Waar begint het christendom? Bij Jezus, zullen veel mensen antwoorden. Maar dat vindt liberaal theoloog Wouter Slob “bepaald geen vanzelfsprekende gedachte”. Jezus was een joodse rabbi, denkt hij dan. Jezus was een man die aan het begin van de jaartelling als wonderdoener en prediker door Palestina reisde.

“Waar ik op uit ben gekomen”, vertelt Slob bij hem thuis in Zuidlaren, een dorp in Drenthe waar hij predikant is namens de Protestantse Kerk in Nederland, “is dat het gaat om de erkenning dat Jezus ‘de Christus’ is. Dan heb ik het niet over de historische werkelijkheid van toen, maar over het concrete bestaan van iedere gelovige door de geschiedenis heen. Jezus stelde de vraag aan de leerlingen: wie zeggen de mensen dat ik ben? Het antwoord van de discipelen is: de één zegt Elia, de ander zegt Johannes de Doper. Maar wie zeggen jullie dat ik ben?, vraagt hij. Dan zegt Petrus: ‘U bent de Christus.’ Voor mij begint dáár het christendom.”

Geen historisch feit

Slob is theologisch dus niet zo geïnteresseerd in de historische Jezus. Hij is net terug van een reis door Israël, een land vol geschiedenis. “Ik heb niet het gevoel dat ik daar dichter bij Jezus ben. Die historische feitelijkheid is niet de basis van het geloof. Waar het in het geloof om gaat is: laat je je gezeggen door het woord van God? Heeft het jou iets te melden? Aanvaard je het? Wat betreft de opstanding van Christus; of hij wel of niet is opgestaan – is dat nou een historische vraag of een geloofsvraag? Zelf ben ik overtuigd dat Pasen niet 2000 jaar geleden is gebeurd, maar dat Pasen gebeurt in de paasochtenddienst, wanneer de predikant de gemeente begroet met de woorden: ‘De Heer is opgestaan’, en de gemeente antwoordt: ‘Hij is waarlijk opgestaan.’ Dat ‘waarlijk opgestaan’ verwijst niet naar een historisch feit, maar is de aanvaarding dat dat het kader is waarbinnen jij je leven wil leiden.”

Pasen is niet 2.000 jaar geleden gebeurd

Wouter Slob

Het christelijk geloof gaat dus niet om feiten, maar om de betekenisgeving in het leven van hier en nu, is de overtuiging van Slob. “Ik denk dat het christendom een betekeniskader geeft aan jouw leven dat onbeschaamd beter is dan een seculier leven. Dat komt omdat jouw bestaan betekenis krijgt in de liefde van Christus. Als je die liefde niet hebt, moet je iedere dag opnieuw tegen de klippen op jouw bestaan bewijzen en bevechten. Dat is wat ik iedereen zie doen. Iedereen probeert een plekje onder de zon te verdienen. In de liefde van Christus hoef je jezelf niet te bewijzen. Eindelijk krijg je rust. Ik denk dat onze tijd hunkert naar die rust.”

Het gesprek met Wouter Slob vindt plaats om het antwoord te zoeken op de meest basale vraag denkbaar voor een christen: wat kwam Jezus eigenlijk doen? Maar in de ogen van de liberale theoloog moet die vraag andersom worden gesteld. Dan is de vraag: welke betekenis geven wijzelf, anno 2020, aan Jezus Christus?

Joodse hervormer

Iemand die beter uit de voeten kan met die eerste, basale vraag, is nieuwtestamenticus Annette Merz. Zij is verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit. In het voormalige bankgebouw in het centrum van Groningen waar het instituut is gevestigd, komt ze aanlopen met een exemplaar onder haar arm van het handboek waarvan ze medeauteur is. Het gaat om het boek The historical Jesus, een synthese van het historische-Jezus-onderzoek.

Annette Merz

Teruggaan naar de historische feiten vindt zij van belang, “omdat ik van mening ben dat het christendom niet voor niets teruggaat op een historische figuur, op een Jezus die intenties had. Wat er van geworden is, ligt voor een groot deel in het verlengde van wat Jezus zelf wilde, maar voor een deel ook niet. Jezus was een jood en wilde het jodendom hervormen, net als veel andere profeten in zijn tijd. Redelijk vroeg in het christendom ontwikkelden zich anti-judaïstische stereotypen, die vergeten dat Jezus een jood was. Dan vind ik dat dat gecorrigeerd moet worden. En ook vind ik dat Jezus het recht heeft, zoals ieder individu, om als individu gehoord te worden. Ikzelf wil geen theologie bedrijven zonder de historische Jezus en überhaupt zonder een sterke historische verankering, omdat alle theologie contextueel is. Dat is nog steeds zo. Het is belangrijk of je christen bent in Azië, in Europa of in Latijns-Amerika. Een bevrijdingstheologie die vanuit armoede en uitbuiting naar de Bijbel kijkt, ziet andere dingen dan een westerse, intellectuele theologie.”

Jezus groeide op in een Palestina dat al eeuwen zuchtte onder de heerschappij van grote heidense rijken: op dat moment de Romeinen, maar daarvoor achtereenvolgens de Assyriërs, de Babyloniërs, de Grieken, de Ptolemaeën en de Seleuciden. Tegen die achtergrond was in het jodendom een apocalyptische traditie ontstaan, die in de meest uiteenlopende beelden sprak over een Eind der Tijden dat de komst van het Koninkrijk van God zou inluiden. Niet zelden braken gewapende opstanden uit tegen de Romeinse overheersing en de joodse elite, vaak onder leiding van mensen die zichzelf de ‘messias’, de gezalfde, noemden. Deze joodse rebellen worden nu vaak ‘zeloten’ genoemd. Vlakbij Nazareth lag de stad Sepphoris, die in Jezus’ kindertijd met de grond gelijk was gemaakt door de Romeinen, als vergelding voor een opstand aangevoerd door de ‘messias’ Judas de Galileeër.

Ook Jezus ging het Koninkrijk van God verkondigen. Merz: “Dat is het meest bijzondere bij Jezus, dat hij zegt: het komt én het is er al. Een centrale tekst is Lucas 11,20, als hij demonen heeft uitgedreven. Jezus zegt dan: ‘Als ik dankzij een kracht die van God komt demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij jullie gekomen.’ Dus het Koninkrijk is daar waar genezing plaats vindt en waar de gemeenschap hersteld wordt met mensen die door ziekte waren buiten gesloten. Het Koninkrijk van God betekent dat God de heerschappij uitoefent. Dat is in de tijd van de evangeliën problematisch, omdat de joden niet zelf de bestuurders zijn van hun land. Een van de kernvragen van die tijd was: moet je als jood helpen om het Koninkrijk van God te vestigen? Dat deden de zeloten, die de gewapende strijd voerden. Die beweging eindigt in de grote Joodse Oorlog en met de vernietiging van de Tempel in het jaar 70.

Maar volgens mij had Jezus een anti zelotische boodschap. Hij is niet voor niets bekend vanwege zijn pacifistische basisovertuiging: geen weerstand, keer de andere wang toe. Jezus voert de strijd niet met de Romeinen, maar met de demonen. Daarachter zit de overtuiging dat satan en de demonen de tegenstanders zijn van God, en dat de Romeinen in datzelfde kamp horen. Jezus voert een plaatsvervangende oorlog: niet met de mensen, maar met de hemelse machten. Hij is dus een charismatisch begaafde genezer, die macht kan uitoefenen over deze krachten. Dat betekent dat als deze boze geesten vluchten en het Koninkrijk van God arriveert, dat de Romeinen het niet meer voor het zeggen hebben.”

Verzoening door dood

Met zijn kruisdood lijkt de missie van Jezus mislukt, net zoals die van de talloze andere ‘messiassen’ uit zijn tijd. Bovendien wordt veertig jaar later de Tempel in Jeruzalem vernietigd en de joodse bevolking weggevoerd. Het Koninkrijk van God lijkt erg ver weg. Tegelijkertijd beweerden de volgelingen van Jezus al vrij snel na diens dood dat ze hadden gezien dat hij weer levend is geworden. Onder de farizeeën, de joodse beweging waarmee Jezus affiniteit had, bestond een geloof in een algemene opstanding der doden. Maar het was een revolutionair idee dat één iemand al eerder tot leven was gekomen. Toch verspreidde dit laatste geloof zich onder Griekssprekende Joden in de diaspora, die Jezus in het Grieks de ‘Christus’ (gezalfde) gingen noemen. Zo ontstond een ‘christologie’, waarin tot op de dag van vandaag wordt nagedacht over wat de betekenis van Jezus nu precies is.

Jezus voert de strijd niet met de Romeinen, maar met de demonen

Annette Merz

In het christendom groeide het idee dat de dood van Jezus een verzoening heeft bewerkstelligd tussen God en de mensheid. In het oudste evangelie, van Marcus, staat al één zinnetje: de Mensenzoon heeft zijn leven gegeven ‘als losgeld voor velen’.

Maar ook eerder al, in het apocalyptische, joodse denken, bestonden noties over een verzoenend martelaarschap, weet Annette Merz. “In het historisch onderzoek is het omstreden in hoeverre Jezus hier zelf iets over heeft gezegd, maar wat men wel kan zeggen, is dat in de vroegjoodse martelaarstheologie het idee bestaat dat martelaren een soort verzoening bereiken voor de andere zondige mensen. Dan moet je bij boeken zijn die horen bij de oudtestamentische apocriefen, zoals het tweede en het vierde boek van de Makkabeeën. Ook is er een tekst in Jesaja waarin het gaat over ‘de knecht des Heren’, met zinnen als: ‘Hij droeg onze zonden’, en ‘Door zijn straf zijn wij genezen’. Dit ligt dus binnen de kaders van wat binnen het jodendom gedacht kon worden: dat God plaatsvervangend één persoon het leven ontneemt.”

Van grote invloed op het denken hierover was de verzoeningsleer van Anselmus, de aartsbisschop van Canterbury in de elfde eeuw, die het boek Cur Deus Homo schreef: ‘Waarom God mens werd’. Hij reageerde hiermee op de vragen die joden en moslims hadden bij het idee van de incarnatie van God, en verzette zich tegen de gangbare overtuiging dat Christus de mensheid uit de macht van de duivel had bevrijd. Anselmus’ idee kennen we nu als de leus: verzoening door voldoening.

Wouter Slob

“Anselmus heeft een ingenieuze oplossing”, vertelt Wouter Slob. “Hij zegt: de mens heeft in de zondeval de goedheid van Gods schepping gebroken en heeft daarmee een oneindige schuld op zich geladen. Met die erfenis zit het menselijke geslacht nog steeds, en die schuld moet gedelgd worden. Maar de mens is eindig, dus een mens kan geen oneindige schuld delgen. Daarom moet God het zelf komen doen, want alleen een oneindige God kan een oneindige schuld voldoen. Dat kan Hij alleen niet doen als God zelf, want dan zou het niet tellen voor de mens. Dus is God mens geworden om aan het kruis de schuld te betalen.”

Dat deze gedachte tot op de dag van vandaag zo’n stempel drukt op katholieken, gereformeerden en evangelischen komt doordat het volgens Slob een overzichtelijke redenering is. “Het is makkelijk te overzien en sluit aan bij het idee: voor wat hoort wat. Als je schuld hebt, moet er een boete betaald worden. Het sluit aan bij een idee van beloning en straf.”

Maar het is dubbel: tegelijkertijd is de theorie van Anselmus een reden dat christenen afhaken, denkt Wouter Slob. “Technisch is het natuurlijk een rare gedachte dat Gods almacht zou verhinderen dat hij mensen gewoon vergeeft”, noemt hij. “Nog lastiger wordt het als je je gaat afvragen: oké, er moet worden betaald. Door God. Maar aan wie? Als het aan God is, dan is dat vestzak-broekzak. Nog doller wordt het als je zegt dat er aan de satan moet worden betaald. Alsof de duivel een claim kan hebben op God! Dus als je dit allemaal optelt, is die theorie van Anselmus, die heel vanzelfsprekend lijkt, helemaal niet zo vanzelfsprekend.”

Kruisdood voor alle slachtoffers

Zelf is Slob “erg fan van een andere verzoeningstheorie die in de geschiedenis vrijwel tegelijkertijd met Anselmus is ontstaan, namelijk die van Abélard. Abélard zegt: als je Anselmus volgt, dan is de kruisiging het hoogtepunt van de heilsgeschiedenis. Want aan het kruis wordt betaald, in het vloeien van het bloed. Maar het is gek de kruisdood als het hoogtepunt van de heilsgeschiedenis te nemen. Wat in de kruisiging gebeurt, is dat God wordt gedood. Dat is natuurlijk het dieptepunt. Abélard zegt: als je je realiseert dat God daar is gekruisigd, en als je je realiseert dat dat niet gebeurd is door een paar foute joden uit die tijd maar dat dat te maken heeft met de zonde van de mensheid, en dus met alle tekortkomingen en al het geweld en al het onrecht dat ooit door mensen gepleegd is, dan heeft die kruisdood ook met ons te maken. Wie het kruis ziet, realiseert zich: de God die daar hangt is gedood omwille van mijn schuld. God is geslachtofferd vanwege het belang dat mensen hebben. Dat menselijke belang prevaleert overal waar slachtoffers vallen. Dus in de kruisdood van Jezus zijn in feite alle slachtoffers gekruisigd.

Wat Abélard dus zegt, is: als je je realiseert dat Christus ook om jouw zonden aan het kruis hangt, dan kruip je naar het kruis toe om Christus om vergeving te smeken. En die vergeving krijg je omdat Christus jou die reële schuld niet aanrekent. Het woord ‘liefde’ past bij Abélard, en maar indirect bij Anselmus. Als je je afvraagt waarom God mens werd, heeft dat bij Anselmus te maken met de verzoening. Maar ik denk dat het te maken heeft met de gedachte dat God een liefdesrelatie met mensen wil aan gaan.”

Van God afgescheiden

De katholieke priester en theoloog Jozef Wissink groeide in de jaren vijftig op in het Gelderse dorp Keijenborg. Nog haarfijn staat het fresco voor ogen dat hij als kind zag in de lokale kerk: een gekruisigde Jezus, van wie het bloed door een engel wordt opgevangen in een kelk. “Ik ben opgegroeid met het idee dat het ging om een verzoening’, vertelt hij. “Dat sloeg met name op dat wij gezondigd hadden, dat de relatie met God verbroken was en dat dat hersteld moest worden.”

Jozes Wissink

Toen Wissink later theologie ging studeren, zag hij dat er een contrast zit tussen het oosters-orthodoxe en het westerse denken over de betekenis van Jezus’ lijden en sterven. “Ik ontdekte dat het oosten altijd het hoofdaccent heeft gelegd op het feit dat wij ons van God afgescheiden hebben en daardoor het leven dreigden te verliezen, het ‘liefdeleven’, en dat dat hersteld is in Jezus Christus. Maar in het westen kwam de satisfactieleer van Anselmus op, met de nadruk op de voldoening. Misschien is op dat punt in de Reformatie iets misgegaan, doordat men ging denken dat het zoenoffer van Christus bedoeld was om God als het ware óm te stemmen, om te zorgen dat Hij niet meer kwaad zou zijn. Dat idee bestaat in de katholieke traditie minder, daar is God nooit kwaad geweest. Als Christus’ dood een offer is, dan is dat offer er niet om Hem weer goed te maken maar om óns weer goed te maken.”

In het oosterse denken ligt de nadruk volgens Wissink op het herstel door Christus van het leven. Daarmee bedoelt hij: een leven in volheid, in liefde. “Jezus zei bijvoorbeeld: ‘opdat zij leven hebben in overvloed’. Dan gaat het om ‘eeuwig leven’, waarmee een gemeenschapsleven met God wordt bedoeld. Dat staat ook in Johannes 17,3, waarin Jezus zegt: ‘Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen en hem die U gezonden heeft.’ En ‘U kennen’ betekent hier: liefhebben. Dus dat ‘eeuwige leven’ is Hem kennen. Dat eeuwige leven is er nu al en niet kapot te krijgen. Daarom gelooft Johannes in een hiernamaals. Want als het eeuwige leven niet kapot te krijgen is, dan betekent het dat de dood het einde niet zal zijn. Hoe dat precies gaat, weet Johannes ook niet. Dat weet trouwens geen mens.”

In de katholieke traditie is God nooit kwaad geweest

Jozef Wissink

Wissink noemt de Zweedse theoloog Gustaf Aulén, die in 1930 het boek Christus Victor schreef. “Aulén zei daarin: er zijn drie visies op de verlossing”, vat hij samen. “De ene is: Christus als voldoener van onze schuld bij God, zoals Anselmus dat heeft beschreven. Daarnaast: Christus als voorbeeld, waarbij hij de theorie van Abélard noemde. En tot slot: ‘Christus Victor’. Dat is de kijk op Christus als overwinnaar op de duivel en het kwaad.” Al vanaf de begindagen van het christendom duiken deze drie ideeën op. “Je zou kunnen zeggen: als één van de drie totaal ontbreekt in je denken, dan heb je niet zo’n goede leer voor je. Als je antwoord geeft op de vraag: waar is Jezus voor gekomen?, dan moet er méér zijn dan alleen de uitleg dat hij kwam om ons van de zonden te verlossen. Hoe waar dat ook is. Dan moeten er óók woorden vallen over het vestigen van het Koninkrijk, over de strijd tegen het kwaad en over het instorten bij mensen van een leven van liefde.”

Verlossing hoezo?

Twee jaar geleden bracht de protestantse theoloog Reinier Sonneveld het boek Het vergeten evangelie uit (Buijten en Schipperhein, 296 blz., €19,90) waarin hij betoogt dat de leer van Anselmus on-Bijbelse trekken heeft en dat er meer te zeggen valt voor de Christus Victor-theorie. Zijn boek herinnert aan de rel in 1997 rond nieuwtestamenticus Cees den Heyer, toen die iets vergelijkbaars beweerde. Den Heyer stapte toen vervroegd op als hoogleraar aan de Theologische Universiteit van Kampen, verbonden aan de toenmalige Gereformeerde Kerken. Naar aanleiding van Sonnevelds betoog werd in februari bij dezelfde uitgever het boek Hoe kan Jezus’ kruisdood ons verlossen? (William den Boer e.a., 208 blz., € 22,95) gepubliceerd. Hierin kijken theologen kritisch naar de Christus Victor-leer. In een van de artikelen laat onderzoekshoogleraar Riemer Roukema zien dat de eerste kerkvaders direct al verschillende betekenissen gaven aan de kruisdood van Jezus Christus.

U leest een artikel uit het rijke archief van religiejournalistiek van Volzin. Dit artikel verscheen in april 2020 in Volzin Magazine.