Verbinding, verbinding, verbinding, er gaat geen week voorbij of iemand roept er om. Een politicus, een bestuurder of een geestelijke. Maar laten we ons nog wel verenigen in deze geïndividualiseerde tijd, waarin iedereen zijn eigen god is? En hoe was dat vroeger? We volgen in deze serie het spoor terug vanaf de jaren vijftig.

De jaren vijftig gelden als het toppunt van de verzuiling. Katholieken, protestanten en socialisten veilig opgeborgen in hun eigen zuil, zonder contact met andersdenkenden. Maar klopt dit beeld wel? Dr. Paul Luykx, oud-hoofddocent nieuwste geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen, onderzocht de katholieke zuil en trok een opzienbarende conclusie: de katholieke gemeenschap begon in die jaren juist meer en meer te verbrokkelen.

“In allerlei opzichten bleef de verzuiling onder Nederlandse katholieken van beperkte aard en omvang, en áls die bewegingen al tot succes leidden, ging dat vaak genoeg met eindeloze fricties en conflicten van allerlei slag gepaard”, schrijft hij in Andere katholieken (2000). In dat boek neemt hij stelling tegen de tot dusverre breed gedragen opvatting dat katholieken zich vanaf begin twintigste eeuw braaf lieten organiseren, omdat ze zich, na een periode van historische achterstelling, moesten emanciperen.

In allerlei opzichten bleef de verzuiling onder Nederlandse katholieken van beperkte aard en omvang

Paul Luykx

Met tal van voorbeelden nuanceert Luykx dat paradigma. Zo bestond in 1959 niet minder dan tien procent van de leden van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming uit katholieken. Vijf jaar eerder hadden de bisschoppen in hun beruchte mandement nog ernstig tegen de NVSH en andere niet-katholieke clubs gewaarschuwd. In datzelfde jaar 1959 evenwel beoefenden net zo veel katholieken sport in neutrale als in katholieke verenigingen. “Alles wat met katholieke identiteit te maken had, verdween vanaf de jaren vijftig systematisch naar de achtergrond: kledingvoorschriften, seksescheiding, geen sport op zondagmorgen, competitie met neutrale clubs”, concludeert de auteur. En dan hebben we het nog maar niet over het feit dat, blijkens Luykx’ boek, van alle abortusartsen die tussen 1946 en 1960 werden veroordeeld, 37 procent katholiek was.

Zelfs de bisschoppen vormden in de jaren vijftig geen eensgezind bastion meer. Hun  mandement uit 1954 kwam slechts na moeizaam touwtrekken tot stand, zo valt uit Andere katholieken op te maken. De noordelijke bisschoppen van Haarlem en Utrecht stonden tegenover de zuidelijke onder leiding van Roermond, waarbij de laatsten uiteindelijk wonnen. Er kwam een streng mandement, naar ‘Limburgs ontwerp’, dat katholieken in de richting dreef van katholieke organisaties en het lidmaatschap van socialistische clubs verbood of anders ten strengste afried.

In zijn boek noemt historicus Luykx drie belangrijke oorzaken voor de onttakeling van de zuil. Na de bevrijding ontwikkelt zich onder invloed van industrialisatie en modernisering een autonome jeugdcultuur, waaraan ook katholieke jongeren volop meedoen; katholieke intellectuelen beginnen zich te roeren, met als meest pregnante voorbeeld wellicht de Nijmeegse psychiater Anna Terruwe, die in de jaren vijftig seksueel gefrustreerde geestelijken behandelt en daardoor in aanvaring komt met de Kerk; het bisschoppelijk mandement maakt veel kritisch bewustzijn onder katholieken los, waardoor het herderlijk schrijven als een boemerang in het gezicht van het episcopaat terugkeert. De bisschoppen beginnen meer en meer aan hun eigen gezag te twijfelen.

Katholiek thuisfront: Ontvangen reclame posters voor het Katholiek Thuisfront worden door twee vrouwen geteld en gedistribueerd, 17 januari 1947. Een mooi voorbeeld van verzuiling.© Spaarnestad Photo

Wat heeft het langzaam uiteenvallen van de zuil in de jaren vijftig tot gevolg gehad voor katholieken en voor hun verbinding met andersdenkenden? We leggen de vraag voor aan Paul Luykx (81) in Nijmegen. Maar allereerst: waar komt het beeld vandaan dat die jaren het hoogtepunt van de verzuiling waren?

“Dat komt voor een belangrijk deel door een befaamd artikel rond 1960 van de godsdienstsociologen Kruijt en Goddijn. Daarin sommen ze op welke verzuilde organisaties er na de oorlog allemaal bij kwamen. Dat zijn er inderdaad heel wat geweest. Hun gevolgtrekking was: kijk eens hoezeer de katholieke bevolking in een zuil leefde. Zelf concludeer ik het tegenovergestelde: met de al bestaande verzuiling lukte het niet meer de katholieken op het ‘rechte pad’ te houden, waardoor in hoog tempo nieuwe verzuilde organisaties uit de grond moesten worden gestampt. Een teken dus van gebrek aan succes. Met een groot woord zou je het een wanhoopspoging kunnen noemen, ja.”

Hoe zag in die tijd de onderlinge verbinding er uit?

“Grote delen van het maatschappelijk leven waren niet verzuild: muziek theater, bioscoop, men kwam elkaar overal tegen. Denk ook aan de economie. In de top van de zuilen bestond bovendien goed contact tussen de voorlieden, waardoor we bijvoorbeeld tal van rooms-rode kabinetten hebben gehad. Dat waren overigens wel vechthuwelijken. Maar er was een groot verbindend doel: de Wederopbouw. En de kiezers straften de samenwerking niet af.

In de jaren vijftig kreeg je in toenemende mate oecumenische gespreksgroepen

Paul Luykx

Ook in andere opzichten was de verzuiling beperkt. In het zuiden kon je er nauwelijks van spreken, omdat iederéén daar katholiek was. De pastoor en de katholieke notaris zaten er samen in het schoolbestuur. Verzuilingsinitiatieven vonden daarom vooral bóven de Moerdijk plaats, omdat katholieken daar het idee hadden dat ze zich moesten beschermen tegen ‘andersdenkenden’: protestanten, liberalen, socialisten. Die vermenging had je in het zuiden alleen in de mijnstreek en in industriesteden als Eindhoven, waar westerse intellectuelen werden ‘ingevlogen’.”

De katholieke jeugd maakte zich, volgens uw boek, na de oorlog razendsnel los uit de kerkelijke traditie.

“Het was een sceptische generatie, die zich niet meer een-twee-drie wilde scharen achter de hooggestemde katholieke idealen van de verzuiling. Men trok zich minder aan van allerlei ge- en verboden. Er werd volop uitgegaan en gedanst. Jongeren troffen elkaar overal.”

Psychiater Anna Terruwe was misschien wel hét symbool van de ‘ondergronds’ kolkende veranderingsdrift in katholiek-intellectuele kring. Zij zou geestelijken hebben aanbevolen te masturberen.

“Zeker was zij daar een symbool van. Zij bood geestelijken die zich door haar lieten behandelen een grote mate van permissiviteit, zodat er wat meer rust in zo’n leven zou komen. Veel geestelijken konden met hun seksualiteit geen kant uit en werden psychisch ziek. Wel, wat doe je dan? Dan raadpleeg je een psychiater.”

Maar Rome verbood dat. Priesterstudenten mochten zich niet langer laten behandelen door vrouwelijke psychiaters (lees Terruwe). Ook tegen haar adviseur werden  strenge maatregelen genomen.

“Ja, dat was de bekende de Nijmeegse moraaltheoloog Willem Duynstee. Die werd in 1957 naar Rome verbannen. Rector magnificus Lodewijk Rogier van de Katholieke Universiteit Nijmegen heeft destijds nog via kardinaal Alfrink geprobeerd Rome onder druk te zetten, zodat pater Duynstee zou kunnen terugkeren naar Nederland. Zo zie je dat het Vaticaan de teugels aanhaalde, terwijl de kudde haar eigen weg ging. Ook toen al, in de jaren vijftig.”

In Andere katholieken noemt u de Rotarykwestie als voorbeeld van hoe katholieken ondanks bisschoppelijke verboden verbinding bleven zoeken met anderen.

“Die kwestie begon al in 1930, toen het episcopaat katholieken het lidmaatschap van Rotaryclubs verbood. Meteen klommen katholieke werkgevers en intellectuelen in de pen. Dat leidde er uiteindelijk toe dat er in de jaren vijftig een ontheffingsregeling tot stand kwam. Waar vermoedelijk geen katholiek gebruik van maakte, want ze hadden zich allang ‘illegaal’ aangesloten. In de jaren zestig werd het Rotaryverbod ten slotte opgeheven.”

In Andere katholieken besteedt Luykx zijdelings ook aandacht aan de protestantse zuil. Die was, met name waar het gereformeerden betreft, veel hechter dan de katholieke omdat het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid groter was en het geloof meer geïnternaliseerd. Kortom: de protestantse ethiek. Luykx schrijft: “Een katholiek wentelt zijn problemen af op het kerkinstituut, op het gezag van paus en bisschoppen. En hij is er eerder toe geneigd op zijn persoonlijk belang en welbevinden te letten. Hij néémt er nog een – en daarmee basta.” Toch bestond er, ondanks die cultuur- en geloofsverschillen, wel degelijk voorzichtig contact tussen protestanten en katholieken, zo blijkt.

Met onafhankelijk onderzoek heb ik gepoogd in die geschiedenis wat ordening aan te brengen

Paul Luykx

Luykx: “In de jaren vijftig kreeg je in toenemende mate oecumenische gespreksgroepen. Niet zozeer vanuit de kerk geïnitieerd, maar vanuit de gelovigen zelf. De bodem daarvoor was gelegd in de oorlog toen onder invloed van de bezetter verschillende groepen nader tot elkaar kwamen. Klassiek voorbeeld daarvan is het kamp Sint-Michielsgestel, waar gijzelaars van allerlei richting elkaar ontmoetten, en elkaar college gaven. Maar ook vóór de oorlog had je al oecumenische initiatieven. De eerste was de Professorenkring uit 1931 van de Nijmeegse katholieke hoogleraar Gerard Brom en zijn protestantse Groningse evenknie Gerardus van der Leeuw.”

Luykx loopt naar zijn boekenkast, pakt de door hem geschreven biografie van Brom (Heraut van de katholieke herleving, 2015) van de plank en citeert Van der Leeuw: “Bij u (Brom, W.P.) heeft men ’t rustig gevoel dat je ons niet bekeren wilt waar we bijstaan, en dat ge begrijpt wat we bedoelen als we de Una Sancta zich zien welven boven uw kerk én de onze uit.” Luykx klapt het boek dicht en zegt: “Kijk, als je het over verbinding hebt, is dit toch wel een treffende passage. In de kring sprak men over allerlei zaken: dogma’s, de Schrift, de paus, enzovoort. Ter afsluiting volgde meestal een lunch of diner, tijdens welke men niet zelden moest concluderen: we waren het weer niet eens. Toch durf ik de stelling aan dat de Oecumenische Professorenkring, die tot 1970 bleef voortbestaan, het zaad heeft doen ontkiemen voor veel gespreksgroepen tussen katholieken en protestanten in de jaren veertig en vijftig.”

Waren er ook contacten tussen de katholieke en socialistische zuil?

“Dan denk ik in de eerste plaats aan de Katholieke Werkgemeenschap in de PvdA. Dat was een uitvloeisel van de naoorlogse Doorbraak-gedachte die grotendeels is mislukt. Overigens was het niets nieuws dat katholieken hun voorkeur uitspraken voor een andere partij dan de katholieke. Tijdens de crisis van de jaren dertig gold dat soms al voor circa twintig procent van de katholieke kiezers. Veel katholieke arbeiders stemden toen SDAP. De neiging om uit de eigen zuil te kruipen en verbinding te zoeken met anderen is er dus altijd al geweest. Verzuiling? Waar praten we over?”

Eigenlijk waren de jaren vijftig een stille revolutie, om een titel aan te halen van een door u in 1997 geredigeerd boek?

“Je kunt de jaren vijftig een kraamkamer voor de twee decennia erna noemen, zoals veel politicologen en sociologen doen. Zij kijken terug vanaf de jaren zestig en zeventig en trekken dan die conclusie. Dat is een kwestie van wetenschappelijke methodiek. Als historicus echter bekijk ik het decennium graag vanuit de tijd ervóór. Welnu, vanuit een dergelijk perspectief bezien heeft zich in de jaren vijftig een revolutionaire politieke omwenteling voorgedaan: socialisten en confessionelen samen in één kabinet. Maar ook onderhuids hebben zich in die jaren op allerlei gebied veranderingen voltrokken: in de jeugdcultuur, vrouwenemancipatie, seksualiteit, media, enzovoort. Vaak minder opvallend, maar niettemin sterk verschillend van de decennia ervoor. Vandaar dat je van een stille revolutie kunt spreken.”

Na de jaren vijftig verkruimelde de katholieke zuil in no time. Zo verloor de Katholieke Volkspartij tussen 1963 en 1972 bijna de helft van haar aanhang. Vooral in het zuiden ging het loyaliteitsverlies razendsnel. U schrijft dat toe aan een vlug oprukkende naoorlogse urbanisatie en industrialisatie van Brabant en Limburg, waardoor er voor een confessioneel bepaalde partijkeuze geen plaats meer zou zijn.

“Dat speelt zeker een belangrijke rol. Van de negen regionale ontwikkelingsgebieden bevonden zich er drie in het homogeen katholieke zuiden. Die ‘krachten van buitenaf’ zouden leiden tot een diffusie van de eigen cultuur, zo waarschuwde een sociologisch kerkelijk rapport in 1952. Dat gold vooral voor zuidelijke katholieken, omdat zij hun geloof over het algemeen minder hadden geïnternaliseerd dan noordelijke. Die laatsten moesten immers een zelfbewustzijn kweken tegenover de protestantse meerderheid.”

Uw boek Andere katholieken is niet onverdeeld positief ontvangen, nietwaar?

“Klopt. Vanuit de meer behoudende kant werd mij verweten dat ik de katholieke eenheid onderuit wilde halen: het was toch prachtig wat er allemaal was opgebouwd? Van linkse zijde luidde de kritiek: die Luykx verdoezelt de zaken. Hij doet net of de verzuiling minder diep zat dan in werkelijkheid het geval was. Maar waar die oordelen aan voorbijgaan, is dat de historie van de Nederlandse katholieken niet eenduidig is. Integendeel, ze is zeer complex. Met onafhankelijk onderzoek heb ik gepoogd in die geschiedenis wat ordening aan te brengen.”

Als u de jaren vijftig in één zin zou moeten karakteriseren, hoe zou die dan luiden?

“Dat het onafhankelijk denken, ook in de katholieke gemeenschap, toen veel méér toenam dan tot nu toe in brede kring wordt aangenomen. Ik juich dat individuele denken van harte toe. Beter dan je gedachteloos aan kerkelijk-godsdienstige vormen van gezag en traditie te onderwerpen.”

Paul Luykx (Eindhoven, 1940) was van 1968 tot zijn pensionering in 2005 verbonden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, nu Radboud Universiteit. In 1978 promoveerde hij op De Actie ‘voor God’ 1936-1946. Een katholieke elite in het offensief. Tot 1994 werkte hij fulltime bij de vakgroep Nieuwste Geschiedenis, vanaf 1986 als universitair hoofddocent. In 1991 was hij daarnaast gasthoogleraar aan de universiteit van Münster. Vanaf 1994 volgde een parttime functie bij de studierichting Duitslandstudies. Zijn laatste boek (in eigen beheer) is getiteld Nederlandse katholieken en autobiografie vanaf 1800 (2020). Paul Luykx woont in Nijmegen.