Het is een gewaagde grap die Paulus maakte in de oudste brief die we van hem hebben, zijn brief aan de christengemeenten in de Romeinse provincie Galatië, het huidige Turkije. ‘Ze moesten zich laten castreren, die onruststokers!’, schrijft de zendeling fel, zo’n twintig jaar na de kruisdood van Jezus.

In de Galatische steden had Paulus het evangelie van Jezus Christus verkondigd. Sinds de dood van Jezus konden alle heidenen deelhebben aan het Koninkrijk van God, zonder dat ze zich hoefden te houden aan de Joodse Wet. Maar na Paulus’ vertrek hadden andere Jezus-aanhangers dit tegengesproken in dezelfde christengemeenten. Hun boodschap was dat ieder die Jezus wilde volgen besneden moest zijn, volgens het eeuwenoude Joodse gebruik.

Toen Paulus daarvan hoorde, uitte hij zijn dubbelzinnige verwensing aan het adres van degenen die hem de voet dwars zetten. Zijn grap was dat hij hiermee verwees naar de heidense verering in Galatië van de moedergodin Cybele. Om haar te kunnen dienen, sneden de haar toegewijde priesters hun testikels af.

Het is niet het enige komische moment in een Paulus-brief. In zijn tweede epistel aan de christengemeente in de Griekse stad Korinthe komt hij onverwacht ironisch uit de hoek als hij zegt dat hij door het wantrouwen van de Korinthiërs zich gedwongen voelt om over zichzelf op te scheppen. Volgens de Britse theoloog N. T. Wright persifleert Paulus vervolgens de traditie die onder Romeinse bestuurders bestond om een lijst aan te leggen van de eigen glorievolle prestaties, een lijst die in marmer of steen werd gebeiteld.

Paulus was het lachen dus niet verleerd, ondanks het zware leven dat hij had moeten leiden

jurgen tiekstra

‘Door de Joden ben ik vijfmaal met veertig min één zweepslagen gestraft’, begint Paulus zichzelf te roemen, met gevoel voor satire. ‘Ik ben driemaal met stokslagen gestraft, ik ben eenmaal met stenen bekogeld en heb driemaal schipbreuk geleden. Eén keer heb ik een heel etmaal op zee rondgedreven. (…) Ik heb gezwoegd en geploeterd, vaak zonder te slapen, hongerig en dorstig, vaak zonder te eten, verkleumd en zonder kleren.’ Waarna hij tot slot ook de spot nog drijft met zijn eigen heiligheid: ‘Als er iemand zwak is, dan ben ik het wel; gaan anderen onder verleidingen gebukt – ik word erdoor verteerd.’

In zijn verontwaardiging over het feit dat de Jezus-volgelingen in Korinthe zich van hem lijken te hebben afgekeerd, houdt hij ze voor dat hij hen nooit iets kwaads heeft gedaan. Tijdens zijn bezoeken aan de stad had hij hen nooit om geld gevraagd, ook al was hij arm en heeft hij van de gemeenten in bijvoorbeeld Macedonië wel financiële hulp gekregen. Op dreef in zijn ironie schrijft Paulus: ‘U bent in vergelijking met de andere gemeenten niets tekortgekomen, op één ding na: ik heb u niets gekost. Vergeef me deze onrechtvaardigheid.’

Beetje dwaas

Paulus was het lachen dus niet verleerd, ondanks het zware leven dat hij had moeten leiden sinds hij in de buurt van Damascus tot het inzicht kwam dat de gekruisigde Jezus de vervulling was van Gods beloften in de Joodse geschriften. Sterker nog: op een bepaalde manier raakt humor aan een kern van het christelijk geloof. ‘U staat me wel toe dat ik een beetje dwaas doe. Daar hebt u vast geen bezwaar tegen’, schreef Paulus met lichte spot in zijn brief.

Dat humor een fundamenteel aspect vormt van het religieuze leven is een idee van de negentiende-eeuwse Deense filosoof Søren Kierkegaard. Anders dan dieren beschikken mensen over de nogal opmerkelijke eigenschap dat ze kunnen lachen; in het beste geval niet alleen om anderen, maar ook om zichzelf. Dat komt doordat een mens een zelfbewust wezen is. Een dier is niet in staat op zichzelf te reflecteren, maar wordt louter geleid door de impulsen van zijn instinct. Voor een mens is dat anders. Zijn zelfbewustzijn dwingt hem tot een ander leven. Hij wordt gedwongen om zichzelf te verhouden, allereerst tot zijn feitelijke bestaan – met dit lichaam, op deze plek, in deze tijd, met dit verleden. Maar op de tweede plaats wordt de mens gedwongen zich te verhouden tot zijn ingeboren vermogen om die feitelijkheid te kunnen ontstijgen.

Anders dan dieren beschikken mensen over de nogal opmerkelijke eigenschap dat ze kunnen lachen

jurgen tiekstra

Kierkegaard onderscheidde op dit punt drie existentiesferen, drie manieren van leven: de esthetische, de ethische en de religieuze. De esthetische mens heeft geen zin om zich op een actieve manier tot zichzelf te verhouden. Dat betekent dat hij zich zonder veel gedachten overgeeft aan zijn primaire impulsen en dus aan zijn onmiddellijke lichamelijke behoeften, net zoals een Don Juan zich overgaf aan zijn verlangen naar de vrouwelijke seksualiteit. Hij bekommert er zich niet om dat hij in zijn drang naar bevrediging een ander kan kwetsen. Het maakt hem ook niet uit dat hij aan de oppervlakte leeft van zijn directe behoeften, in een bestaan zonder diepte. Hetzelfde geldt voor een ander kaliber estheet: iemand die opgaat in zijn verlangen om elke kans op verveling te vermijden en zich overgeeft aan het vermaak van muziek en literatuur.

De ethicus

De ethicus beziet dit met opgetrokken wenkbrauwen. In zijn ogen is deze esthetische manier van leven een doodlopende weg naar vertwijfeling. Anders dan een estheet neemt een ethicus zichzelf serieus. Hij is iemand, zegt Kierkegaard, die “zichzelf als een stel kleren heeft aangetrokken, zichzelf totaal doordrongen heeft, op zo’n manier dat men zich bij iedere beweging die men uitvoert bewust is van een verantwoordelijkheid voor zichzelf”. In de ethische existentiesfeer verhoudt een mens zich actief tot zichzelf, in het besef dat het bestaan niet alleen een ‘mens-zijn’ is, maar ook een ‘mens-worden’.

Om die reden bekwaamt een ethicus zich erin zijn ideale zelf te worden, met de gedachte dat ieder mens geroepen is: om lief te hebben, om te werken, om een vriend te zijn. De ethicus verhoudt zich dus niet alleen tot zichzelf, maar ook tot de wereld. Belangrijker nog: hij voelt zich verantwoordelijk. Een wereldverbeteraar is misschien wel het summum van een ethicus: hij moet het onrecht uit de wereld bannen, de klimaatverandering intomen, een vriendelijk mens zijn. En vanzelfsprekend ook carrière maken en gelukkig zijn.

De religieuze mens leeft in het besef dat het ethische streven een tragische component in zich heeft

jurgen tiekstra

De religieuze mens daarentegen leeft in het besef dat het ethische streven een tragische component in zich heeft. Ook deze existentiesfeer zal in vertwijfeling eindigen, weet hij, omdat wat de ethische mens kan bereiken nooit voldoende zal zijn. Denk aan het scheppingsverhaal in het Bijbelboek Genesis waarin de mens geschapen werd als het ‘evenbeeld’ van God, met het idee dat de mens dan zou kunnen heersen ‘over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt’.

Met het schaamrood op de kaken kan die ethische mens terugkomen bij God: ‘Sorry baas, het heersen is niet helemaal goed gegaan.’ De mens is een verroeste kroon op de schepping. Met enige overdrijving kan gezegd worden dat de zeeën die de mens beheerde zijn leeggevist, dat de vogels over wie hij heerste hun broedplaatsen zijn kwijtgeraakt en dat het vee wegkwijnt in industriële schuren. Bovendien is de goede aarde verworden tot een parkeerplaats.

Gebrekkig

De mens, óók de ethische mens, is een gebrekkig wezen. Het paradijs ligt niet binnen zijn handbereik. Dat is een tragisch besef. En het onvermogen van de mens om dat paradijs te bereiken, noemen we zijn ‘zondigheid’. Hier aangekomen verandert het tragische in het tragikomische. Want in de kerk is vaak geleerd dat de mens zich in een ‘Catch-22’ bevindt, een situatie waar hij niet uit kan komen: de mens wordt veroordeeld voor zijn zondigheid, maar hij kan niet niet zondig zijn. Hij wordt bestraft voor iets wat hij niet kan verhelpen: zijn ingeboren zondigheid, zijn met de baarmoeder gegeven beperktheid. Tot zover zijn bestaan als een ‘evenbeeld van God’, tot zover zijn ‘imitatio Christi’; het nastreven van het voorbeeld van Jezus. Een mens kan dus ploeteren wat hij wil, maar het is altijd tevergeefs. Hij kan zichzelf niet zalig maken.

De kloof tussen de gebrekkigheid van het werkelijke leven van een mens en diens gedroomde bestaan als het levende ‘evenbeeld van God’ is lachwekkend groot

jurgen tiekstra

Daar is Paulus een voorbeeld van. Hij was een trotse Farizeeër, die overtuigd was dat hij het Koninkrijk van God naderbij kon brengen door zich nauwgezet te houden aan de Wet en zich te bekwamen in de jacht op ketters. Die eigenwaan moest hij inslikken toen het visioen op weg naar Damascus hem zijn verdwaasdheid voorspiegelde: de door hem verketterde Jezus van Nazareth, die als een opstandeling door de Romeinen was gekruisigd terwijl Paulus als jonge, ijverige Jood in Jeruzalem met zijn hoofd bij andere zaken was, was wel degelijk de aangekondigde messias die voor een goddelijke ommekeer zou zorgen.

Vervolgens ging Paulus die waarheid verkondigen, maar kreeg hij ruzie met de eerdere apostelen, ontving hij honderden zweepslagen, werd hij gestenigd, dobberde hij op zee, zat hij gevangen, en moest hij in een mand door een venster naar beneden worden gelaten om uit Damascus te kunnen ontsnappen. Zijn bestaan was twaalf steden, dertien ongelukken. Zoals hij schrijft: ‘Als ik mij dan toch op iets moet laten voorstaan, doe ik het op mijn zwakheid.’

Maar alsnog kon Paulus om zichzelf blijven lachen. En het is op dit punt dat volgens de Deense filosoof Søren Kierkegaard de humor een kern vormt van het religieuze bestaan. De lach zit hem vaak in de contradictie, en die contradictie is hier levensgroot aanwezig: de religieuze mens streeft net als de ethicus een ideaal na, maar beseft tegelijkertijd dat hij dat ideaal niet zal bereiken. De kloof tussen de gebrekkigheid van het werkelijke leven van een mens en diens gedroomde bestaan als het levende ‘evenbeeld van God’ is lachwekkend groot. Zo groot dat het om te huilen is. Maar vlakbij de traan is altijd de lach.

Stap achteruit

Bij die lach kom je als je een stap achteruitzet. Humor vereist dat een mens van een afstandje naar zichzelf kijkt. Daarvoor moet een mens de pijn en de schaamte vanwege zijn mislukkingen achter zich laten. In het christendom kan dat door de genade en de vergeving. Die zorgen dat een mens kan glimlachen om zijn vergeefse pogingen om zonder zonde te zijn. Misschien is de humorist wel de tegenhanger van de flagellant; de gelovige die zichzelf met een zweep afranselt om zichzelf te bestraffen voor zijn verdorvenheid. Wie kan lachen om zichzelf, is mild voor zichzelf. Hij beziet zichzelf vergevingsgezind.

Ware humor is hoofdschuddend, niet snoevend of veroordelend

jurgen tiekstra

‘Ik hoop dat u eens ten volle zult begrijpen wat u al gedeeltelijk begrepen heeft’, schrijft Paulus aan de Korinthiërs, ‘namelijk dat u op de dag van onze Heer Jezus trots op ons kunt zijn, zoals wij op u.’ Trots dus. Paulus vindt dat men trots op hem mag zijn. Dat is heel wat voor iemand die naar eigen zeggen ‘een doorn in zijn vlees’ heeft en wordt ‘gekweld door een engel van Satan’, ‘om te verhinderen dat ik mezelf zou verheffen’. In wezen heeft ieder een mens zo’n doorn in zijn vlees, omdat het voor ieder mens onmogelijk is om geen fouten te maken. Toch mag je jezelf een klopje op de schouder geven en om jezelf lachen. Lachen om jezelf is iets anders dan de spot drijven met jezelf. Zelfvernedering heeft hier geen deel aan, in tegenstelling tot wat de zeventiende-eeuwse Britse filosoof Thomas Hobbes dacht. Hij wilde het lachen uitbannen, omdat de bron van humor in zijn ogen voortkomt uit een gevoel van superioriteit.

Hobbes is niet de enige die humor zo heeft uitgelegd, maar in wezen heeft hij het dan over spot. Want humor zelf is juist mild van aard. Ware humor is hoofdschuddend, niet snoevend of veroordelend. In het verleden ging soms een grap rond over de gereformeerd-vrijgemaakten, een kerkgenootschap dat vroeger nog weleens neigde naar een flinke mate van zelfovertuigdheid. Petrus leidde iemand door de hemel, langs de katholieken, de hervormden en allerlei andere geloofsgroepen. Bij de vrijgemaakten moest de gast even stil zijn. De vrijgemaakten denken namelijk dat ze de enigen hier zijn, zei Petrus.

In de religieuze existentiesfeer beziet de mens zichzelf in de juiste verhouding. Dankzij de humor kan een mens steels een blik werpen door de ogen van God en de mens zien in zijn ware grootte, waarbij alle pretenties, waarheidsclaims en grootspraak van de mens krimpen tot vertederende proporties. Laten we ons daarom beroemen op onze zwakheid. En geregeld wat lachen om onszelf.

Jurgen Tiekstra is journalist. Voor meer informatie: www.jurgentiekstra.nl.