De herdenking op 4 mei heeft ook dit jaar weer de nodige controverses opgeleverd. Het herdenken van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in Nederland en het voormalige Nederlands-Indië lijkt een ingewikkelde zaak te zijn geworden. Dit is echter niet nodig, als wij bepaalde uitgangspunten hanteren. In deze bijdrage wil ik deze uitgangspunten op het spoor komen door de jaarlijkse dodenherdenking in het licht van de Joodse traditie te stellen. Wij zullen zien dat deze traditie ons drie punten aanreikt om de herdenking op 4 mei een heldere invulling te geven.

Streep onder verleden

In de eerste plaats gaat het om de vraag waarom wij nog gebeurtenissen zouden moeten herdenken, die de meeste van ons – mijzelf inbegrepen – niet hebben meegemaakt. Kan er niet beter een streep onder het verleden worden gezet? Hierop biedt de Joodse traditie een duidelijk antwoord. Tijdens het Joodse feest van Pesach wordt de uittocht uit Egypte herdacht, een gebeurtenis die ons meer dan drieduizend jaar terug in de geschiedenis voert. Niet bepaald een actueel thema, zou je zeggen. Niettemin is in de Hagada van Pesach, de gids die wordt gebruikt om Seideravond te vieren, een duidelijke aanwijzing opgenomen waarom dit herdenken van de Uittocht ook nu nog steeds moet gebeuren: “In elke generatie is een mens verplicht om zichzelf te zien alsof hij zelf uit Egypte is weggetrokken.”

Individueel in beeld

Het verleden is niet een afgesloten iets; het leeft in ons voort. Ook wat tijdens de Tweede Wereldoorlog is gebeurd, ligt niet achter ons, maar ligt in ons. Dit geldt in het bijzonder voor de vervolging van de Joden in Europa, die wij met Sjoa, het Hebreeuwse woord voor ‘vernietiging’, aanduiden. De Sjoa is niet in de geschiedenis verdwenen, zoals de nazi’s hadden gehoopt, toen zij op het einde van de oorlog de vernietigingskampen met de grond gelijk trachtten te maken. Op velerlei wijze wordt de Sjoa nog steeds herdacht. Tegenwoordig probeert men de slachtoffers individueel in beeld te brengen. Zes miljoen doden is een onvoorstelbaar gegeven, maar het gedenken van de moord op mensen van wie wij de naam en levensgeschiedenis kennen, is concreet en roept een directe reactie op: verdriet, woede, onbegrip, rouw. Waar hun dood door de nazi’s zo anoniem mogelijk werd gehouden – zij werden een nummer in plaats van een naam – komen dankzij deze wijze van herdenken mensen in beeld, wier leven bruut werd afgebroken, opdat in Europa het jodendom voor goed zou zijn verdwenen.

Onderscheid maken

In de tweede plaats gaat het om het maken van onderscheid. In de Joodse traditie wordt hierop grote nadruk gelegd. Elke week aan het einde van de sjabbat is er een ceremonie, waarbij onderscheid centraal staat: onderscheid tussen de sjabbat en de andere dagen van de week, onderscheid tussen heilig en profaan, onderscheid tussen licht en duisternis. Havdala heet deze ceremonie en dat woord komt van een Hebreeuwse stam, die ‘onderscheid maken’ betekent. Wat leert het ritueel van Havdala ons nu over wat op 4 mei dient te gebeuren? Waartussen moeten wij onderscheid maken? De laatste tijd wordt gesteld dat de jaarlijkse dodenherdenking zou moeten worden verruimd. Ook de daders zijn in beeld gekomen. Dit is geen goede zaak. Het maken van onderscheid tussen slachtoffer en dader is wezenlijk voor het werkelijk gedenken van de misdaden die zijn begaan. Wie iedereen wil gedenken, gedenkt in feite niemand.

Betekenis van gedenken

In de derde plaats gaat het om de vraag: wat is de betekenis van gedenken? Ook hier geeft de Joodse traditie een duidelijke richtlijn. Gedenken is doen, zo wordt ons geleerd. Iemand herinneren is niet hetzelfde als iemand gedenken. Op dodenherdenking herdenken wij de doden om van daaruit te handelen. Herinneren is belangrijk, maar niet voldoende.

Men stelt zich wel de vraag naar de zin van wat in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Is er een zin in de Sjoa te vinden? Hierover wordt heel verschillend gedacht. Aan de ene kant moeten wij oppassen dat wij niet te gemakkelijk een zin geven aan een zinloze dood om zo pijn te verzachten of schuld te verbloemen. Aan de andere kant is het gedenken van de doden een zinvolle daad, al was het alleen al om hen en hun bitter lot niet te vergeten.

Alert zijn

Het was een grote zorg van de Joden in het getto van Warschau dat later niemand zou weten wat er met hen was gebeurd. Daarom tekende men wat in het getto geschiedde, op en verstopte men die berichten in melkflessen, die werden begraven. Na de oorlog zijn deze getuigenissen teruggevonden. De misdaden van de nazi’s zijn niet verborgen gebleven.

Wij kunnen de doden niet gedenken zonder te handelen. Dit vraagt om een voortdurend alert zijn op wat in de wereld gebeurt. Waar worden bevolkingsgroepen uitgesloten? Waar wordt haat gepredikt? Waar dreigt massamoord? Op 4 mei gedenken wij de doden door te doen wat nodig is om hun nagedachtenis te eren. Dit houdt ook in dat wij steeds moeten blijven strijden tegen het kwaad dat hun ondergang heeft bewerkstelligd. Zo zal hun nagedachtenis ons tot zegen zijn.

Prof. dr. Klaas A.D. Smelik (Hilversum, 1950) studeerde theologie, semitische talen, oude geschiedenis en archeologie in Utrecht, Amsterdam en Leiden. Hij was verbonden aan de Universiteit Utrecht, de Universiteit van Amsterdam, de Universitaire Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid in Brussel, de Katholieke Universiteit Leuven en tot zijn emeritaat aan de Universiteit Gent voor de vakgebieden Hebreeuws, Jodendom en Oude Testament. Hij publiceerde de dagboeken en brieven van Etty Hillesum.