Flaemig kennen, een student cultuurwetenschappen uit Hannover die op uitwisseling aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU) studeerde. Ze was ook Luthers theoloog en betrokken bij de Jesus Freaks (een wat alternatieve Duitse evangelische jongerenorganisatie die het muziek- en kunstfestival Freakstock organiseert, PW). Ulli schreef woorden uit het bijbelboek Ezechiël als schubben op haar huid. Ezechiël was een profeet die overal een performance van maakt, met kunstzinnige beelden, zoals lang op de ene en lang op de andere zij liggen. Dat boeide mij enorm.

Het genereren van ideeën ging ik ervaren als spiritualiteit, als iets waarvoor ik gemaakt ben. Ik voel mij dan connected met iets groters’

rik zutphen

Uli en ik raakten in gesprek, hadden voortdurend grapjes en gekke ideetjes. Dat is niet meer opgehouden. In een telefooncel speelden we dat we met God spraken. Bij de P-borden op parkeerplaatsen dachten we aan ‘prayer’. Wat nu als je op die plek even kon parkeren bij God, kon bidden? We zijn altijd blijven brainstormen. Ik las in die tijd ook Modern art and the death of a culture van H.R. Rookmaaker waarin ik de gelaagde visie herkende dat kunst niet apart maar in alles geïntegreerd is.”

Dat klinkt als een inspirerende tijd.

“Ja, het genereren van ideeën ging ik ervaren als spiritualiteit, als iets waarvoor ik gemaakt ben. Ik voel mij dan connected met iets groters. Ik voelde een vrijheid met woorden en taal te gaan spelen. Ik heb adhd en kon niet rustig zitten in de kerk. Ik ging achter in de kerk zitten met National Geographics en schreef vanuit mijn intuïtie op plaatjes van dieren, natuur en mensen. Soms viel het samen met de dienst: een plaatje van een waterval met een liedje over rivieren.”

Voelde je je vrij dat te doen?

“Nou, het duurde even voor ik daar met schaar, papier en andere rotzooi durfde te gaan zitten. Er kwamen ook tieners om me heen zitten. Die vonden dat wel interessant. Het gaf wel reuring. Ik ging ook experimenteren met wat ik ‘improfetie’ noem, improviserende profetie. Dan bedoel ik niet profeteren zoals vaak in midden-pinksterkerken. Daar was het bijna-manipulatief, mensen die tegen me zeiden: ‘Jij gaat een jeugdkerk leiden’ of ‘God zegt dat jij mijn partner wordt’. Met improfetie bedoel ik dat je iets aanvoelt en daar gekke objectjes bij zoekt en woorden aan geeft.

Met improfetie bedoel ik dat je iets aanvoelt en daar gekke objectjes bij zoekt en woorden aan geeft

rik zutphen

Aan mijn zwager die zich niet mocht laten dopen omdat hij gescheiden was, gaf ik eens een porseleinen vogelfluitje dat gevuld met water gaat tsjilpen. Ik gaf hem dat als bemoediging dat ik achter zijn stap stond, eerst het water, de doop, dan ben je vrij te fluiten met een nieuwe geest. Soms zit ik met zo’n idee op het randje, weet ik niet of ik dat moet doen, hoe een ander daarop reageert, maar vaak is het raak. Ik ging dat spelen met taal en beelden omarmen, een woordgrap bedenken die iets profetisch kan hebben.”

Acht jaar geleden schreef je de tekst The church of fuck-ups, inmiddels een lijflied voor een groep progressieve christenen. Hoe is die ontstaan?

“Die tekst floepte eruit, in eerste instantie als frustratie met het christendom en de kerk. In the Worshiplabs ontdekte ik dat het inderdaad anders kon, maar daar was weinig ruimte voor in de kerk. Er kwamen tegengeluiden, er ontstond wrijving. Ik voelde me niet beschermd in mijn ideeën. De laatste twee jaar ging ik alleen nog naar het koffiedrinken ná de dienst, want ik wilde mijn geloof behouden, maar me niet meer storen aan de dienst. De waarde zat voor mij in de community.

Na mijn verhuizing naar Rotterdam bezocht ik daar een – dacht ik - progressieve kerk die buurtprojecten deed, maar zag ik alleen maar dertigers en veertigers met gezinnetjes die het perfect voor elkaar hadden. Ik herkende mijn buurt er niet in en ervoer in die hulp een wat arrogante houding van: wij gaan de arme zielige mensen helpen. Ik ben, wij zijn zelf arm en zielig, dacht ik. Waarom dat verschil? Als dat de kerk is, wil ik daar geen onderdeel van zijn. Als ik over bijbelfiguren lees, vind ik het juist mooi dat ik mij erin kan herkennen dat ze het niet perfect voor elkaar hebben.

Dat bezoek was de trigger om The church of fuck-ups te schrijven, in het Nederlands: We zijn de kerk van brokkenpiloten / gezegend zijn zij die het verkloten / zalig zijn zij die proberen maar mislukken / Christus laat zich vinden te midden van brokstukken.”

Wat zegt die tekst jou?

“Het gaat over kwetsbaar mogen zijn, genade. Ze mogen van mij heel veel schrappen, maar genade is waar het voor mij om gaat in het christelijke geloof. De acceptatie dat dingen niet perfect zijn, zacht zijn naar jezelf. ‘There is a crack, a crack in everything / That's how the light gets in’, zingt Leonard Cohen. Ik vermoed dat Cohen het weer van Rumi (Perzische soefi-dichter, PW) heeft: ‘The wound is the place where the light gets in’.”

Ervaar je die genade ook zelf?

“Ja. Als adhd’er wil ik de hemel bestormen, vliegen, maar ik stort ook vaak neer. Ik geef veel passie en energie en heb daarna dagen nodig om mij op te laden. Ik heb ook een adhd-geloof. Soms heb ik er niets mee, dan roep ik ‘Halleluja’. Dat leven tussen die bewegingen is onderdeel van wie ik ben. Dat weten geeft me ruimte te zijn wie ik ben. Dat doet me denken aan een foto die ik maakte van een altaar in een Poolse kathedraal, een uitbeelding van Psalm 91 en 139, over hoe we ons beschermd kunnen voelen. Ik voelde me niet lekker, maar wist: ik leg hier vast waar mijn geloof voor staat en wat ik niet meer kan uitleggen in woorden. We vertrekken vanuit hele andere richtingen en mogen ons verhouden tot het grotere, op onze unieke manier.”

Afgelopen jaar ging je vier crises door: je ging scheiden, had door corona ineens geen werk en inkomsten meer, moest een nieuw atelier zoeken en had belastinggedoe. Dat zijn aardig wat cracks op een rijtje. Valt het licht dan nog in?  

“Ik moest mezelf vier keer opnieuw uitvinden, dat proces is nog gaande. Ik voelde me zoals ik schreef in The church of fuck-ups: ‘Sacred and scared share the same letters’, we zijn zowel heilig als arme zielen. Ik heb besloten heel open en kwetsbaar te zijn over de relatiebreuk met de Facebook post ‘In liefde ontkoppelen’. Dat was eng, maar ik wilde niet geheimzinnig doen over wat er speelt. Er ontstond een stroom aan steunbetuigingen, a group of companions. Ik sprak dagelijks mensen die soms voor me baden. Doordat je je wond zo in het licht zet, kunnen anderen daar ook wat mee. De eerste drie maanden heb je veel aandacht, daarna ebt dat weg.”

Ontstaat er al iets uit de cracks?

“Nieuwe maniertjes om te vieren en te rouwen. De avond voordat mijn moeder een lintje zou krijgen, april vorig jaar, kondigde Anouk de breuk aan. Ik besloot lopend naar de uitreiking in Gouda te gaan, vier, vijf uur lopen. Ik was nét op tijd. Het was een vorm van verzet – ‘Als jij niet meegaat, ga ik wel lopen’ – maar het bleek ook helend, troostend, gaf tijd voor reflectie en eelt op de ziel. Het was een prachtige voorjaarsdag. Ik liep langs de Rotte, door de uiterwaarden. Onderweg belde ik mensen. Ik voelde me gedragen. Het was goed dwars door de pijn heen te gaan.”

Een soort pelgrimage?

“Ja, een ritueel, een actie gecombineerd met een gedachte. John O’Donohue (Ierse dichter, priester en filosoof, bekend om zijn Keltische spiritualiteit die leefde van 1956-2008, PW) inspireert mij hierin. Ik herken in hem en in de Anglicaanse liturgie een gelaagdheid. Ze combineren een psalm met het hier en nu, pijn en lijden, met een rijke taal. Dat zoek ik ook in mijn leven, gedichten en geloof. Het brengt leven en troost. Bij Anouks vertrek uit ons huis lazen we een zegen van O’Donohue. Die eerste avond alleen thuis nodigde ik vrienden uit om muziek te maken en meubels te verschuiven, op zoek naar mijn eigen ruimte. Ook rituelen. Die bedenk je niet, die ontstaan.”

Kunnen we daar meer mee in het christendom?

“Ik heb geen stippen meer op de horizon, niet voor het christendom en niet voor mezelf. Als ik het kleiner maak, neig ik naar play and pray, improphecy and improvise. Meer experimenten, het intuïtieve. Wat heb je aan geloof als je er niet mee mag spelen? Het is oké als je niet weet wat de uitkomst is. Zet stappen zonder te weten waar het eindigt. Het SpreekKuur dat ik sinds december online houd, is dat in het klein. Ik noemde het eerst Thee-o-loog, dan dronk ik thee met iemand op het Graceland Festival over ‘wat zit je dwars?’ Een dikke knipoog naar opbiechten, wat ik ‘opdichten’ noemde. Op Freakstock deed ik dat in een installatie, zat ik met iemand in een slurf.

Ik maakte een souvenirtje met woorden, een metafoor of beeld, waar iemand hopelijk houvast in vindt

rik zutphen

Ik maakte een souvenirtje met woorden, een metafoor of beeld, verbond dat aan een verzameling of hobby, waar iemand hopelijk houvast in vindt. Dat heb ik opnieuw uitgevonden met SpreekKuur. Veel mensen zitten erdoorheen in de lockdown. Ik probeer ze een zetje te geven. Iemand vertelt zijn verhaal in een halfuur, ik schrijf in vijf minuten een spoken word performance die ik daarna voordraag. De creatieve Floor had grootse plannen. Aan haar wand hingen omgekeerde wijnglazen. Ik schreef dat dit jaar voor haar alles ‘op z’n kop’ ging, over ‘hang in there’ en dat hier misschien iets nieuws uit ‘borrelt’. Dat blijkt helend en troostend. Het is niet belangrijk of iemand iets met geloof heeft. Zo ja, dan gebruik ik die taal, anders niet. Eigenlijk kan ik met kunst mensen helpen met waar ze mee zitten, in vieren, rouwen of nieuwe fases. Hier voel ik me steeds meer toe bewogen.”

Rik Zutphen woont in Rotterdam, houdt zijn leeftijd geheim omdat hij ‘tijdloos wil zijn en buiten hokjes wil blijven’. Hij groeide op in Gouda, volgde de MBO modevakschool en trad op in alterego’s als Skinfiltr8r, ART-bisschop en sinds 2013 de Droominee. Hij ontwikkelde vele spoken word experimenten zoals de Worshiplabs, LOUD-turgie op festivals en SpreekKuur. In 2013 schreef hij het manifest The church of fuck-ups. Voor meer informatie: www.droominee.nl.

Lees ook