In de inleiding van zijn beroemde boek Totaliteit en Oneindigheid doet de al even beroemde Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas een confessie. In mijn werk, zo suggereert hij, is het denken van Franz Rosenzweig zo present, dat ik er van afzie hem te citeren. Die opmerking spreekt boekdelen. Inderdaad, bij omnipresentie is verwijzen een onbegonnen werk. Maar is er meer aan de hand. Rosenzweigs meesterwerk De Ster van de Verlossing is een systematisch geheel. Citeer je er één zin uit, dan doe je het onvermijdelijk geweld aan. Het is zo’n beetje als een draad uit een wollentrui trekken. Als je even stil blijft staan bij één gedachte, dan voel je je gedwongen om ook de voorafgaande en de daaropvolgende aandacht te schenken. De Ster van de Verlossing is meer dan een systeem. Het boek biedt zich aan als een denkweg en wil gelezen worden als een verhaal.

Therapie van het gezonde denken

Maar voorafgaand aan een schets van die verhalende denkweg, hoort een bericht over Rosenzweigs levensweg. Rosenzweig eiste namelijk dat het denken met beleefde, alledaagse werkelijkheid in contact bleef. Zijn denken wil denken van het gezonde mensenverstand zijn. Het wil het denken – en daarmee heeft Rosenzweig de westerse dominante filosofische en theologische tradities op het oog – genezen van zijn belangrijkste kwaal: de idealistische abstractie. Filosofen en theologen denken over de werkelijkheid; ze komen aan het denken van de werkelijkheid niet toe. Hun ongezonde denken scheert over het echte leven heen, en raakt ’t het even, dan springt het verschrikt weer de ijle lucht in, zoals een keilsteen springt over het wateroppervlak. Denktherapeut Rosenzweig brengt de zieke geest terug naar het geleefde leven. Maar daarvoor heeft zijn eigen geest ook zelf een behandeling moeten ondergaan.

Rosenzweig biedt een denkweg en wil gelezen worden als een verhaal

Chris Doude van Troostwijk

Je kunt zeggen dat Rosenzweigs leven staat uitgespannen tussen christelijke belofte en joodse erkenning. (En zijn werk, omgekeerd, tussen joodse belofte en christelijke erkenning.) Geboren op 25 december 1886 – een kerstkind dus – in een niet onbemiddelde, liberale en geassimileerde Duits-joods familie, stierf hij, in 1929, nadat hem de synagogale eretitel morenoe (‘onze leraar’) was verleend. Dat zou bijna niet gebeurd zijn, als hij bij de conclusies uit een nachtgesprek van 1913 was gebleven.

Discussies

Na uitvoerige discussies met zijn neven Hans en Rudi Ehrenberg, en met zijn vriend Eugen Rosenstock, had hij toen het besluit genomen om zich tot christen te laten dopen. Omdopen van liberale joden was gebruikelijk. Niet alleen vanwege het altijd aanwezige antisemitisme. Belangrijker was de in die dagen dominante vrijzinnige, christelijke theologie. De modernistische vrijzinnigheid was erin geslaagd om de rationele ambities van de Verlichting te laten rijmen met de christelijke geloofstraditie. Zo ontstond er een cultuurchristendom, wars van dogmatische geloofsaanspraken. De Bijbel en de liturgie golden als symbolische motivaties voor een moreel goed leven, en men zag, mede geïnspireerd door de filosofie van Hegel, de geschiedenis als een geestelijke weg van universele vooruitgang en rationalisering. Door joden werd het christelijke – doorgaans vrijzinnig-protestantse – doopbewijs gezien als toegangsbiljet tot de universele, humanistische Duitse cultuur. Het idee van joodse uitverkiezing werd daarbij impliciet of expliciet afgedaan als een vorm van irrationeel particularisme.

Op Grote Verzoendag, 11 oktober 1913, bezoekt Rosenzweig de synagogedienst. Voor het laatst, denkt hij. Het wordt zijn joodse wedergeboorte. “Also bleibe ich Jude”, verklaart hij zich in een brief aan zijn vrienden. Rosenzweig is terug, terug bij de gegevenheid van zijn levenswerkelijkheid. “Een geboren jood kan en hoeft zich niet te bekeren”, legt hij zijn virenden uit. Joden zijn, door hun geboorte, reeds bij de goddelijke bron. Christenen kunnen Gods nabijheid alleen via de doop, door afsterving en wedergeboorte, realiseren. Voor hen heeft echter het jodendom de historische functie een wenkend teken te zijn. Wenkend, maar ook waarschuwend want de joodse realiteit is een moeizame uitverkorenheid van afvallen en terugkrabbelen, van wetsbetrachting en wetsverachting. Rosenzweigs opdracht is dus niet de weg naar God op te gaan – dat is de christelijke weg van de bekering uit het ‘heidendom’ –, maar op zijn plaats met de Eeuwige om te gaan. Godsverduistering is een joodse, godsverlatenheid, een christelijke ervaring. De joodse ommekeer – teshoevah – is iets anders dan christelijke bekering. Teshoevah is het vermogen de ogen opnieuw te openen en de handen opnieuw volgens de geboden uit te strekken. Bij de bekering wordt juist het vorige leven verlaten. Zo zijn jodendom en christendom complementair.

Terug naar de werkelijkheid

Hoewel je de biografische anekdote over Rosenzweigs ‘geloofs-omkeer’ in De Ster van de Verlossing niet als zodanig tegenkomt, heeft hij er toch zijn ervaring van Grote Verzoendag en het ‘Also bleibe ich Jude’ impliciet uitgedrukt. En wel in de notie van het terug. Rosenzweig affirmeert ten volle de gegevenheid van zijn joodse geboorte. Terug naar je joodse wortels. Worden wie je bent. Dat terug heeft ook filosofisch gewicht. Het speelt, in aanzet, ook een rol in de ambitie van Rosenzweigs tijdgenoot, de fenomenoloog Edmund Husserl. Beiden stellen de diagnose dat de filosofie en theologie, en daarin de gehele westerse cultuur, zich, met hun idealistische en rationalistische constructies, van de werkelijkheid hadden vervreemd. En net als Husserl – wiens familienaam overigens een bewuste en aan het Duits assimilerende verbastering van het oorspronkelijke ‘Israël’ is –, wil ook Rosenzweig “terug naar de zaken zelf”. Maar zijn aanpak is radicaal verschillend.

Voor Husserl was de grote boosdoener Immanuel Kant (en vooral het dominante neokantianisme). In zijn Kritiek van de zuivere rede had Kant immers aangetoond dat het denkend bewustzijn nimmer het ding zoals het op zichzelf is – en dus de werkelijkheid an sich –, kan bereiken. Alles waarvan wij ons bewustzijn, verschijnt ons als iets, namelijk als iets binnen ruimte en tijd, als iets waarvan we de hoeveelheid, de kwaliteit, de samenhang met andere dingen en de wijze van zijn vaststellen. Rosenzweig kiest Hegel als referentiefiguur. In 1912 promoveert hij, bij de invloedrijke Meinecke, op de dissertatie Hegel und der Staat. Zijn politiek-filosofische benadering van Hegel was voor die tijd opmerkelijk origineel.

Rosenzweig ontdekt het menselijk leven en de werkelijkheid als het verzwegen maar steevast voor-gegeven startpunt van het denken

CHRIS DOUDE VAN TROOSTWIJK

Heeft Rosenzweig aanvankelijk onbewust gehoopt bij Hegel een sleutel tot de universele Duitse Verlichtingscultuur te vinden? Hegel meende immers door de invoering van het idee van de Absolute Geist die zich door de geschiedenis heen steeds verder en vollediger verwerkelijkt, aan het probleem van de vervreemde en onbekende wereld het hoofd te hebben geboden. Tijdens het werk aan zijn proefschrift krijgt Rosenzweig echter juist steeds meer oog voor wat zich aan de hegeliaanse grootsheidsgreep onttrekt. Wie niet leeft, kan niet denken. Zo eenvoudig. Hij ontdekt het menselijk leven en de werkelijkheid als het verzwegen maar steevast voor-gegeven startpunt van het denken. Het hoofdwerk De Ster van de Verlossing wil deze stilzwijgendheid doorbreken en het geheim van het altijd-al-gegeven-zijn van leven en werkelijkheid ter sprake brengen. Maar hoe kan dat?

De heilzame weg terug : de ster als ‘gestalt’

De opbouw van het boek geeft antwoord. Het eerste gedeelte is gericht tegen de filosofen die menen het Al te kennen. Rosenzweig verbleef, toen hij zijn geniale werk begon, aan het oorlogsfront. Op briefkaarten stuurde hij fragmenten van het manuscript naar huis. Het boek is dus oog in oog met de dood geschreven, en begint dan ook met de vaststelling: “Van de dood, van de doodsangst, stamt al het kennen van het ‘al’.” Rosenzweig bedoelt dat het filosofische alomvattende denksysteem – gevormd uit de elementen god, wereld, mens – eigenlijk maar één functie heeft: de ondoorgrondelijkheid van de dood niet onder ogen te hoeven zien. Filosofie bezweert de angst voor de dood, door over het zwarte gat een scherm van eeuwige diepzinnigheden te spannen. Maar het al is niet te kennen.

Het tweede deel is gericht tegen de theologen, niet alleen de dogmatische, maar vooral de modernistisch vrijzinnige. Over de mogelijkheid het wonder te beleven – dat is het project van dit deel. Rosenzweig verwijt de theologie haar werk niet te doen. Ze zou een reflectie op het wonder van werkelijkheid en leven moeten zijn. Rosenzweig doet een poging, en onderzoekt de drie grote thema’s van de theologie – schepping, openbaring, verlossing – als uitdrukkingen van het levens- en werkelijkheidswonder.

Werkelijk leven is, volgens Rosenzweig, leven in het licht van het messiaanse rijk. Dat is, voor joden en christenen, slechts mogelijk in de vorm van een liturgisch leven

CHRIS DOUDE VAN TROOSTWIJK

Nog zijn we niet waar Rosenzweigs denktherapie ons hebben wil: in de werkelijkheid zelf. En dus sluit De Ster van de Verlossing met een praktisch deel dat beschrijft hoe de mens kan leven, in volle erkenning van zijn ondoorgrondelijke eindigheid en tegelijk in staat zijnde het wonder van het bestaan te vieren. Werkelijk leven is, volgens Rosenzweig, leven in het licht van het messiaanse rijk. Dat is, voor joden en christenen, slechts mogelijk in de vorm van een liturgisch leven. Wat is liturgie anders dan gedenken van voorgeschiedenis – de schepping, de uittocht, de wet, de kruisiging, de verrijzenis – ter wille van de heilsverwachting? Niet als iets dat straks, in een andere tijd, komen zal, maar als hetgeen dat nu, in dit leven, het leven bezielt, mogelijk maakt en waardigheid verschaft: de eeuwige bovenwereld, het messiaanse rijk.

Rosenzweig ontvouwt deze denkweg in de vorm van een Gestalt. De drie filosofische elementen – God, mens, wereld – vormen de hoekpunten van een driehoek; de drie theologische thema’s – schepping, openbaring, verlossing – eveneens. De twee driehoeken samen verenigt Rosenzweig tot de Gestalt van een Davidsster. De kern ervan is het eeuwig brandende vuur van belofte – brandend gehouden in het joodse volk. De stralen zijn die van de eeuwige verwerkelijking in de christelijke geschiedenis. Eeuwige belofte en verwerkelijking van de eeuwigheid doordesemen het leven. Wie terug wil naar de werkelijkheid van het leven, moet het leven beleven in het Licht van deze Gestalt. En dat betekent niets anders dan “in eenvoud wandelen met God”, dat wil zeggen: “recht doen en van harte goed zijn”.Rosenzweig stierf, nog geen 43 jaar oud, aan de slepende verlammingsziekte amyotrophe laterale sclerose. Hij werd geboren als kerstkind, en hij stierf als morenoe. Het eerste woord van De Ster van de Verlossing is “dood”; het laatste “leven”. Leven en werk, bij Rosenzweig, zijn één.

Theoloog, filosoof en theaterwetenschapper Chris Doude van Troostwijk (1962) is professor Vrijzinnige Theologie en Filosofie aan het Doopsgezind Seminarium (Vrij Universiteit in Amsterdam) en aan de Luxembourg School of Religion & Society. Zijn onderzoeksproject Ars Bene Credendi (de vaardigheid goed te geloven) brengt de dynamiek van geloven als menselijke grondverhouding tot de werkelijkheid in kaart. In het kader van dit onderzoek werkt hij met een team redacteuren en auteurs aan een Handlexicon voor vindingrijk geloofsdenken (werktitel). Hij is getrouwd met Alexandra Breukink, predikante in het dorp van Albert Schweitzer (Gunsbach), en heeft twee kinderen: Emma en Nathan. Samen met de lokale kerk bouwen ze aan het project ABC-Climont (arscredendi.eu), dat de fysieke weerslag kan gaan vormen van zijn onderzoek in Nederland.

Dit artikel is de weerslag van een lezing, gehouden op een symposium rondom het boek Het visioen van Mattheüs onder redactie van Bas van Berg, dat onlangs verscheen bij uitgeverij Van Warven, waaraan hij bijdroeg met het hoofdstuk ‘Lateral von Zwischen, een essay over Rosenzweigs inventieve openbaringsbegrip’.