Mens, durf te leven!

Je leeft maar heel kort, maar een enkele keer
En als je straks anders wilt, kun je niet meer!
Mens, durf te leven!
Vraag niet elke dag van je korte bestaan:
Hoe hebben m’n pa en m’n grootpa gedaan?
Hoe doet er m’n neef en hoe doet er m’n vrind?
En wie weet, hoe of dat nou m’n buurman weer vindt
En – wat heeft ‘het fatsoen’ voorgeschreven!
Mens, durf te leven!

De mensen – ze schrijven je leefregels voor
Ze geven je raad en ze roepen in koor:
Zó moet je leven!
Met die mag je omgaan, maar die is te min
Met die moet je trouwen, al heb je geen zin
En daar moet je wonen, dat eist je fatsoen
En je wordt genegeerd als je ’t anders zou doen
Alsof je iets ergs had misdreven
Mens, is dat leven?

Het leven is heerlijk, het leven is mooi
Maar – vlieg uit in de lucht en kruip niet in een kooi!
Mens, durf te leven!
Je kop in de hoogte, je neus in de wind
En lap aan je laars hoe een ander het vindt!
Hou een hart vol van warmte en van liefde in je borst
Maar wees op je vierkante meter een vorst!
Wat je zoekt kan geen ander je geven!
Mens, durf te leven!

Dirk Witte (1885-1932), lied uit 1917 dat is gezongen door (o.a.) Jean-Louis Pisuisse, Ramses Shaffy en Wende Snijders. 

“Dit lied leerde ik kennen in mijn vroege puberteit; het was het lievelingslied van de opa van mijn beste vriendin. Die man was erg belezen en geïnteresseerd. Mijn vriendin had de tekst overgeschreven en ik vond die prachtig. Ik was op een leeftijd waarop ik ontdekte wie ik zelf was, los van het gezin, van mijn positie als oudste dochter. Ik had toen al iets rebels. Ik zat op school in Bilthoven, een soort monocultuur, erg geprivilegieerd, allemaal hetzelfde. Terwijl ik zelf joods ben en uit een familie kom met veel migratiegeschiedenis, ook een beladen geschiedenis. Dit lied was een oproep tot vrijheid, ik voelde dat ik mijn eigen pad moest durven gaan. Na de middelbare school ben ik snel naar Amsterdam vertrokken, het werd me allemaal te klein, te beperkt. Daarna woonde ik in Israël en Italië. Ik heb ook heel wat gekke dingen in mijn leven gedaan, dus ja, het motto past bij me: ik durf wel te leven.

Tegelijk ben ik wel in discussie met de tekst, want ik ben het er niet honderd procent mee eens. Het roept behalve instemming ook iets van weerstand op – en daarom blijft het intrigeren en doe je nieuwe inzichten op. Lap aan je laars hoe een ander het vindt. Ja ja, natuurlijk moet je eigen keuzes maken en alles lekker zelf weten. Maar ik vind het ook belangrijk om rekening te houden met anderen en iets bij te dragen aan de samenleving. Dus als je de levenshouding uit het lied combineert met wat meer solidariteit en compassie, dan heb je ‘m wat mij betreft te pakken.

Ik ben zelf joods en kom uit een familie met veel migratiegeschiedenis, ook een beladen geschiedenis. Dit lied was een oproep tot vrijheid, ik voelde dat ik mijn eigen pad moest durven gaan

Chantal Suissa-Runne

Ik zoek altijd de balans tussen gemeenschap en individualiteit. Ik denk dat we in dat laatste soms te ver zijn doorgeschoten en the greater good vergeten. Tegelijkertijd zou ik niet meer terug willen naar de tijd van de verzuiling waarin dit lied werd geschreven, waarin iedereen in zijn eigen hok moest blijven. Gemeenschappen – religieus, cultureel, maatschappelijk – kunnen heel beklemmend zijn.

Ik ben vanuit de joodse gemeenschap betrokken bij het kennismakingsproject ‘Leer je buren kennen’ en hoor daardoor jongeren van allerlei achtergronden vaak zeggen dat ze echt niet thuis hoeven te komen met iemand uit een andere cultuur. Dan denk ik: ach kind, dan ben je zestien en bepalen anderen wat je moet doen. Ik herken dat; in mijn eigen gemeenschap ligt het ook gevoelig of je wel of niet met een joodse partner trouwt. Bij mijn eigen partnerkeus heb ik ook weleens discussies gehad met mijn ouders, maar ze hebben mij gelukkig nooit een strobreed in weg gelegd.

Joodse ouders staan te springen als ze door hun kinderen worden tegengesproken, omdat het zo belangrijk is om te leren argumenteren en je gedachten te vormen. Dat is bij mijn eigen dochters net zo

Chantal Suissa-Runne

Ik heb me zelden buitengesloten gevoeld, maar wel altijd anders. Ik zat op een joodse jeugdvereniging, had andere gebruiken en feestdagen en at bepaalde dingen niet. Als blond meisje met blauwe ogen was aan mij niet zo veel te zien, maar er ging een wereld achter schuil, een parallel universum. Nog steeds ben ik niet los te zien van mijn joodse identiteit. Kritisch durven denken, alles ter discussie stellen – dat zijn elementen die ik ook in dit lied hoor. Joodse ouders staan te springen als ze door hun kinderen worden tegengesproken, omdat het zo belangrijk is om te leren argumenteren en je gedachten te vormen. Dat is bij mijn eigen dochters net zo. Je moet zelf keuzes durven maken. En hoewel je vooral betekenis krijgt bij gratie van wat je een ander kunt geven, moet je niet alles van anderen verwachten. Ik vind het te makkelijk om je geluk of zingeving extern te zoeken. Je moet ook in jezelf durven zoeken: Wat je zoekt, kan geen ander je geven.”