In dat kader past ook zijn recente theatervoorstelling The Art Of Being Human, waarin de opwindende live-performer niet alleen zijn ziel, maar ook zijn persoonlijke kwetsbaarheden en struggles met het publiek deelde. Een gesprek over zijn roots, spiritualiteit, het wezen van ‘soul’, lijfelijkheid, Oma Hilda en de kunst van het mens zijn.

Als jij soul zingt, wat is dan jouw diepste doel?

‘Dat ik mijn publiek zo weet te raken, hen zo laat zweten, dansen, genieten en hen alles laat vergeten, dat ze op blote voeten de zaal uit zouden kunnen lopen, ook al vriest het buiten. Dat ze denken: ik moet even met mijn voeten in de sneeuw, want ik moet afkoelen. Naar dat level van connectivity met mijn publiek streef ik. Dat level van mijn emotie uiten. Ik wil een stuk van mijn hart achterlaten op het podium.’

Voel je jezelf daarbij ook een preacher?

‘Ik voel me vooral gastheer. De mensen komen bij mij thuis op visite. Ze moeten een gevoel van thuiskomen ervaren. Daar staat iemand die hun bezingt en bejubelt. Ik ben een doorgeefluik van hele bijzondere energie, waaraan ze zich kunnen vastkoppelen en aanhaken. Er staat een hele grote lange tafel in mijn achtertuin, zo zie ik de zaal, waar we met z’n allen kunnen zitten. Ik heb lekker voor hen gekookt en ik bedien hen. Ik ben vooral dienstbaar aan het gevoel van de ander. Ik ben servicegericht. In die zin ben ik misschien wel een preacher.’

Kan in principe iedereen soul voelen?

‘Het is een kwestie van durven, contact maken met je diepste ik. Zoals je ook moet durven om met je kinderen in de woonkamer te dansen. In de Nederlandse cultuur gaat dat niet altijd vanzelf. Sterker nog, de kinderen lachen de ouders uit. In Suriname, waar ik vandaan kom, of in Amerika, is dat heel anders. Connecten met je gevoel en dat kunnen uiten wordt ons met de paplepel ingegoten. Ik merk wel dat sommige mensen in mijn optreden een soort van toestemming zoeken, een goedkeuring om zichzelf bloot te stellen, zonder de angst om uitgelachen te worden.’

Speelden spiritualiteit en kerk een grote rol in jouw opvoeding?

‘Absoluut. Ik ben op mijn vijfde gedoopt. De familie van mijn moeder hing de evangelische broedergemeente aan, de EBG-kerk. Van origine een Europese stroming, die dankzij Europese missionarissen naar Suriname is overgewaaid ten tijde van de slavernij. Daarvan zijn de sporen in Suriname, vooral in het binnenland, nog helder zichtbaar.

Mijn vader komt uit een familie van Jehova’s Getuigen. Soms was er een clash tussen de twee religies van mijn ouders. Dat zat ‘m in het al dan niet vieren van verjaardagen. Daar deden de Jehova’s Getuigen niet aan. Gedurende mijn basisschooltijd zat ik trouwens op een islamitische school in Paramaribo. Daar kwam ik in aanraking met de moslimtradities, leerde ik Arabisch en las ik de Koran. In Suriname, aan de Keizerstraat in Paramaribo, staan de moskee en synagoge naast elkaar. Dat symboliseert hoe wij naar geloof keken en hoe wij opgevoed werden. Op zondag ging ik naar de zondagsschool om de psalmen en het nieuwe en oude testament te leren en op maandag zat ik heel braaf in de klas Koran te lezen. Voor mij was het een verrijking.

Mijn geloofspalet kent zoveel kleuren

Steffen Morrison

Onze buren, bij mijn ouders thuis, waren weer hindoes. Zij spraken Urdu en aanbaden Shiva en allerlei andere goden met varkenskoppen en zes armen. Zij vierden ook Phagwa, een groot feest (Hindoeïstisch nieuwjaar) waar ze met gekleurde stokken naar elkaar gooien. Daarnaast was mijn oma van vaderskant marron (gevluchte slaven die zich in het Surinaamse binnenland vestigden, TE). Zij was maar drie generaties verwijderd van mensen die echt slaven waren. Zij en haar leeftijdsgenoten hadden die tradities, die rechtstreeks uit vanuit Afrika kwamen, uit Ghana.

Als jongetje hoorde ik mijn oma, als zij, zoals wij dat noemen, in een winti terecht kwam, een taal spreken die ik niet kende. In een bepaald ritueel spraken ze ineens allemaal die taal. Dat maakte enorme indruk op me. Het bleek de taal te zijn van een dorp in Ghana, Kromanti, waar de slaven vandaan kwamen. Ach, mijn geloofspalet kent zoveel kleuren.’

Ben je zelf gelovig?

‘Als kind deed ik een gebedje voor het slapen gaan, bij het opstaan en voor het eten. Geloven is aanbidden. Dat deed ik destijds. Maar ik heb dat niet meer. Dankzij mijn kennismaking met al die verschillende geloven heb ik het bewustzijn ontwikkeld dat geloof vooral in jezelf zit. Ik raakte gefascineerd door het boeddhisme. God zit vooral in jezelf. Met je eigen ik ga je op zoek naar de goddelijkheid in jezelf. ‘Buddhahood’ zit niet in een beeld of in iets buiten de mens, het zit in je zelf. Het openbaart zich vooral in hoe je omgaat in je dagelijkse leven met mensen om je heen, in eigenlijk heel cliché-achtige dingen.’

Heb jij soul leren zingen in de kerk?

‘Nee. In Suriname zaten we op zondag gewoon met Nederlandse kerkboekjes en Nederlandse liedjes in de kerkbanken met elkaar te zingen. Ik heb ook nooit gospel in de kerk gezongen. In 2013 zocht ik naar een omschrijvend woord voor wat ik zong. Als je het beestje een naam zou moeten geven, hoe zou je dat dan noemen? Het woord soul paste het beste bij wat ik doe, ik ademde het ook gewoon uit. Ik wilde soul in Nederland echt een gezicht geven. Daar is ook ruimte voor. Zoveel mannelijke soulzangers zijn er niet in dit land.’

Jouw soul heeft ook een hele funky kant. Het is ook sensuele, seksuele muziek. Vond men dat in Suriname in jouw jeugd controversieel?

‘Nee, dat werd zeer geaccepteerd. Suriname is een heel seksueel land. En daarmee doel ik niet per se op de daad zelf. Maar lijf tegen lijf dansen bijvoorbeeld, dat doen twee vreemden gewoon heel makkelijk met elkaar, zonder dat daar gelijk een ding van komt. We zijn heel fysiek naar elkaar toe, heel flirterig. Soul was in mijn jeugd in Suriname juist een omlijsting van een gevoel dat al breed leefde bij de mensen. Soulparty’s waren daar een kapstok voor.’

Steffen Morrison
Steffen Morrison© Eric van Nieuwland

Als je denkt aan het begrip thuis, is dat dan Suriname of Nederland?

‘Ik heb hele fijne herinneringen aan Suriname. Mijn ouders waren gescheiden. Vanaf mijn geboorte af heb ik bij mijn oma gewoond. Dat was mijn home. Oma Hilda. In mijn theatervoorstelling The Art Of Being Human heb ik het veel over haar, Oma Hilda. Ik heb thuis een mooie foto van haar ingelijst staan. Dat tekent de invloed op ze op mij heeft gehad. Haar kracht was dat ze vanuit een hele simpele levensstijl, misschien ook noodgedwongen, want we hadden het niet breed, liet zien dat je met heel weinig toch heel veel kunt bereiken. Zij was schoonmaakster voor een rijke familie in Suriname. Ze werkte zes, zeven dagen in de week voor vijfentwintig gulden per week. Ze nam me als klein jongetje vaak mee naar het huis van mevrouw en meneer Smit. Een Nederlandse architect, die was getrouwd met een Surinaamse mevrouw. Een kast van een woning.

Ik was een kleine kwajongen. Terwijl zij beneden aan het schoonmaken was, stopte ik een flesje Tipp-Ex in mijn zak. Op een gegeven moment komt ze naar boven, kijkt in het rond en zegt: ik mis iets hier. Dat was zo tekenend voor haar. Ze wist het dus, van die Tipp-Ex. Ja, ik heb het gauw teruggezet. Maar haar oog voor detail, de trots die ze uit haar werk haalde, haar morele waarden, kortom alle levenseigenschappen die je je zou kunnen wensen, kwamen in dat ene moment bij elkaar.’

Heeft zij jou The Art of Being Human geleerd, of is dat toch iets waar je zelf mee hebt moeten worstelen?

‘Dat laatste, maar zij heeft wel de basis gelegd. Daarom begint mijn verhaal ook met haar. Zij noemde mij Blaka Rosoe. Zwarte roos. Roos staat voor wat mooi is en zwart voor wat minder mooi is. Dat zijn twee contrasten die in mij bij elkaar komen. Mijn voorstelling gaat uit van het inzicht dat het hele leven één grote leerschool is. Met veel vallen en opstaan. Ik heb daar heel erg mee moeten struggelen. De kunst van het mens zijn is om wijzer te worden van je levenservaringen. Dat betekent niet dat er steeds minder vragen komen. Integendeel, er komen er steeds meer.’

Hadden je innerlijke worstelingen ook te maken met je verhuizing naar Nederland?

‘Nee, dat was totaal geen struggle. Het was iets waar ik naar uitkeek. In Suriname destijds was naar Nederland gaan of in Nederland wonen alles wat je je maar kon wensen. Niet voor niets werd de reis naar Nederland in een beroemd Surinaams liedje van de reggaeband Reinforcement vergeleken met naar het paradijs gaan. Ik was 12 toen ik hier kwam. Het voelde meteen heel bekend aan. Ik fantaseerde al zo lang over Nederland, ik kende het van foto's. Het was helemaal geen Ver Van M’n Bed-show. Mijn moeder woonde hier ook al vijf jaar. En je sprak de taal al. Bovendien kwam je terecht in een community met allemaal Surinamers en Antillianen. De Bijlmer was bij wijze van spreken een tweede Suriname.’

Voel je je goed begrepen in Nederland?

‘Ja. Het is natuurlijk maar net in wat voor context je zo’n vraag plaatst. Maar over het algemeen voel ik me in Nederland niet vervreemd. Ik voel me geaccepteerd. Maar misschien ben ik niet objectief. Als muzikant kom ik op plekken in Nederland waar een donkere jongen met een ander beroep misschien met enige huiver naar toe gaat. Maar ik heb die huiver niet. Ik kom blijdschap brengen voor de mensen en zij gaan daarin op. We dansen, lachen, we hebben plezier. Daarna stap ik in m’n auto met de jongens van de band en we gaan weer weg.

Ik heb nog nooit in levenden lijve puur racisme ervaren. Ik geloof in eigen kracht. Zonder weg te kijken

Steffen Morrison

Ik heb nog nooit in levenden lijve puur racisme ervaren. Ik geloof in eigen kracht. Zonder weg te kijken. Of te negeren dat er echt problemen zijn. Want die zijn er wel degelijk. Ik heb altijd gewerkt in hele witte, ABN sprekende omgevingen. Nu spreek ik over mijn vorige leven in corporate land. Ook in de zakenwereld kon ik gemakkelijk uit de voeten. Ik heb er vrienden aan overgehouden die in de top van het bedrijfsleven draaien. Vrijwel allemaal witte mensen. Dat vind ik dan wel weer opvallend. Je komt niet zo snel een donkere man tegen als CEO van een groot bedrijf in Nederland.’

Zanger, gastheer, preacher, verhalenverteller, een woord is nog niet gevallen: entertainer.

‘Voor mij is het gewoon één entiteit. Het hoort allemaal bij de persoon die ik ben. Al sinds ik als jongetje in de armen van mijn moeder op haar schoot stond te dansen. Het is geen knop die ik aan en uit kan zetten, of iets aangeleerds. De dansende, gekke, lekker springende Steffen die je op het podium ziet, die zit gewoon in me. Het geeft me enorme energie om mijn ziel zo bloot te geven. Nee, het put me niet uit. Juist niet. Ik ben niet zo snel moe te krijgen.’