Het is niet erg chique om een persoonlijk verhaal over zo’n veertig jaar religiejournalistiek met het eigen blad te beginnen, maar in dit geval doe ik dat wel, want er zijn niet veel bladen die op Volzin lijken.

In tijden dat het aantal abonnees zorgwekkend terugliep, maakten we wel eens lijstjes van ‘verwante’ bladen, mocht een fusie nodig zijn om het blad te kunnen voortzetten. Die lijstjes waren meestal kort en niet overtuigend. Grappig is dat we dat twintig jaar geleden van ‘mijn’ blad ook vonden: uniek, volstrekt eigen geluid, onvervangbaar. En toch slaagden we erin om dat unieke HN-Magazine, dat vroeger Hervormd Nederland heette en waarvan ik hoofdredacteur was, te laten fuseren met het even unieke, eigenwijze en onvervangbare De Bazuin, waarvan Jan van Hooydonk hoofdredacteur was, tot het nieuwe blad: Volzin. En van die fusie hebben we, na de kinderziekten overwonnen te hebben, nooit spijt gehad. De twee onvergelijkbare ouders konden elkaar goed vinden in het nieuwe unieke kind.

Jan werd hoofdredacteur, ik ging voor Volzin schrijven en ik denk dat ik geen nummer heb overgeslagen.

In de marge

De Bazuin stamde uit de rooms-katholieke zuil en was de laatste decennia een progressief katholiek blad, wel eens denigrerend maar niet ten onrechte de spreekbuis van de Acht Mei Beweging genoemd. HN-Magazine was even progressief en werd in diezelfde jaren wel eens denigrerend de spreekbuis van het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) genoemd.

Beide bewegingen waren ten tijde van de fusie al ver over hun hoogtepunt heen, dus hoefde het nieuwe blad zich niet bezorgd te maken om van iets of iemand de spreekbuis te zijn. Het kon zich in alle vrijheid ontwikkelen op het ruime erf van kerk en religie, spiritualiteit en zingeving. Hervormd Nederland had in de jaren ’80 zo’n 30.000 abonnees en was niet eens de kleinste onder de opinieweekbladen, De Bazuin had er 10.000, kom er nog eens om.

Jan en ik – beiden van 1954 – zijn onze journalistieke loopbaan begonnen toen de verzuiling in Nederland al geruime tijd op haar retour was. De kerkelijke instituties lagen onder vuur, de oecumene begon uit het zicht te verdwijnen en aan de klassieke christelijke geloofsleer werd alom gemorreld. Wij kwamen beiden uit de progressieve beweging van de jaren ’70 en hadden met instituties weinig op, met een rechtvaardiger wereld des te meer.

Er waren in die tijd nog wel religiejournalisten, maar ze speelden zich niet meer in de kijker.

De publieke opinie was dat er in kerk, theologie en religie alleen nog zaken op de agenda stonden die voor ingewijden de moeite waard waren, voor journalisten viel er niets meer te halen

Willem van der meiden

De grote kranten hadden meestal wel iemand in dienst die ‘kerk en religie’ in de gaten hield: Herman Amelink, Klaas van Gelder, Rex Brico, Aldert Schipper, Richard Auwerda, Gerard van den Boomen waren toen bekende namen. Maar hun rubrieken en columns bevonden zich in de marge van hun kranten. Het ANP had nog geruime tijd een redacteur ‘geestelijk leven’, maar in de jaren ’90 is de zelfstandige deelredactie ‘geestelijk leven’ opgeheven.

De publieke opinie was dat er in kerk, theologie en religie alleen nog zaken op de agenda stonden die voor ingewijden de moeite waard waren, voor journalisten viel er niets meer te halen. De ontwikkeling van dagblad Trouw, toch jarenlang een gidsblad in protestants Nederland, laat de afnemende belangstelling voor godsdienst en kerk goed zien.

De ‘kerkpagina’ verdween en die was al de voorlopige eindmorene van vele bladzijden kerknieuws. Die pagina moest de religie al snel delen met de filosofie en er kwam een generatie journalisten bij Trouw die zelf kerkverlater waren en soms zelfs nogal cynisch neerkeken op wat zich in ons land als kerkelijk of religieus aandiende. Er mocht over de kerk – bijvoorbeeld over het toch interessante Samen-op-Wegproces – geen stuk in Trouw verschijnen dat niet primair kritisch van toon was, zo mocht ik zelf ondervinden.

Eigen zuil en bubbel

Nog maar twintig jaar eerder werkte mijn vader Anne van der Meiden als ‘perschef’ van het roemruchte instituut Kerk en Wereld in Driebergen en stond hij op zondagavond thuis tal van journalisten telefonisch te woord die wilden weten of er dat weekend op het conferentiecentrum ‘nog iets gebeurd was’. Toen ik in de jaren ’80 zelf die functie bekleedde, kostte het al buitengewoon veel moeite om media voor ons werk te interesseren.

Wat de dagbladen betreft hadden we ook nog het Nederlands Dagblad (van 1967) en het Reformatorisch Dagblad (van 1971), maar die bedienden lange tijd uitsluitend de eigen gezindte. Een enkel regionaal dagblad had iets meer dan gemiddelde belangstelling voor kerk en religie, zoals de Provinciale Zeeuwse Courant en de Leeuwarder Courant met als uitschieter het christelijke Friesch Dagblad. Maar de meeste dagbladen haalden voor religie hun neus op.

Hervormd Nederland© Rob Bogaerts (Wikimedia CC)

Het besef dat wij – journalisten als Jan en ik – in een eigen zuil of misschien wel bubbel opereerden, wilde maar matig postvatten. De pretentie van onze belangstelling voor progressieve politiek, maatschappelijk betrokken kerken, openheid voor andere religies en spiritualiteit was immers dat we er de hele kerk en samenleving mee wilden bereiken, maar achteraf bezien opereerden we in een krimpende groep gelijkgestemden.

‘Onze media’ waren naast onze eigen bladen in de verte Trouw, eventjes het roemruchte De Nieuwe Linie en een hele resem aan meer beschouwende tijdschriften als Wending, Centraal Weekblad, Tijd en Taak, Voorlopig, In de Waagschaal, de IKON en een beetje NCRV en KRO.

De Bazuin organiseerde in de jaren ’90 eens per jaar een etentje voor religiejournalisten in Utrecht en daar schoven aanvankelijk toch wel veertig mensen aan, zelfs wel eens een journalist van Trouw. Relativisme was het voorgerecht en nostalgie het hoofdgerecht. We moesten zelf betalen.

Enige jaren was er op de vrijdagmiddag live op Radio 5 een panel van religiejournalisten die onder leiding van Noortje van Oostveen de zingeving van die week bespraken. Ik meen dat we steeds met vier journalisten waren uit een poule van vijftien. Jan van Hooydonk en ik kwamen elkaar daar ook tegen. Het was erg leuk om te doen, maar we hadden niet de indruk dat er veel mensen naar luisterden. Volgens de redactie was het toch wel ‘een volle Kuip’, dat klonk indrukwekkend, maar is in omroepland een ‘onmeetbaar’ getal. We hadden toch de indruk met iets exotisch bezig te zijn en vermoedden dat binnen afzienbare tijd de laatste het licht zou uitdoen.

Verschuivende belangstelling

Ergens is in die tijd, zo’n kwart eeuw geleden, iets gaan schuiven in de publieke belangstelling voor religie en zingeving. Die verschuivingen vonden niet plaats in de kerkelijke instituties zelf, waar de voortgaande krimp allengs meer kramp en cocooning veroorzaakte.

Maar de maatschappelijke aandacht voor buiteninstitutionele religie en spiritualiteit groeide vanaf de jaren ’80. New Age werd een beweging die veel institutioneel cynisme opriep, maar ontegenzeggelijk groepen mensen aantrok die met een kerk niets te maken wilden hebben. Als heraut van die beweging kan misschien de Bhagwanbeweging vanaf halverwege de jaren ‘70 genoemd worden, die BN’ers als Jan Foudraine en Ramses Shaffy aantrok en ook de religiejournalistiek bereikte.

Dankzij New Age groeide vanaf de jaren ’80 in de samenleving de aandacht voor buiteninstitutionele religie en spiritualiteit

willem van der meiden

Zo maakte de IKON tal van programma’s over nieuwe spirituele bewegingen met voorbeelden van vérgaande participatiejournalistiek. De wetenschapsmedewerker van HN-Magazine ging ook ‘om’ en peilde mystiek en esoterisme. Dat kostte ons opzeggingen van boze abonnees die liever lazen over Karl Barth en de vredesbeweging, maar trok ook nieuwe lezers aan. Misschien is het medium dat als boegbeeld van deze opleving van anders getinte spiritualiteit zou kunnen gelden wel het tijdschrift Happinez.

Het blad van Inez van Oord werd door religiejournalisten als ikzelf aanvankelijk schamper bejegend, maar dat sarcasme sloeg bij mij om in professionele bewondering en ook wel afgunst. Het werd nooit ‘mijn’ blad, maar ik vond het razendknap dat je met zo’n blad zoveel nieuwe mensen er ‘vederlicht’ voor kon interesseren dat er meer is tussen hemel en aarde. En het blad was een aansprekend eerherstel voor ‘schoonheid’, lange tijd een stiefkindje in de religiejournalistiek.

Er verschoof nog meer in de samenleving.

De kerkverlaters naderden hun pensioen en geharnast secularisme en afkeer van religie raakten op hun retour. Ze verdwenen niet, want vlak voordat Volzin van wal stak, moest iedereen in de wereld een mening hebben over 9/11. Enige tijd werd de gewetenloze radicale islam voor velen de karikatuur van waar religie – misschien wel élke vorm van religie – toe kon leiden: dood aan andersdenkenden.

Ondanks de daaropvolgende terreurdaden overal ter wereld en de uitzichtloze conflicten in het Midden-Oosten is dat een kleine twintig jaar later niet de dominante opinie geworden. Er is inmiddels in ons land een hele generatie mensen opgegroeid, de dertigers en veertigers van nu, die van huis uit niets hebben meegekregen van religie of kerk en oprechte belangstelling tonen voor en veel interessants opdelven uit de religieuze tradities. Aloude etiketten als ‘orthodox’, ‘gelovig’, ‘humanistisch’ en ‘vrijzinnig’ vergelen.

The Passion, Rotterdam 2012. © Wouter Engler (Wikimedia CC)

Misschien is de toenemende belangstelling voor The Passion wel een sprekend voorbeeld van die nieuwe belangstelling. Gecombineerd met de nimmer tanende populariteit van Bachs Matthäus Passion valt op dat het oerverhaal van lijden, dood en opstanding steeds nieuwe mensen blijft aantrekken, die aan dit verhaal universele menselijke ervaringen en persoonlijke belevingen verbinden. Of dat verhaal nu op authentieke instrumenten en met barokaria’s of door bekende tv-persoonlijkheden met hedendaagse hitjes wordt vertolkt.

Een nieuw tijdperk

Het is lastig om vast te stellen of die hernieuwde en onbevooroordeelde belangstelling voor religiositeit, zingeving en spiritualiteit, maar ook voor theologie en filosofie, in ons deel van de wereld een laatste oprisping is van een tijdperk dat ten einde loopt of juist een nieuw religieus tijdperk inluidt. Dat is voor de toekomst van een blad als Volzin geen onbelangrijke kwestie. Ik ben vanwege twee recente ervaringen geneigd op het tweede paard te wedden.

Het kerkasiel met de non-stop kerkdienst in de Haagse Bethelkapel – waar ik bij betrokken was – van ruim een jaar geleden trok wereldwijde media-aandacht en een onvermoede golf van adhesie voor deze vorm van kerk zijn en spirituele beleving. Mensen lieten weten dat een kerk die haar spiritualiteit zo verbond met haar maatschappelijke betrokkenheid wat hen betreft toekomst had. Tal van bezoekers hadden nog nooit een kerk van binnen gezien en waren diep onder de indruk. Het kerkasiel leidde binnen de kerken tot een inspirerende herbezinning op de soms vergeten kracht van de kerkelijke traditie.

Een tweede recente ervaring biedt de huidige coronacrisis. Deze maanden putten kerken zich uit om – meestal zonder wekelijkse bijeenkomsten – hun eigen mensen en anderen een hart onder de riem te steken en met elkaar te verbinden. Zij ontwikkelen daarbij een golf aan originele nieuwe, maar op oude leest geschoeide vormen. De tijd is rijp voor een religieus reveil, werd al in de media beweerd. In ‘het nieuwe normaal’ zullen kerken weer kansen krijgen, las ik.

Dat weet ik zo net nog niet.

Het klinkt als ‘nood leert bidden’, want de kerken zaten in de oorlog immers ook vol, nietwaar? Het nieuwe normaal is natuurlijk vooral het nieuwe abnormaal, waarin we het recht om elkaar weer aan te raken en te ontmoeten geleidelijk aan zullen moeten bevechten. Maar als deze crisis inderdaad zal leiden tot een herbezinning op fundamentele waarden in de samenleving, in de economie en in mensenlevens, voorzie ik wel een reveil.

Religie en spiritualiteit, maar ook kerk en theologie hebben voor dit ‘omdenken’ immers een krachtig instrumentarium in huis, gebaseerd op een eeuwenoude diepe traditie van woorden, beelden en rituelen. Een traditie van grandeur en misère, dat zeker, maar ook dat is zo leerzaam als het leven zelf. Een traditie ook die in het grootste deel van de wereld springlevend is – en dat wordt onder geseculariseerde journalisten wel eens onderschat.

Willem van der Meiden (1954) is theoloog en journalist. Hij was hoofdredacteur van HN-magazine en is lid van de redactieraad en vaste medewerker van Volzin.